RECHTBANK AMSTERDAM
tussenvonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/326892-25
Datum uitspraak: 31 maart 2026
Tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboortegegevens] 1991,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [verblijfsplaats] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit tussenvonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Willemsen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G. Onnink, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – samengevat en na wijziging van de tenlastelegging op zitting – tenlastegelegd dat hij zich in de periode van 20 maart 2025 tot en met 14 november 2025 in Amsterdam, Nederland, België en/of Italië heeft schuldig gemaakt aan:
1. medeplegen van oplichting door het openen van in totaal 47 bankrekeningen op naam van anderen, waarbij gebruik is gemaakt van deepfake-technologie;
2. medeplegen van het meermalen valselijk opmaken en/of vervalsen van een reisdocument en/of identiteitsbewijs. Subsidiair zijn deze handelingen tenlastegelegd als het medeplegen van het meermalen voorhanden hebben van een identificatiebewijs, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het vals en/of vervalst was;
3. medeplegen van het vervaardigen, ontvangen, verschaffen, verkopen, overdragen, verwerven, vervoeren, invoeren, uitvoeren, verspreiden, ter beschikking stellen en/of voorhanden hebben van afbeeldingen van identiteitsbewijzen, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van oplichting;
4. medeplegen van het verwerven en/of voorhanden hebben van niet-openbare gegevens, terwijl verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze door misdrijf zijn verkregen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Heropening onderzoek
De rechtbank heeft op de terechtzitting van 17 maart 2026 de zaak inhoudelijk behandeld en het onderzoek gesloten. Na sluiting van het onderzoek is de rechtbank bij de beraadslaging tot het oordeel gekomen dat het onderzoek ten aanzien van de feiten onvolledig is geweest. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Verdachte heeft op 13 maart 2026 een schriftelijke verklaring ingediend die de rechtbank op 16 maart 2026 heeft ontvangen. Verdachte heeft – kort gezegd – verklaard dat hij vanaf 28 september 2025 wetenschap heeft gehad van de strafbare feiten, maar dat hij in de periode daarvoor niet wist dat hij aan strafbare feiten meewerkte. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij de gegevens die op zijn telefoon zijn aangetroffen eerst na 28 september 2025 heeft gedownload via Telegram.
Ter verificatie dan wel falsificatie van de verklaring van verdachte wenst de rechtbank geïnformeerd te worden over op welke momenten en op welke wijze de gegevens genoemd in het proces verbaal eerste onderzoek goednr 6741907 iPhone [verdachte] met documentcode [code] op de telefoon van verdachte terecht zijn gekomen. De rechtbank zal het onderzoek heropenen om nader onderzoek te laten verrichten en de resultaten daarvan met de verdediging en het Openbaar Ministerie te bespreken.
4. Voorlopige hechtenis
Nu het onderzoek heropend wordt, zal de rechtbank ambtshalve beslissen of de voorlopige hechtenis nog langer moet voortduren. De rechtbank is van oordeel dat de ernstige bezwaren en de gronden als bedoeld in artikel 67a van het Wetboek van Strafvordering ook op dit moment nog bestaan. Voor wat betreft de motivering sluit de rechtbank aan bij de motiveringen in het bevel bewaring van de rechter-commissaris en het bevel gevangenhouding van de rechtbank. De situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering is niet aan de orde.
Bij deze stand van zaken zal de rechtbank de voorlopige hechtenis niet ambtshalve opheffen.
5. Beslissing
De rechtbank:
- heropent het onderzoek ter terechtzitting en beveelt dat het onderzoek zal worden hervat op een nader te bepalen datum en tijdstip;
- schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd, maar maximaal voor een termijn van drie maanden, wegens de klemmende reden dat het zittingsrooster van de rechtbank thans zodanig is bezet en om tijd te geven aan de uitvoering van het onderzoek, dat het stellen van de termijn van de schorsing op niet meer dan één maand niet mogelijk is;
- beveelt de officier van justitie de opdracht te geven een onderzoek als hiervoor bedoeld te doen verrichten.
- beveelt de oproeping van verdachte tegen een nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van verdachte.
- Beveelt dat de benadeelde partij de dag en het tijdstip van de volgende zitting schriftelijk wordt meegedeeld.
Dit tussenvonnis is gewezen door
mr. C.M. Berkhout, voorzitter,
mrs. M.C.H. Broesterhuizen en M.C. Danel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Buiskool, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 maart 2026.