ECLI:NL:RBAMS:2026:3157

ECLI:NL:RBAMS:2026:3157

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 24-03-2026
Datum publicatie 30-03-2026
Zaaknummer 13-248279-25
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Tussenuitspraak
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Tussenuitspraak inzake vervolgings- en executie-EAB uit Griekenland. Rechterlijke autoriteit. Voornemen om prejudiciële vragen te stellen ten aanzien van de effectieve rechterlijke bescherming omdat onvoldoende duidelijk is of het Griekse rechtsstelsel die bescherming biedt bij de uitvaardiging van een vervolgings-EAB. Uit de antwoorden die de rb van de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft verkregen, komt naar voren dat in het Griekse rechtstelsel geen rechterlijke toets plaatsvindt van de proportionaliteit en/of evenredigheid van de beslissing tot het uitvaardigen van een EAB. In ieder geval blijkt niet dat een dergelijke toets heeft plaatsgevonden. De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen om partijen zich te laten uitlaten over de te stellen prejudiciële vragen. De rb heeft over deze kwestie reeds in een eerdere zaak prejudiciële vragen heeft gesteld aan het HvJ EU. De rb zal in deze zaak eveneens prejudiciële vragen stellen omdat in deze zaak de mogelijkheid bestaat om het HvJ EU te verzoeken de prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de spoedprocedure (omdat de OP gedetineerd is). Voornemen om ten aanzien van artikel 12 OLW partieel te weigeren. Beslissing ten aanzien van de Griekse detentieomstandigheden aangehouden tot het moment dat meer duidelijkheid bestaat over een daadwerkelijke overlevering.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-248279-25

Datum uitspraak: 24 maart 2026

TUSSEN-

UITSPRAAK

op de vordering van 30 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 29 april 2025 door the Prosecutor's Office of the Appeal Court of

Thessaloniki, Griekenland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1960 te [geboorteplaats] (Griekenland)

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres]

nu gedetineerd in [detentie-instelling] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

Zitting van 24 december 2025

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 24 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.J. Korver, die waarneemt voor zijn kantoorgenoot, mr. M.L. van Gessel, beide advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Griekse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank ter zitting de gevangenhouding bevolen.

Tussenuitspraak van 14 januari 2026

Bij tussenuitspraak van 14 januari 2026 is het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aanvullende vragen te stellen over – kortgezegd – de geldigheid van het nationaal aanhoudingsbevel gelet op de (in het EAB onder rubriek f genoemde) verjaringstermijn, het strafrestant, de mogelijkheid van toetsing van de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB door een rechter voorafgaand aan de feitelijke overlevering ten aanzien van het vervolgingsdeel, de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon, zoals bedoeld in artikel 12 OLW, en de Griekse detentieomstandigheden.

Zitting van 10 maart 2026

De behandeling van het EAB is met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling hervat op de zitting van 10 maart 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, N. Stegerhoek, die waarneemt voor mr. M.L. van Gessel, beiden advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Griekse taal.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Griekse nationaliteit heeft.

3. Tussenuitspraak van 14 januari 2026

De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van 14 januari 2026 reeds is geoordeeld over de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zoals bedoeld in artikel 12 OLW ten aanzien van vonnis 1880/21.09.2018 (onder 5.3), de (dubbele) strafbaarheid van de feiten (onder 6) en het gelijkstellingsverweer (onder 7). Hetgeen de rechtbank heeft overwogen moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4. Grondslag en inhoud van het EAB

De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 3 van de tussenuitspraak van 14 januari 2026. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

Vervolging

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de aanvullende informatie van 21 januari 2026 kan worden vastgesteld dat de mogelijkheid om de opgeëiste persoon voor feit 2 te vervolgen niet is verjaard. De verjaring, die per 1 december 2025 zou intreden, is namelijk naar Grieks recht gestuit nadat de opgeëiste persoon op 27 oktober 2025 in Nederland is aangehouden ten gevolge van het uitvaardigen van het EAB.

Executie

Op 21 januari 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op de in de tussenuitspraak geformuleerde vraag, voor zover relevant, het volgende antwoord gegeven:

“The prosecution instrument, based on which the European Arrest Warrant was issued, is the decision no. 1194/2015 of the 2nd (B') One-Member Misdemeanours Court of Katerini, ordering the requested person to serve his four (4) month sentence in prison.”

Op de aanvullende vragen van het International Rechtshulpcentrum (IRC) – om toelichting te geven over de omzetting naar een financiële straf en hoe deze financiële straf zich verhoudt tot onderdeel B en C van het EAB waarin een gevangenisstraf van vier maanden wordt vermeld – is op 16 februari 2026, voor zover relevant, als volgt geantwoord:

“1. Under decision no. 2433/2016 of the One-Member Misdemeanours Court of Katerini, the suspension of the enforcement of the sentence that had been granted by virtue of decision no. 1194/2014 of the One-Member Misdemeanours Court of Katerini was revoked, and the sentence of four (4) months in prison was converted into a pecuniary penalty, e.g. five (5) euros per day was determined for each day in prison.

