ECLI:NL:RBAMS:2026:3103

ECLI:NL:RBAMS:2026:3103

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 26-03-2026
Datum publicatie 26-03-2026
Zaaknummer 13/160845-24 (A) en 13/189250-23 (B)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Een 26-jarige man is veroordeeld tot 3 dagen gevangenisstraf en 200 uur taakstraf waarvan 80 uur voorwaardelijk

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Parketnummers: 13.160845.24 en 13.189250.23 (ter terechtzitting gevoegd)

[verdachte]

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13/160845-24 (A) en 13/189250-23 (B) (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 26 maart 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1999,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] .

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 maart 2026.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.H. de Krijger, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P. Figge, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd:

Zaak A (parketnummer: 13/160845-24)

feit 1:

dat hij op 12 mei 2024 te Amsterdam, door met een machete te zwaaien/steken in de richting van [slachtoffer 1] , zich ten aanzien van die [slachtoffer 1] heeft schuldig gemaakt aan:

primair poging doodslag,

subsidiair zware mishandeling,

meer subsidiair poging zware mishandeling,

meest subsidiair mishandeling;

feit 2:

dat hij op 12 mei 2024 te Amsterdam, door met een machete te zwaaien/steken in de richting van [slachtoffer 2] , zich ten aanzien van die [slachtoffer 2] heeft schuldig gemaakt aan:

primair poging doodslag,

subsidiair zware mishandeling,

meer subsidiair poging zware mishandeling,

meest subsidiair mishandeling.

Zaak B (parketnummer 13/189250-23)

dat hij zich op 23 juli 2023 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan diefstal met geweld van een telefoon van [slachtoffer 3] .

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3. Waardering van het bewijs

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van zaak A op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de poging tot doodslag en zware mishandeling van [slachtoffer 1] (onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegd). Verdachte dient verder integraal te worden vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde.

Verdachte dient te worden veroordeeld voor de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] (het onder feit 1 meer subsidiaire tenlastegelegde).

Ten aanzien van zaak B heeft de officier van justitie gevorderd om verdachte te veroordelen voor diefstal en hem vrij te spreken van het tenlastegelegde geweld nu daar geen steunbewijs voor is in het dossier.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van zaak A primair verzocht verdachte integraal vrij te spreken van het tenlastegelegde nu opzet, ook het voorwaardelijk opzet, ontbreekt. De inhoud van het dossier is niet eenduidig en er zijn meerdere verklaringen die heel wisselend zijn. Verdachte is ervan overtuigd dat [slachtoffer 1] kennelijk per abuis is geraakt met het mes, en dat [slachtoffer 2] met het mes is geraakt terwijl verdachte zich aan het afweren was en weg wilde uit de woning. Subsidiair sluit de raadsvrouw zich aan bij de officier van justitie wat betreft het verzoek om verdachte vrij te spreken van het onder van feit 1 primair en subsidiair en het onder feit 2 tenlastegelegde. Ten aanzien van de kwalificatie voor het meer of meest subsidiair tenlastegelegde (poging tot zware mishandeling of mishandeling) heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van zaak B heeft de raadsvrouw primair verzocht om verdachte vrij te spreken van de tenlastegelegde diefstal omdat het oogmerk om de telefoon zich wederrechtelijk toe te eigenen ontbreekt. Verdachte wilde de telefoon niet houden maar weer teruggeven als de aangever zijn wisselgeld zou brengen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om verdachte vrij te spreken van de strafverzwarende geweldshandeling nu dit niet door bewijsmiddelen wordt ondersteund.

Oordeel van de rechtbank

Zaak A – Geweldsincident in woning

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen uit van het volgende.

Op 12 mei 2024 heeft in een woning, een klein eenkamerappartement van aangever [slachtoffer 2] aan de [adres] , een confrontatie plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer 2] . Voorafgaand aan de confrontatie hebben de drie mannen sterke drank (whisky) gekocht en hier samen van gedronken. Verdachte had al verschillende glazen bier gedronken en een joint gerookt. Aangever [slachtoffer 1] is op een later moment naar de woning gekomen en had geen alcohol gedronken. Tijdens de confrontatie heeft verdachte een machete gepakt die in de woning aanwezig was. De machete had een totale lengte van 60-65 centimeter met een lemmet van ongeveer 45-50 cm lang. Het lemmet was voorzien van twee snijzijdes, waarvan één gekarteld. Toen verbalisanten ter plaatse kwamen troffen zij bij de woning aangever [slachtoffer 2] aan met diverse verwondingen aan zijn linkerhand, en aangever [slachtoffer 1] met een snee op zijn voorhoofd, boven zijn rechter wenkbrauw. Verbalisanten zagen in de woning diverse bloedvlekken op de vloer, muur en meubilair en zagen dat er naast de bank een hoes van een machete lag. Buiten de woning hebben verbalisanten op de Agatha Christiesingel bij de Boston Corner perceel 26, verdachte liggend op een bankje aangetroffen. Verbalisanten hebben daar ook een machete met bloed gevonden die naast verdachte op de grond lag.

