ECLI:NL:RBAMS:2026:3153

ECLI:NL:RBAMS:2026:3153

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 13-02-2026
Datum publicatie 30-03-2026
Zaaknummer 13/368227-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Tegenspraak. Verdachte wordt veroordeeld voor de diefstal van een portemonnee, een poging tot doodslag en een mishandeling. Het beroep op noodweer(exces) wordt verworpen. Aan de verdachte wordt opgelegd een jeugddetentie voor de duur van 1 maand. Het mes wordt onttrokken aan het verkeer. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Team Familie & Jeugd

Parketnummers: 13.368227.24

Datum uitspraak: 13 februari 2026 (tegenspraak)

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),

huidige Basisregistratie Personen: niet beschikbaar.

1. Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 30 januari 2026.

Verdachte is niet ter terechtzitting verschenen. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W. van Veen en van wat de gemachtigde raadsvrouw van verdachte mr. P.A.Th. Lemmers naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [persoon] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) naar voren is gebracht.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door mr. C.A. Bouw namens de benadeelde partij [benadeelde partij] naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

diefstal van een portemonnee (met inhoud) van [aangever] op 16 november 2024 te Amsterdam;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

primair:

poging tot doodslag van [benadeelde partij] door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst van [benadeelde partij] te steken op 17 november 2024 te Amsterdam;

subsidiair:

poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij] door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst van [benadeelde partij] te steken op 17 november 2024 te Amsterdam;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

primair:

poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij] door (met een scherp en/of puntig en/of hard voorwerp) op het hoofd van voorgenoemde [benadeelde partij] te slaan op 17 november 2024 te Amsterdam;

subsidiair:

mishandeling van [benadeelde partij] door (met een scherp en/of puntig en/of hard voorwerp) op het hoofd van voorgenoemde [benadeelde partij] te slaan op 17 november 2024 te Amsterdam.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van het onder feit 1 ten laste gelegde. Daartoe voert zij aan dat sprake is geweest van buitenproportioneel geweld, waardoor de aanhouding onrechtmatig was. Ook is van het toegepaste geweld tijdens de aanhouding geen proces-verbaal opgemaakt.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Verdachte werkte tijdens zijn aanhouding op 16 november 2024 niet mee, waardoor de politie geweld heeft moeten gebruiken. Het toegepaste geweld is in het dossier beschreven. Hieruit blijkt niet van disproportioneel geweld en dus was de aanhouding niet onrechtmatig.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet in het dossier een proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] , waarin omschreven staat hoe de aanhouding van verdachte verlopen is. Uit dit proces-verbaal blijkt dat verdachte, nadat de politie hem wilde aanhouden en hard riepen ‘Politie staan blijven’, wegrende in de richting van de Nieuwmarkt. Vervolgens struikelde verdachte over een verkeersbult op de weg. Nadat de verbalisant verdachte naar de grond had begeleid, raakte verdachte met zijn hoofd de grond. De verbalisant omschrijft dat verdachte vervolgens nog steeds niet meewerkte, waardoor hij verdachte een vuistslag in zijn onderrug heeft gegeven. Hierop staakte verdachte het verzet.

De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat de verdachte zich aan zijn aanhouding probeerde te onttrekken en dat verdachte zich, terwijl hij op de grond lag, bleef verzetten. Om verdachte onder controle te krijgen, heeft de verbalisant verdachte een vuistslag in zijn onderrug gegeven, waarna diens verzet stopte.

De rechtbank is van oordeel dat uit de in het proces-verbaal geschetste gang van zaken geen onrechtmatigheid blijkt ten aanzien van de aanhouding van verdachte. Daarom is evenmin sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, zodat het Openbaar Ministerie in de onderhavige zaak ontvankelijk is in de strafvervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

Feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de diefstal van de portemonnee.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht de tenlastegelegde diefstal van de portemonnee wettig en overtuigend bewezen. Er is via een camera waargenomen dat er in het centrum van Amsterdam een zogenoemde ‘voetbaltruc’ werd uitgevoerd. Kort hierop is er bij verdachte een portemonnee aangetroffen. Er is voorts een aangifte van [aangever] van de diefstal van de portemonnee in het dossier aanwezig.

Feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging doodslag. Op de beelden is te zien dat verdachte iets in zijn handen heeft wat hij uitklapt en waarmee hij op de aangever afgaat. Kort daarna vliegt er een voorwerp door de lucht dat op de put terechtkomt. Dit lange en puntige voorwerp belandt even later in de put. Nadat de politie de camerabeelden bekeken heeft en dit heeft waargenomen, gaan verbalisanten in de put kijken waar zij een mes aantreffen. Aangever [benadeelde partij] heeft na het incident een steekwond op zijn borst. De officier van justitie concludeert dat er sprake is van een poging doodslag, omdat verdachte aangever [benadeelde partij] met een mes in zijn borst heeft gestoken. Dat de gevolgen voor de aangever niet groter zijn, is niet aan verdachte te danken.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste legde. Uit de camerabeelden blijkt niet dat aangever met een mes of puntig voorwerp is gestoken. Op de beelden is niet waar te nemen dat er een steekbeweging wordt gemaakt, laat staan dat verdachte de aangever met een mes heeft gepoogd van het leven te beroven. Er is een mes in een put aangetroffen, maar hierop is geen bloed of ander DNA-spoor aangetroffen. Er is derhalve geen bewijs dat het gevonden mes een rol heeft gespeeld in onderhavig incident. Op basis van de camerabeelden en het letsel blijkt onvoldoende hoe het letsel op de borst van aangever is ontstaan of met welke kracht dat zou zijn gebeurd, zodat niet kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans heeft bestaan dat aangever door de verwonding zou komen te overlijden. Ook moet verdachte worden vrijgesproken van de subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling, nu het opzettelijk steken in de borst niet kan worden bewezen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat er op 17 november 2024 een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen verdachte en aangever waarbij over en weer geweld is gebruikt en waarbij zowel verdachte als aangever gewond zijn geraakt. De vraag die voorligt is of verdachte tijdens deze confrontatie een mes heeft gebruikt en daarmee in de borst van verdachte heeft gestoken en, als de rechtbank tot deze conclusie komt, hoe dit gekwalificeerd dient te worden.

Op basis van de camerabeelden stelt de rechtbank vast dat verdachte – die door een trap ten val was gekomen – opstaat, een voorwerp in zijn rechterhand heeft en vervolgens beide handen ter hoogte van zijn buik bij elkaar beweegt (camerabeelden [bar] 04:49:59-04:50:01). Er volgt een schermutseling tussen verdachte en aangever waarbij zij elkaar met kracht proberen te raken. Wanneer [benadeelde partij] met zijn rechterarm in de richting van het hoofd van verdachte slaat, vallen er verschillende voorwerpen op de grond, waaronder een dun, langwerpig voorwerp dat op een put met ijsresten terecht komt (camerabeelden [bar] 04:50:01-04:50:02). De verbalisanten schrijven op dat dit mogelijk het voorwerp is dat verdachte enkele seconden hiervoor in zijn hand(en) lijkt vast te houden. De vechtpartij tussen verdachte en [benadeelde partij] wordt vervolgd, waarbij er over en weer klappen vallen. Op een later moment, rond 04:50:41, is te zien dat een vrouw wijst in de richting van de put naar het dunne langwerpige voorwerp. Zij doet handelingen met haar schoen en later met haar hand ter hoogte van de put, waarna het voorwerp niet meer te zien is en ook niet in haar handen zit. Na het zien van deze camerabeelden is de politie nog dezelfde dag in de put gaan kijken, waar zij een mes hebben aangetroffen.

De rechtbank stelt vast dat bij [benadeelde partij] na de confrontatie met verdachte onder meer een steekwond is aangetroffen. Volgens de letselverklaring gaat het om een steekwond in de borstkas rechts met een lengte van 2 centimeter en een actieve bloeding van de borstspier.

