ECLI:NL:RBAMS:2026:3155

ECLI:NL:RBAMS:2026:3155

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 20-02-2026
Datum publicatie 30-03-2026
Zaaknummer 13/062425-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van een poging overval van een huis, waarbij gebruik is gemaakt van een echt vuurwapen. Aan verdachte wordt opgelegd een jeugddetentie voor de duur van vier maanden, met aftrek, waarvan drie maanden voorwaardelijk. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Team Familie & Jeugd

Parketnummers: 13.062425.25

Datum uitspraak: 20 februari 2026

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008,

wonende op [adres 1] .

1. Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 6 februari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W. van Veen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. S.J. van der Woude naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [medewerker Raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [medewerker JBRA] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA), [medewerker Levvel] namens Levvel naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

primair als:

medeplegen poging tot diefstal met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van telefoon(s) toebehorende aan [slachtoffer 2] in/uit een woning aan de [adres 2] op 26 februari 2025;

subsidiair als:

medeplegen poging tot afpersing;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

het voorhanden hebben van een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een (omgebouwd) semi automatisch pistool van het merk Glock, type model 17, kaliber 9mm op 26 februari 2025.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd. De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen. Verdachte heeft het feit bekend en zijn verklaring vindt steun in de overige bewijsmiddelen.

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd. De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen. Verdachte heeft het feit bekend en zijn verklaring vindt steun in de overige bewijsmiddelen.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in vervatte bewijsmiddelen bewezen dat

ten aanzien van het onder 1 (primair) ten laste gelegde:

hij op 26 februari 2025 te Oostzaan, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om, uit een woning gelegen aan de

[adres 2] , telefoons, die aan [slachtoffer 2] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke poging tot diefstal werd

voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- met een scooter naar voornoemde woning te gaan en

- een balaclava te dragen en een vuurwapen en een boksbeugel bij zich te hebben tijdens het betreden van voornoemde woning en

- in voornoemde woning een vuurwapen op dreigende wijze aan/op die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te tonen en/of richten en daarbij de woorden toe te voegen: "Dit is een kanker overval, ga zitten" en “Waar zijn alle telefoons” en "Blijf zitten, anders krijg je hem gelijk door je kop" en "Blijf rustig anders wordt er op je geschoten", en

- aan die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] de woorden toe te voegen: "Ik heb een mes bij me" en "Wij komen later terug als jullie ons niet laten gaan" en "Ik weet waar je woont" en "Ik ga je kapot maken" en "Ik schiet je kapot broer, ik ga terugkomen", en

- meermalen die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in het gezicht en/of op het hoofd, althans op het lichaam te slaan en

- een of meermalen die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] op het lichaam te schoppen

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

hij op 26 februari 2025 te Oostzaan tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (omgebouwd) semi automatisch pistool van het merk Glock, type model 17, kaliber 9mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7. Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9. Motivering van de straffen en maatregelen

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van vier maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft gezeten. De officier van justitie verzoekt de rechtbank daarbij de bijzondere voorwaarden op te leggen die door de Raad en JBRA zijn geadviseerd. Verder eist de officier van justitie om een werkstraf op te leggen voor de duur van 80 uren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd tegen de eis van de officier van justitie.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf en het bepalen van de maatregel laat de rechtbank zich leiden door de persoon van de verdachte, zoals die onder meer naar voren komt in nagenoemde rapportages en hetgeen de deskundigen ter zitting hebben verklaard, alsmede de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met geweld en bedreiging met geweld. Terwijl de zoon van de familie [slachtoffer 1] in de veronderstelling was dat hij via Marktplaats een telefoon zou gaan verkopen, werd hij overvallen. De verdachten hebben onder bedreiging van een echt vuurwapen geprobeerd om telefoon(s) afhandig te maken. Ook droegen de verdachten tijdens de overval een boksbeugel op zak. Dat de diefstal van de telefoons niet voltooid is, is te danken aan het kordate optreden van de vader en zijn zoon. Zij hebben de verdachten uiteindelijk, nadat er over en weer geweld is gebruikt, weten te overmeesteren. Dergelijke feiten zorgen voor angst en onveiligheid, in de eerste plaats natuurlijk voor de slachtoffers, maar ook voor de samenleving als geheel. De feiten hebben bij de slachtoffers thuis plaatsgevonden. Het gevoel van veiligheid dat iedereen in en rond zijn eigen huis moet hebben, is hierdoor ernstig geschaad. Verdachte heeft kennelijk enkel en alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin en zich totaal niet bekommerd om de gevolgen voor de slachtoffers. Dat de slachtoffers nog steeds niet weten van wie de opdracht of het idee voor de overval afkomstig is, is extra beangstigend.

Persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 6 januari 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder veroordeeld is.

De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van de rapportage van de JBRA van 22 januari 2026 ten behoeve van de inhoudelijke behandeling. De Raad heeft voor de zitting te kennen gegeven geen capaciteit te hebben om een adviesrapport uit te brengen en heeft ter zitting geadviseerd.