Letsel [slachtoffer 1]

Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer 1] vier dagen na het geweldsincident door een arts is onderzocht en als gevolg van het geweldsincident letsel heeft opgelopen. Uit de Letselrapportage van de Forensisch Geneeskundige van de GGD van 16 mei 2024 volgt dat op het voorhoofd, rechts van het midden, boven de rechter wenkbrauw een genezende snijverwonding met korstvorming zichtbaar was, en dat een litteken zichtbaar zou kunnen blijven. Het betreft een snijwond van 2 à 3 centimeter met een geschatte genezingsduur van 3 weken.

Letsel [slachtoffer 2]

Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer 2] vier dagen na het geweldsincident door een arts is onderzocht en als gevolg van het geweldsincident letsel heeft opgelopen. Uit de Letselrapportage van de Forensisch Geneeskundige van de GGD van 16 mei 2024 volgt dat bij [slachtoffer 2] op verschillende plekken genezende verwondingen zichtbaar waren. Het letsel betreft met name onderhuidse bloeduitstortingen en genezende huidbeschadigingen.

Vrijspraak van poging doodslag en zware mishandeling [slachtoffer 1] - feit 1 primair en subsidiair

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag of aan zware mishandeling, zoals primair en subsidiair ten laste is gelegd. Zij overweegt daartoe het volgende.

Voor het aannemen van een poging tot doodslag dient verdachte (voorwaardelijk) opzet op de dood te hebben gehad. Voorwaardelijk opzet op de dood is aanwezig indien de kans dat de dood als gevolg van het handelen van verdachte zou intreden aanmerkelijk was en verdachte die kans ten tijde van zijn handelen bewust heeft aanvaard.

Niet is gebleken dat de snijzijdes van de machete scherp waren, noch hoe verdachte ten opzichte van de overige aanwezigen in de woning stond of hoe hij de machete vast had en hanteerde. Behalve [slachtoffer 1] waren de aanwezigen onder invloed en de afgelegde verklaringen verschillen van elkaar, ook verklaringen die door dezelfde persoon zijn afgelegd. De rechtbank stelt op basis van de verklaringen in het dossier vast dat verdachte in de woning met een machete een zwaaiende beweging heeft gemaakt en daarbij [slachtoffer 1] kennelijk net op diens voorhoofd heeft geraakt en daarbij een snijwond heeft veroorzaakt. Niet is gebleken dat verdachte [slachtoffer 1] vol heeft willen en kunnen raken met de machete. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat door het zwaaien met de machete een aanmerkelijke kans op de dood aanwezig was. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van poging doodslag.

Voor het aannemen van zware mishandeling moet er sprake zijn van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht.

Op basis van de foto van het letsel, de letselverklaring en de waarneming van de rechter-commissaris tijdens het getuigenverhoor op 15 april 2025 dat [slachtoffer 1] naar een zichtbaar litteken op zijn voorhoofd wijst, kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 1] een blijvend litteken op zijn voorhoofd aan het geweld heeft overgehouden. In hoeverre er voor [slachtoffer 1] sprake is van een ontsierend litteken blijkt echter niet uit het dossier. Gelet hierop kan de rechtbank niet vaststellen dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte zal daarom ook hiervan worden vrijgesproken.

Vrijspraak feit 2

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2 tenlastegelegde. De wisselende verklaringen van [slachtoffer 2] over wat er in de woning is gebeurd en in welke volgorde maken dat het niet mogelijk is om vast te stellen welke bewegingen verdachte met de machete richting [slachtoffer 2] heeft gemaakt. Hierdoor kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte richting [slachtoffer 2] stekende of zwaaiende bewegingen heeft gemaakt. In het verlengde hiervan kan de rechtbank ook niet vaststellen hoe en op welk moment de verwondingen bij [slachtoffer 2] zijn ontstaan. Gelet hierop komt de rechtbank tot het oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verwondingen van [slachtoffer 2] opzettelijk door verdachte met de machete zijn toegebracht. Verdachte zal daarom integraal van feit 2 worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring poging tot zware mishandeling (feit 1 meer subsidiair)

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen wel kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meer subsidiair

ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] .

