RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-352561-25
Datum uitspraak: 26 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 16 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 mei 2022 door the Městský soud v Brně [Municipal Court in Brno], Tsjechië, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Tsjecho-Slowakije) op [geboortedag] 1990,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
Zitting van 3 maart 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 3 maart 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen. Op zitting is verschenen de niet gemachtigde raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr. D.S. Altena, als waarnemer voor mr. R. Zilver, beiden advocaat in Utrecht.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak van 10 maart 2026
Bij tussenuitspraak van 10 maart 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen over de resolution of the Municipal Court in Brno van 4 mei 2021 en de resolution of the Regional Court in Brno van 22 juni 2021 in verband met de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW.
Zitting van 18 maart 2026
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling, voortgezet op de zitting van 18 maart 2026, in aanwezigheid van mr. E. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen. Op zitting is verschenen de niet gemachtigde raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr. D.S. Altena, als waarnemer voor mr. R. Zilver, beiden advocaat in Utrecht.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon Tsjechische nationaliteit heeft.
3. Tussenuitspraak van 10 maart 2026
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW voor wat betreft de beslissing van the Municipal Court in Brno van 23 januari 2018 en de beslissing van the Regional Court in Brno van 10 april 2018 (onder 4) en de dubbele strafbaarheid (onder 5). De overwegingen van de rechtbank moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 4 van voornoemde tussenuitspraak. De overwegingen uit deze tussenuitspraak dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) heeft op 10 maart 2026 de volgende door de rechtbank geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld:
“1. Are the resolutions of 4 May 2021 and 22 June 2022, referred to under section 2b of the EAW, enforcement decisions regarding a conditional or suspended sentence, that resulted from one or more convictions for one or more new offences?
2. If so, could you please fill in section D of the EAW for the procedure(s) that have led to this/these triggering conviction(s)?”
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 12 maart 2026 als volgt geantwoord:
“By a ruling of the Municipal Court in Brno dated May 4, 2021, ref. no. 2 T 135/2017-364, it was decided to convert the original suspended prison sentence due to the convicted person’s failure to comply with the conditions. The convicted person attended the public hearing at which the conversion was decided in person on May 4, 2021. This resolution was subsequently confirmed by the Regional Court in Brno on June 22, 2021, ref. no. 8 To 162/2021-374, following an appeal by the convicted person.”
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de resolutie van the Municipal Court in Brno van 4 mei 2021 en de resolutie van the Regional Court in Brno van 22 juni 2021 niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW vallen. Uit de aanvullende informatie van 12 maart 2026 blijkt namelijk dat in de resoluties de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf is bevolen, omdat de opgeëiste persoon zich niet aan de aan hem opgelegde voorwaarden heeft gehouden.
Oordeel van de rechtbank
Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 12 maart 2026 blijkt dat de vrijheidsstraf aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon is opgelegd. Bij beslissing van the Municipal Court in Brno van 4 mei 2021, ref. no. T 135/2017-364, is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen. Deze beslissing is in hoger beroep bekrachtigd door the Regional Court in Brno van 22 juni 2021, ref. no. To 162/2021-374. Dit zijn geen beslissingen waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissingen vallen daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW.
Uit de aanvullende informatie van 12 maart 2026 blijkt dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf is bevolen omdat de opgeëiste persoon zich niet aan de voorwaarden heeft gehouden. Gelet op de vraagstelling van het IRC van 10 maart 2026 gaat de rechtbank ervan uit dat de uitvaardigende justitiële autoriteit hiermee doelt op bijzondere voorwaarden en niet op de voorwaarde dat de opgeëiste persoon gedurende de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen. Aan de beslissingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf ligt daarom niet een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit ten grondslag.
Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW hoeft te toetsen dan de beslissing in hoger beroep van the Regional Court in Brno van 10 april 2018, ref. no. 8 To 76/2018-253. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank reeds vastgesteld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen op de zitting die tot de beslissing van 10 april 2018 heeft geleid en dat artikel 12 OLW daarom niet van toepassing is op die beslissing.
5. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 3, 10a en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.
7. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Mèstsky soud v Brnè [Municipal Court in Brno], Tsjechië, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.