De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte de aangever tijdens de confrontatie met het mes in zijn borst heeft gestoken. Aangever had immers voor de confrontatie nog geen steekverwonding in zijn borst, terwijl dit kort na de confrontatie wel het geval was. Verdachte wordt met een voorwerp in zijn handen waargenomen. Kort daarop valt er – op het moment dat [benadeelde partij] een klap uitdeelt aan verdachte - een scherp, puntig voorwerp op de put, waar vervolgens een mes in wordt aangetroffen. De rechtbank gaat er vanuit dat verdachte aangever tijdens dit korte moment in zijn borst heeft geraakt.

Dat er op de beschikbare beelden geen duidelijke steekbeweging te zien is en op die beelden evenmin kan worden waargenomen dat het heft van het mes (deels) rood is, verandert het oordeel van de rechtbank niet. De beelden zijn slechts vanuit bepaalde invalshoeken gemaakt. Door de beperkte kwaliteit van de beelden is bovendien zeer goed mogelijk dat de kleur op de camerabeelden niet waarneembaar is. Dat er geen bloedsporen van aangever of ander DNA van verdachte op het mes dat de avond van het incident in de betreffende put is gevonden is aangetroffen, brengt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel.

Poging tot doodslag of poging tot zware mishandeling?

De rechtbank stelt voorop dat voor een poging tot doodslag moet worden vastgesteld dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dood zou intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en omstandigheden waaronder deze is verricht.

Door aangever in een gevecht met een mes in het bovenlichaam te steken, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever daarbij dodelijk letsel zou oplopen. De rechtbank neemt daartoe in aanmerking dat ook een enkele steek met een mes in de borststreek, waar zich vitale delen van het lichaam bevinden, de dood al kan doen intreden. Dat het letsel van aangever, ondanks dat er een ziekenhuisopname nodig is geweest, achteraf relatief blijkt mee te vallen, doet daaraan niet af. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag op aangever [benadeelde partij] .

Feit 3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, nu verdachte aangever op zijn hoofd heeft geraakt met een voorwerp.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Er is niet te zien of verdachte, terwijl hij aangever slaat, iets in zijn hand heeft en ook is niet duidelijk met welke kracht verdachte de aangever slaat. De klap op het hoofd van aangever heeft een oppervlakkige verwonding veroorzaakt. Bovendien is volgens de raadsvrouw duidelijk te zien dan aangever de agressor is.

Het oordeel van de rechtbank

Op camerabeelden (voordeur rechts) is te zien dat aangever de verdachte voor café [naam] eerst tot tweemaal toe op afstand probeert te houden, waarna de verdachte weer naar aangever toeloopt en hem eenmaal op het hoofd slaat. Hoewel niet duidelijk is wat verdachte precies in zijn hand heeft, komt de rechtbank – anders dan de raadsvrouw – op basis van de bewijsmiddelen tot de conclusie dat verdachte met een voorwerp op het hoofd slaat.

Poging tot zware mishandeling of mishandeling?

Doordat de rechtbank niet kan vaststellen met welk voorwerp verdachte de aangever op het hoofd slaat, ziet zij – anders dan de officier van justitie – onvoldoende aanknopingspunten om tot de conclusie te komen dat verdachte door het slaan op het hoofd bewust geprobeerd heeft om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde mishandeling.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in vervatte bewijsmiddelen bewezen dat

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

hij op 16 november 2024 te Amsterdam een portemonnee (met inhoud), die aan [aangever] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen;

ten aanzien van het onder 2 (primair) ten laste gelegde:

hij op 17 november 2024 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes in de borst van voornoemde [benadeelde partij] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van het onder 3 (subsidiair) ten laste gelegde:

hij op 17 november 2024 te Amsterdam [benadeelde partij] heeft mishandeld door met een voorwerp op het hoofd van voornoemde [benadeelde partij] te slaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezen geachte heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7. Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar.