Verdachte heeft een zwaaiende beweging met de machete gemaakt richting [slachtoffer 1] . Daarbij heeft verdachte [slachtoffer 1] op diens voorhoofd geraakt en snijwond toegebracht. [slachtoffer 1] heeft bij de politie en bij de rechter-commissaris steeds verklaard dat, op het moment dat hij bij de voordeur stond, hij zag dat verdachte aan het zwaaien was met een groot mes. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] op een gegeven moment tussen hem en verdachte in stond om hem, [slachtoffer 1] , te beschermen en dat verdachte een zwaai in de richting van hem en [slachtoffer 2] maakte waarna hij met het mes op zijn hoofd werd geraakt. Verdachte heeft ook niet ontkend dat het letsel bij [slachtoffer 1] door het zwaaien met de machete kan zijn ontstaan.

Voorwaardelijk opzet

Om tot een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling te komen, is vereist dat het opzet van verdachte erop gericht was om aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank ziet geen aanwijzingen in het dossier dat verdachte vol opzet had in die zin dat het zijn bedoeling was om [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte het voorwaardelijk opzet had om [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Verdachte heeft eerst de machete, een steekwapen, uit het foudraal getrokken en aldus de snijkanten van de machete ontbloot. Verdachte heeft vervolgens, in de woning, met de machete een zwaaiende beweging in de richting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gemaakt, waardoor [slachtoffer 1] op zijn voorhoofd is geraakt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte aldus bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] hierdoor ernstig verwond kon raken. Het iemand met een machete raken, steken of snijden in het gezicht kan makkelijk leiden tot zwaar lichamelijk letsel. Dat het toegebrachte letsel niet als zwaar lichamelijk letsel wordt aangemerkt, maakt dat sprake is van een poging hiertoe.

Zaak B – Diefstal telefoon

Bewezenverklaring diefstal, vrijspraak gebruik van geweld

Aangever [slachtoffer 3] heeft op 23 juli 2023 aangifte gedaan van diefstal van zijn telefoon. Hij heeft bij de politie verklaard dat hij bij zijn auto stond te bellen, bij parkeergarage P24 in de Bijlmer. Hij hoorde een man tegen iemand anders zeggen dat hij richting Gein moest. Deze man liep naar de aangever toe, pakte zijn arm hard vast, trok vervolgens zijn telefoon uit zijn hand en rende hard weg, richting de Hoogoorddreef. De aangever heeft een signalement gegeven waarna de politie verdachte heeft aangehouden. Bij fouillering van verdachte is een telefoon aangetroffen. De politie heeft twee keer het nummer van de aangever gebeld en de aangetroffen telefoon werd beide keren gebeld. Hierop is verdachte aangehouden.

Verdachte heeft bekend dat hij de telefoon heeft weggenomen. Hij heeft hierover verklaard dat hij bij een snorder in de auto is gestapt, en dat de snorder hem naar huis zou brengen in Gein. Hij heeft de snorder geld gegeven en de snorder wilde hem vervolgens het wisselgeld niet teruggeven. De telefoon van de snorder lag in de auto in de middenconsole. Verdachte pakte toen de telefoon en zei tegen de snorder dat hij de telefoon bij hem thuis kon ophalen. Hij liep toen rustig weg en is niet weggerend. De snorder weet zijn adres.Hij heeft hem verder niet aangeraakt.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het oogmerk om de telefoon zich wederrechtelijke toe te eigenen ontbrak.

Gelet op de aangifte en de verklaring van verdachte dat hij de telefoon uit de auto heeft weggenomen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte de telefoon van de aangever heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen. Dat, zoals door verdachte is verklaard, hij de telefoon zou teruggeven als de aangever hem zijn geld kwam teruggeven, maakt niet dat geen sprake is van dat oogmerk. Verdachte heeft immers de telefoon, zonder overleg of afspraak met de aangever, weggenomen met de bedoeling die te houden als aangever hem niet zou komen ophalen. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.