De JBRA adviseert de rechtbank om een deels voorwaardelijke taakstraf te leggen, met een proeftijd van één jaar. De JBRA heeft daarbij naar voren gebracht dat verdachte het afgelopen jaar goed heeft meegewerkt aan de opgelegde schorsingsvoorwaarden. Hij heeft spijt van wat er gebeurd is en wil niet meer in aanraking komen met politie en justitie. De JBRA ziet veel beschermende factoren bij verdachte en schat het recidiverisico laag in. Tegelijkertijd denkt JBRA dat verdachte nog wel ondersteuning nodig heeft bij het plannen en organiseren van school, het bieden van weerstand als aan hem iets strafbaars wordt gevraagd en de onderlinge dynamiek binnen het gezin, waardoor de JBRA een extra jaar toezicht en begeleiding wenselijk acht.

De Raad adviseert de rechtbank om, gelet op de ernst van de feiten, een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met aftrek van de voorlopige hechtenis. De Raad heeft naar voren gebracht dat het niet wenselijk is dat verdachte op dit moment opnieuw vast komt te zitten. De Raad sluit zich aan bij de door de JBRA geadviseerde bijzondere voorwaarden, maar acht daarbij een proeftijd van twee jaar in plaats van één jaar van belang. Ook adviseert de Raad om daarnaast aan verdachte nog een werkstraf op te leggen.

Straf

Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, oordeelt de rechtbank conform de eis van de officier van justitie dat een jeugddetentie voor de duur van 4 (vier) maanden passend en geboden is. De tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht moeten bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering worden gebracht. Dit betekent dat verdachte, zolang hij zich aan de voorwaarden houdt, niet opnieuw in detentie komt. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank een proeftijd van twee jaar verbinden en daarbij, naast de algemene voorwaarde, de bijzondere voorwaarden opleggen die door de JBRA zijn geadviseerd. De rechtbank vindt het daarnaast belangrijk dat verdachte op dit moment nog wel de consequenties van zijn handelen ervaart en zal daarom nog een werkstraf opleggen van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie voor het geval de werkstraf niet naar behoren wordt verricht.

10. De benadeelde partij

[slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 1.006,71 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering bestaat uit een vergoeding voor de lamellen, een bril en een eigen risico naar aanleiding van het geleden letsel.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vordering voor toewijzing in aanmerking komt, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Volgens de officier van justitie moet wel rekening gehouden worden met de afschrijfkosten.

De raadsman heeft de vordering voor de lamellen en het eigen risico niet betwist. De raadsman stelt zich op het standpunt dat op de bon, die als bijlage bij de vordering is gevoegd als onderbouwing voor de schade aan de bril, in totaal drie brillen staan. Aangezien slechts één bril kapot is gegaan, dient één derde van het gevorderde bedrag te worden toegewezen. Tot slot heeft de raadsman verzocht om te kijken of het mogelijk is om het toe te wijzen gedeelte niet hoofdelijk op te leggen, maar te delen door twee zodat iedere verdachte zijn eigen gedeelte zal moeten betalen.

De rechtbank wijst het een bedrag van € 604,71 (zegge: zeshonderdvier euro en eenenzeventig cent) toe, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan, te weten op 26 februari 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening.

De materiële schade aan de lamellen (€ 439,90) en het eigen risico (€ 14,81) is voldoende onderbouwd en niet betwist. De rechtbank zal, mede rekening houdend met het feit dat op de door de benadeelde partij overgelegde bon meerdere brillen staan en de afschrijvingskosten, gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en is van oordeel dat een bedrag van € 150,- kan worden toegewezen als vergoeding voor de bril.

De rechtbank ziet geen aanleiding het voorstel van de raadsman te volgen om van het wettelijke uitgangspunt af te wijken en zal de vordering hoofdelijk toewijzen.

In het belang van [slachtoffer 1] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd ter hoogte van € 604,71 (zegge: zeshonderdvier euro en eenenzeventig cent) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is geleden, te weten 26 februari 2025, welk bedrag bestaat uit materiële schade. Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.

De rechtbank verklaart het overige deel van de vordering tot vergoeding van de materiële schade niet-ontvankelijk.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 310, 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

12. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 (primair) en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 (primair) bewezen verklaarde:

poging tot diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze jeugddetentie niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van de voorwaarden.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- naar school en/of stage gaat volgens rooster;

- meewerkt aan het behouden van een positieve vrijetijdsbesteding;

- meewerkt aan alle hulpverlening die JBRA noodzakelijk acht, waaronder (na)hulp van IFA, eventueel systemische hulp en eventueel hulp bij ADHD;

Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in 77a, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte daarnaast tot een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren.

Beveelt dat, als verdachte de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van € 604,71 (zegge: zeshonderdvier euro en eenenzeventig cent) voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 26 februari 2025, tot aan de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [slachtoffer 1] ter hoogte van € 604,71 (zegge: zeshonderdvier euro en eenenzeventig cent). Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan, te weten op 26 februari 2025, tot aan de dag van algehele voldoening, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.P.E. Has, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. E.M. Devis en A.G.P. van der Baan, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M. Elsman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 februari 2026.

[…]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H.P.E. Has

Griffier

  • mr. A.M. Elsman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?