Noodweer?

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat sprake is van noodweer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, waardoor ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen. De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en dat het handelen van verdachte geboden was door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf. De raadsvrouw van verdachte heeft daartoe naar voren gebracht dat de aangever de agressor was die meermaals de confrontatie opzocht en de meeste stompen en trappen uitdeelde. Verdachte probeerde zich steeds te onttrekken aan het geweld.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat er geen sprake is van een noodweersituatie. Er was geen sprake van een situatie waarin verdachte over moest gaan tot de noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door aangever.

Het oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op noodweer moet worden vastgesteld dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Bij de beoordeling daarvan komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval. Van belang bij deze beoordeling zijn de vragen of verdachte zich had moeten en kunnen onttrekken aan de situatie en ook of dit van verdachte kon worden gevergd. Ook moet het verdedigingsmiddel in redelijke verhouding te staan tot de ernst van de aanranding. Een beroep op noodweer kan in ieder geval niet worden aanvaard als de gedraging van degene die zich daarop beroept, gelet op zijn bedoeling of gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging, niet kan worden aangemerkt als "verdediging", maar juist als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.

Gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer of noodweerexces, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie, of wanneer hij willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt (HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3888, NJ 2006/123).

De rechtbank is - met de officier van justitie - van oordeel dat het beroep op noodweer moet worden verworpen. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen, waaronder de camerabeelden, vast dat verdachte en aangever, samen met anderen, voor café [naam] staan. Op enig moment lijken verdachte en aangever in een discussie terecht te komen. Omstreeks 04:49 uur is op de beelden te zien dat verdachte steeds dichterbij aangever gaat staan en dat aangever kort hierna de verdachte een duw tegen het hoofd geeft waardoor verdachte zich naar achteren beweegt. Te zien is dat verdachte weer terug komt en de discussie tussen verdachte en aangever weer verder gaat. Nog geen 6 seconden later geeft aangever opnieuw een duw tegen het hoofd van verdachte. Vervolgens gaat verdachte kort in gesprek met een onbekende man. Hierna is te zien dat verdachte ongeveer 15 seconden later aangever eenmaal met zijn rechterhand tegen het hoofd slaat, terwijl hij een voorwerp in zijn hand vasthoudt.

Uit de hiervoor beschreven gang van zaken concludeert de rechtbank dat verdachte meerdere keren opnieuw de confrontatie met aangever opzoekt, zelfs nadat hij tot tweemaal toe weggeduwd wordt, terwijl verdachte daartussen meerdere momenten heeft gehad om weg te gaan. Het handelen van verdachte getuigt niet van een wil tot verdediging, maar juist van het opzoeken van de confrontatie, en het inzetten van een aanval. Het gevecht wat hierop tussen verdachte en aangever volgt, is naar het oordeel van de rechtbank een gevolg op de eerder door verdachte al bij café [naam] ingezette aanval op de aangever en derhalve ook niet aan te merken als een noodweersituatie. Dit nog daargelaten dat het gebruik van een mes een disproportioneel middel was,

Het beroep op noodweer ten aanzien van feit 2 en feit 3 wordt daarom verworpen. De rechtbank vindt dat er geen sprake was van een noodweersituatie waarin verdachte de aangever op zijn hoofd mocht slaan of een mes mocht gebruiken waarmee hij aangever in zijn borst heeft gestoken.