De rechtbank acht evenals de officier van justitie en de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte bij de diefstal geweld tegen aangever heeft gebruikt. Daarvoor bevinden zich in het dossier onvoldoende bewijsmiddelen, zodat verdachte van dit deel zal worden vrijgesproken.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn opgenomen, bewezen dat verdachte

Zaak A:

feit 1, meer subsidiair

op 12 mei 2024 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een machete een zwaaiende beweging in de richting van het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gemaakt (waarbij voornoemde [slachtoffer 1] op het hoofd is geraakt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Zaak B:

op 23 juli 2023 te Amsterdam, een telefoon (merk: Apple Iphone, kleur: wit), die aan [slachtoffer 3] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

5. Strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De raadsvrouw heeft, meer subsidiair, ten aanzien van de in zaak A tenlastegelegde feiten bepleit dat verdachte heeft gehandeld uit (putatief) noodweer dan wel (tardief) noodweerexces, zodat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Verdachte werd in elkaar geslagen en bevond zich plotseling in een situatie van een wederrechtelijke aanranding waarbij hij zich genoodzaakt zag naar een nabijgelegen voorwerp te grijpen om de aanval af te weren. Hij bevond zich in een kleine woning en hij kon op dat moment geen kant op. Toevallig lag daar een mes, en verdachte heeft dat mes enkel gebruikt om te zwaaien en het doel om afstand te creëren . Dit was een defensieve handeling die in redelijke verhouding stond tot de dreiging.

Het Openbaar Ministere acht een noodweer/noodweerexces situatie niet aannemelijk.

Noodweer

De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het

verweer ten grondslag heeft gelegd geen beroep op noodweer(exces) rechtvaardigen en overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de zich in het dossier bevindende stukken, niet valt uit te sluiten dat er sprake is geweest van een noodweersituatie. Uit de diverse verklaringen in het dossier volgt dat er een worsteling tussen [slachtoffer 2] en verdachte heeft plaatsgevonden en dat [slachtoffer 2] verdachte op het bed of op de grond heeft geduwd en hem meerdere klappen heeft gegeven. Welke geweldshandelingen door wie en op welk moment zijn verricht kan de rechtbank op basis van de wisselende verklaringen van de getuigen en verdachte niet vaststellen. Wat er precies in de woning is gebeurd en in welke volgorde is daarom onduidelijk gebleven.

Ervan uitgaande dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen, is de volgende vraag of het handelen van verdachte proportioneel was. De door verdachte gekozen wijze van verdediging staat naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. Verdachte heeft namelijk een machete gepakt en die uit het foudraal gehaald om er vervolgens mee te zwaaien. Dit was een reactie op een aanval op hem door [slachtoffer 2] . Die aanval van [slachtoffer 2] vond plaats met zijn handen, dus zonder wapen. Verdachte is door het gebruik van een manchete te ver gegaan in zijn noodzakelijke verdediging. Aan de eis van proportionaliteit is daarmee niet voldaan zodat het beroep op (putatief) noodweer wordt verworpen.

Noodweerexces

Overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging is verontschuldigbaar als de gedraging – in dit geval het pakken van het mes om er vervolgens mee te zwaaien – het onmiddellijke gevolg is van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij bang was door de aanval. Door die angst heeft hij, toen hij op of naast het het bed lag, het mes onder het bed vandaan gepakt om [slachtoffer 2] op afstand te houden en weg te komen uit de woning. Uit het dossier is onvoldoende gebleken dat verdachte heeft gehandeld vanuit een hevige gemoedsbeweging die werd veroorzaakt door de aanval. Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat er sprake was van een hevige gemoedsbeweging, verwerpt de rechtbank het beroep op (tardief) noodweerexces.