Ook het bestaan van een andere rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8. Strafbaarheid van verdachte

Zoals onder 7.3. overwogen is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt. Er is door verdachte onvoldoende gesteld waaruit kan volgen dat er verdachte een hevige gemoedsbeweging onderging die zou kunnen maken dat de disproportionele verdediging – het gebruik van het mes – verontschuldigbaar zou zijn. Het beroep op noodweerexces wordt verworpen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9. Motivering van de straffen en maatregelen

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie eist een jeugddetentie voor de duur van één maand.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit om strafvermindering toe te passen wegens disproportioneel geweld tijdens de aanhouding naar aanleiding van feit 1, waardoor de aanhouding bovendien onrechtmatig was.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf laat de rechtbank zich leiden door de persoon van de verdachte zoals die naar voren komt in de nagenoemde rapportages en hetgeen de deskundige ter zitting heeft verklaard, alsmede de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich allereerst op 16 november 2024 schuldig gemaakt aan een diefstal van een portemonnee. Dit betreft een zeer hinderlijk feit, waarmee verdachte voor veel overlast zorgt. Met dit handelen heeft verdachte bovendien laten zien weinig respect te hebben voor het eigendom van anderen.

Verdachte heeft zich vervolgens één dag later, op 17 november 2024, schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en een mishandeling. Verdachte heeft aangever [benadeelde partij] met een voorwerp op zijn hoofd geslagen en met een mes in zijn bovenlichaam gestoken. De rechtbank vindt dat verdachte met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. [benadeelde partij] heeft als gevolg van het incident een hoofdwond, een steekverwonding en een klaplong opgelopen en moest twee dagen in het ziekenhuis verblijven. Dat de gevolgen voor aangever niet ernstiger zijn, is een omstandigheid die niet aan verdachte te danken is. Bovendien maken dergelijke strafbare feiten een grote inbreuk op de rechtsorde en brengen deze in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid teweeg, nu het geweld immers op een openbare en drukbezochte plek plaatsvond en daarbij een mes is gebruikt. Uitgaansgeweld als dit zorgt voor veel onrust. Het dragen van een mes is volstrekt ontoelaatbaar vanwege de grote risico’s.

Persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 december 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor misdrijven. Deze veroordelingen waren er nog niet toen verdachte onderhavige feiten pleegde, en zullen daarom niet in het nadeel van verdachte worden meegewogen.

De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de rapportages van de Raad die over verdachte zijn opgemaakt ten behoeve van de voorlopige hechtenis. De Raad heeft voor de zitting te kennen gegeven geen capaciteit te hebben om een adviesrapport uit te brengen ten behoeve van de inhoudelijke behandeling en heeft ter zitting geadviseerd.

De Raad heeft naar voren gebracht dat verdachte een jonge jongen is zonder een verblijfstatus, met zeer veel trauma’s en die kampt met een verslaving. De Raad adviseert een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. De Raad vindt het belangrijk dat, hoewel op dit moment onbekend is waar verdachte verblijft, de voorwaarden die aan verdachte zijn opgelegd in het kader van een eerdere strafzaak blijven voortduren. Hierdoor kan de hulpverlening immers direct starten op het moment dat verdachte op enig moment weer opduikt.

Straf

Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, oordeelt de rechtbank – gelijk aan de eis van de officier van justitie – dat een jeugddetentie voor de duur van één maand passend en geboden is. De tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht moet bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering worden gebracht.

De rechtbank legt daarmee een lagere straf op dan de straffen die volgens de richtlijnen voor dergelijke feiten gebruikelijk zijn. De rechtbank heeft bij het bepalen van deze straf, naast wat hiervoor is vermeld, rekening gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft in het kader van een ander feit al voor een lange periode in voorlopige hechtenis gezeten. Bovendien is aan verdachte in een andere strafzaak een voorwaardelijke straf opgelegd, met een groot aantal bijzondere voorwaarden. Voor verdachte geldt dus al een zeer strak kader, en zodra hij opduikt kan de hulpverlening in dat kader weer onmiddellijk worden ingezet. Ook heeft de rechtbank bij het bepalen van deze straf rekening gehouden met het feit dat verdachte door het voorval op 17 november 2024 zelf ook letsel heeft opgelopen.

De rechtbank zal, zoals door de raadsvrouw van verdachte is verzocht, geen strafvermindering toepassen in verband met het geweld bij de aanhouding van verdachte op 16 november 2024. De rechtbank oordeelt, zoals onder 3 vermeld, dat er tijdens deze aanhouding geen disproportioneel geweld is toegepast.