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6. De strafmotivering

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 dagen, gelijk aan de duur van het voorarrest, en een taakstraf van 200 uren, waarvan 80 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar wordt opgelegd, onder de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Strafmaatverweer van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om bij bewezenverklaring rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft de afgelopen jaren aan zichzelf gewerkt en beschikt inmiddels over een zelfstandige woning. Inmiddels is er ook behoorlijk wat tijd verstreken en is verdachte niet gerecidiveerd. Ook heeft verdachte recent een baan gevonden. Gelet op al deze omstandigheden meent de verdediging dat een geheel voorwaardelijke straf met een proeftijd van 1 jaar passend is, onder de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht een onvoorwaardelijke straf conform de voorlopige hechtenis op te leggen en eventueel een voorwaardelijke straf of een werkstraf.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van het slachtoffer [slachtoffer 1] door met een machete in de richting van het hoofd van het slachtoffer te zwaaien, waardoor het slachtoffer een snijwond op zijn voorhoofd heeft opgelopen en daar een blijvend litteken aan heeft overgehouden. Verdachte heeft door zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Een slachtoffer, dat verder niets met de ruzie in de woning van [slachtoffer 2] te maken had. Verdachte heeft door een machete te pakken en daarmee te zwaaien terwijl hij (veel) whisky had gedronken zeer gevaarlijk gehandeld. Dat het slachtoffer relatief licht letsel aan het feit heeft overgehouden is niet aan het handelen van verdachte te denken en is een kwestie van geluk geweest. Het had erger kunnen aflopen met het slachtoffer en er hadden ook andere personen die op dat moment in de woning aanwezig waren geraakt kunnen worden. Dergelijke geweldsdelicten zorgen in zijn algemeenheid voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Verdachte heeft op de zitting geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen, maar enkel verwezen naar de bedreiging die hijzelf in de woning zou hebben ervaren.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van een mobiele telefoon. Hierdoor heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendom van een ander. Verdachte heeft kennelijk alleen oog gehad voor zijn eigen belangen en zich geen enkele rekenschap gegeven van de gevolgen van zijn handelen voor de eigenaar van de telefoon.

Uitgangspunt voor de strafoplegging

Bij het bepalen van de op te leggen straf beoogt de rechtbank recht te doen aan de ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers, rekening houdend met wat in soortgelijke zaken wordt opgelegd en de landelijke oriëntatiepunten voor zware mishandeling en diefstal. Het oriëntatiepunt bij een poging zware mishandeling met gebruik van een mes is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van rond de vier maanden. Voor een diefstal van een mobiele telefoon bestaan er geen oriëntatiepunten.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 18 februari 2026. Verdachte is in het verleden niet eerder veroordeeld voor geweldsdelicten of diefstal. Verdachte is na het begaan van de bij dit vonnis bewezenverklaarde feiten, op 4 juni 2024, door deze rechtbank veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren voor een Opium-delict. De rechtbank zal daarom rekening houden met welke straf zou zijn opgelegd als deze zaken gelijktijdig zouden zijn behandeld (artikel 63 Wetboek van Strafrecht).

Reclasseringsrapport

De rechtbank heeft kennisgenomen van het advies van Reclassering Inforsa Nederland van 5 januari 2026. Verdachte staat sinds medio mei 2024 in het kader van schorsing van de preventieve hechtenis sinds onder toezicht bij Reclassering Inforsa. De reclassering schrijft dat zij niet kunnen uitsluiten dat het alcoholgebruik van verdachte van invloed is geweest op het (delict)gedrag. Verdachte heeft in het kader van het schorsingstoezicht een leefstijltraining gevolgd om zijn alcoholgebruik bespreekbaar en beheersbaar te maken. Volgens de reclassering zijn er momenteel geen aanwijzingen dat er sprake is van problemen met middelengebruik of van structurele problemen met agressiehantering of impulsbeheersing. Verdachte heeft in samenwerking met HVO Querido en de reclassering stabiliteit weten te creëren op diverse leefgebieden. Zo heeft hij een ‘omklapwoning’ gekregen die mogelijk op zijn naam overgeschreven kan worden. Daarnaast is er sprake van een stabiele financiële situatie, heeft hij een gezonde relatie en een goed contact met zijn familie. Deze leefgebieden worden door de reclassering als beschermende factoren aangemerkt. Op de zitting is naar voren gekomen dat verdachte recent een baan bij de McDonald’s heeft gevonden waar hij binnenkort zal starten met werken. De reclassering schat in dat het beschikken over werk zal bijdragen aan meer structuur, maar ook een recidive beperkend effect kan hebben. Dat verdachte in het kader van het schorsingstoezicht aan zichzelf heeft gewerkt en het op dit moment goed met hem gaat is op de zitting bevestigd door zijn persoonlijk begeleider bij HVO Querido. Ook zijn jobcoach bij de gemeente Amsterdam heeft in een e-mail toegelicht dat het op dit moment goed gaat met verdachte.

De reclassering geeft verder in haar advies aan dat voortzetting van het toezicht geïndiceerd is en kan dienen als ‘stok achter de deur’ om zich aan de afspraken met de hulpverlening te blijven houden. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding en meewerken aan middelencontrole.

Op de zitting heeft verdachte verklaard verder te willen werken aan het op orde krijgen van zijn leven en gemotiveerd te zijn om mee te werken aan de bijzondere voorwaarden en al hetgeen de reclassering nodig acht.

De op te leggen straf

De rechtbank overweegt dat de ernst van de feiten in beginsel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Het feit dat verdachte ruim 22 maanden onder schorsingstoezicht heeft gestaan en aantoonbaar gemotiveerd lijkt om zijn leven te verbeteren, maakt het echter niet opportuun om verdachte nu de gevangenis in te sturen. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte reden om hem een kans te geven door hem een forse taakstraf op te leggen met een voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden. Zowel de maatschappij als de verdachte lijken daarbij meer gediend dan bij het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank constateert dat het taakstrafverbod van toepassing is, gelet op artikel 22b, tweede lid, onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. Dit betekent dat niet enkel een taakstraf aan verdachte kan worden opgelegd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, conform de strafeis, een gevangenisstraf voor de duur van 3 dagen, met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 200 uren, waarvan 80 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar, passend en geboden is. Aan het voorwaardelijk strafdeel verbindt de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

7. Beslag

De volgende voorwerpen zijn in beslag genomen:

- 1 STK Mes (Omschrijving: PL1300-2024111720-G6500946, Machete mes)- 1 STK Foudraal van machete (Omschrijving: PL1300-2024111720-G6500947, Hoes)- 1 STK Hakmes (Omschrijving: PL1300-2024111720-G6500948)

De officier van justitie heeft verzocht om de eerste twee voorwerpen (machete en de hoes) aan het verkeer te onttrekken en het derde voorwerp (hakmes) te bewaren ten behoeve van de rechthebbende. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Onttrekking aan het verkeer

Nu met behulp van de machete de bewezen geachte poging tot zware mishandeling is begaan en het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, wordt dit voorwerp onttrokken aan het verkeer.

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank is van oordeel dat het buiten de woning aangetroffen en in beslag genomen hakmes dient te worden bewaar ten behoeve van de rechthebbende.

8. Ten aanzien van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 874,80 aan vergoeding van materiële schade en een onbekend bedrag aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade bestaat uit kosten die de benadeelde partij zou hebben gemaakt in verband met bloed dat in de woning is gekomen als gevolg van het gebruik van het mes voor verdachte waardoor vloerbedekking en muren gereinigd en geverfd moesten worden. Daarnaast zou schade zijn ontstaan aan andere spullen in de woning waaronder een beamer, een laptop, een wasrek en een paar Nike schoenen.

De officier van justitie en de raadsvrouw hebben de rechtbank verzocht om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in verband met de verzochte vrijspraak van de tenlastegelegde geweldshandelingen jegens de benadeelde partij.

Oordeel van de rechtbank

Verdachte wordt vrijgesproken van het plegen van het in zaak A onder feit 2 ten laste gelegde geweldsfeit jegens de benadeelde partij [slachtoffer 2] , het feit waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De rechtbank verklaart daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 22d, 45, 57, 63, 302 en 310 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak A onder 1 primair en subsidiair en onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 meer subsidiair en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van zaak A, feit 1 meer subsidiair:

poging tot zware mishandeling

Ten aanzien van zaak B:

diefstal

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 (tweehonderd) uren.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 (honderd) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 80 (tachtig) uren, van deze taakstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 1 (één) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 (veertig) dagen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij reclassering

Veroordeelde meldt zich op een nader te bepalen datum en tijdstip bij mevrouw [naam] van Reclassering Inforsa op het adres: Vlaardingenlaan 5 te Amsterdam. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

Ambulante behandeling

Veroordeelde laat zich, indien hij een terugval heeft in problematisch middelengebruik en de reclassering dit nodig acht, behandelen door Forensische Ambulante Zorg (FAZ) Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.

Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Veroordeelde verblijft in een woning van HVO Querido of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf is reeds gestart. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

Dagbesteding

Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

Meewerken aan middelencontrole

Veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te

beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.

Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- 1 STK Mes (Omschrijving: PL1300-2024111720-G6500946, Machete mes)- 1 STJ Foudraal van machete (Omschrijving: PL1300-2024111720-G6500947, Hoes)

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

- 1 STK Hakmes (Omschrijving: PL1300-2024111720-G6500948)

Verklaart [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.A.E. Somsen, voorzitter,

mrs. A.M. Grüschke en M. Smayel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.A.E. Somsen

Griffier

  • mr. S. van Gerven

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?