10. Beslag

Onder de verdachte is het volgende goed in beslag genomen:

1 STK Mes (Omschrijving: PL1300-2024275074-G6582793, 7 Industries)

Nu met behulp van dit voorwerp het bewezen geachte is begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, is de rechtbank van oordeel dat dit voorwerp – zoals door de officier van justitie gevorderd – moet worden onttrokken aan het verkeer.

11. De benadeelde partij

[benadeelde partij]

De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde partij] vordert € 3.346,-, bestaande uit € 846,- aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw van [benadeelde partij] heeft ter zitting zelf verzocht dat de benadeelde partij ten aanzien van een gedeelte van de vordering, te weten € 770,- aan materiële schade voor de (toekomstige) medische kosten, niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat de onderbouwing hiervan ontbreekt.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat zij met de raadsvrouw van de benadeelde partij van mening is dat voor het deel van € 770,- voor de materiële schade een niet-ontvankelijkverklaring moet volgen. De officier van justitie acht het overige bedrag voor toewijzing vatbaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de benadeelde partij in de vordering primair niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien in haar visie een vrijspraak moet volgen. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, dan verzoekt de raadsvrouw de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren omdat niet duidelijk is welke schade is ontstaan als gevolg van het onderhavige incident en wat aan verdachte kan worden toegerekend. De vorderingen van de benadeelde partij zijn volgens de raadsvrouw niet voldoende onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt. Verdachte heeft aangever [benadeelde partij] mishandeld door hem met een voorwerp op zijn hoofd te slaan. Verder heeft verdachte aangever [benadeelde partij] geprobeerd te doden door hem met een mes in zijn borst te steken. Vaststaat dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade.

De vordering is betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 1.500,- aan immateriële schade billijk en toewijsbaar. De door de raadsvrouw van de benadeelde partij aangehaalde jurisprudentie wijkt naar het oordeel van de rechtbank op relevante punten af van de omstandigheden in het onderhavige geval, waardoor daarbij geen aansluiting wordt gezocht.

Ook staat vast dat verdachte twee dagen in het ziekenhuis heeft moeten verblijven als gevolg van het door verdachte toegebrachte letsel. Daarom acht de rechtbank het bedrag voor de ziekenhuisdaggeldvergoeding van € 76,- toewijsbaar. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de (toekomstige) medische kosten niet-ontvankelijk verklaren, zoals [benadeelde partij] zelf heeft verzocht.

De rechtbank zal de vordering van [benadeelde partij] daarom tot een bedrag van € 1.576,- (zegge: vijftienhonderdzesenzeventig euro) toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 17 november 2024. De rechtbank verklaart benadeelde partij [benadeelde partij] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

In het belang van [benadeelde partij] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 45, 63, 77a, 77g, 77i, 77gg, 287, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

13. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Spreekt verdachte vrij van hetgeen onder feit 3 primair aan verdachte is gelegd.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1, feit 2 primair en feit 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde:

diefstal

ten aanzien van het onder feit 2 (primair) ten laste gelegde:

poging tot doodslag

ten aanzien van het onder feit 3 (subsidiair) ten laste gelegde:

mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van één maand.

Beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Onttrekt aan het verkeer:

- 1 STK Mes (Omschrijving: PL1300-2024275074-G6582793, 7 Industries).

Benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling van € 1.576,- (zegge: vijftienhonderdzesenzeventig euro) voor materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 17 november 2024, tot aan de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] .

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij] ter hoogte van € 1.576,- (zegge: vijftienhonderdzesenzeventig euro). Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade (maar geen toekomstige medische kosten) en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 17 november 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.

Betaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt de benadeelde partij [benadeelde partij] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.M. van Hassel, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. E. Diepraam en C.F. de Lemos Benvindo, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M. Elsman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. K.M. van Hassel

Griffier

  • mr. A.M. Elsman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?