2. The conversion of the above prison sentence into pecuniary penalty provides the requested person with the alternative option of serving this sentence in a Correctional Facility or of redeeming it by paying the corresponding amount of money to be determined upon settlement of the sentence (including legal surcharges and court costs). The requested person has not redeemed his sentence so far, therefore the prison sentence is still enforceable.”

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat onduidelijk blijft of er nu een straf van vier maanden is die nog moet worden uitgezeten, dan wel of die kan worden afgekocht, óf dat de straf is omgezet in een geldboete en dat daarmee de zaak is afgedaan. De overlevering moet daarom op dit punt worden geweigerd.

Het oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op grond van voornoemde aanvullende informatie kan worden vastgesteld dat de gevangenisstraf van vier maanden nog uitvoerbaar is, zolang de geldboete niet is voldaan. De rechtbank stelt daarom vast dat het EAB, voor wat betreft het vonnis met nummer 1194/2015, strekt tot de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier maanden.

5. Rechterlijke autoriteit

De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak van 14 januari 2026. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft, in antwoord op de vragen zoals die in de tussenuitspraak zijn geformuleerd, bij brief van 21 januari 2026 het volgende geschreven:

“The legal agent authorised to issue a European Arrest Warrant is the Public Prosecutor of the Appeal Court, who rules whether the conditions for the issuance thereof are met, having regard to the principle of proportionality.

The Greek judge (examining officer) assesses whether the conditions for the issuance of the national instrument (arrest warrant) are met having regard to the principle of proportionality.

The principle of proportionality is a generally accepted and constitutionally consolidated principle, which applies to all stages of criminal proceedings and was taken into consideration in this specific case, both, at the time of issue of the arrest warrant of the Examining Officer and for the issuance of the European Arrest Warrant.”

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit onvoldoende duidelijk en vrij algemeen is. Niet blijkt dat een rechterlijke autoriteit de onderdelen van het EAB heeft gecontroleerd en de proportionaliteit heeft beoordeeld. Hij verzoekt daarom de behandeling van de zaak aan te houden, in afwachting van de antwoorden op de prejudiciële vragen zoals die eerder in een andere Griekse zaak door de rechtbank zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank primair verzocht om, indien zij daartoe aanleiding ziet, de overlevering te weigeren ten aanzien van het vervolgingsdeel van het EAB. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om de beantwoording van voornoemde prejudiciële vragen af te wachten.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het onderzoek heropenen in verband met het voornemen om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank is, gelet op uitspraken van het HvJ EU inzake PI en MM en hetgeen besproken is op de zitting van 24 december 2025 en 10 maart 2026, voornemens om prejudiciële vragen te stellen ten aanzien van de effectieve rechterlijke bescherming in een situatie zoals hier aan de orde. Op dit moment is onvoldoende duidelijk of het Griekse rechtsstelsel die bescherming biedt bij de uitvaardiging van een EAB dat dient ter vervolging. Anders dan in eerdere uitspraken is geoordeeld is de rechtbank niet langer van oordeel dat de situatie zonder meer voldoet aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming bij een a posteriori toets, zoals dit is genoemd in het arrest MM. In het arrest PI maakt het Hof duidelijk dat uit het arrest MMdus niet [mag] worden afgeleid dat het Hof zou hebben beslist dat indien een mogelijkheid van een dergelijke rechterlijke toetsing a posteriori bestaat, wordt voldaan aan de vereisten die inherent zijn aan een effectieve rechterlijke bescherming van de rechten van de gezochte persoon.” Uit de antwoorden die de rechtbank in dit geval van de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft verkregen, komt naar voren dat in het Griekse rechtstelsel zoals dat thans geldt, geen rechterlijke toets plaatsvindt van de proportionaliteit en/of evenredigheid van de beslissing tot het uitvaardigen van een EAB. In ieder geval blijkt niet dat een dergelijke toets heeft plaatsgevonden. De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen om partijen zich te laten uitlaten over de te stellen prejudiciële vragen.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zij over deze kwestie reeds in een eerdere zaak prejudiciële vragen heeft gesteld aan het HvJ EU. De rechtbank zal onderhavige zaak niet aanhouden in afwachting van de antwoorden op die vragen, maar is voornemens om in deze zaak eveneens prejudiciële vragen te stellen. De reden hiervoor is dat de rechtbank in deze zaak mogelijkheden ziet om het HvJ EU te verzoeken de prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de spoedprocedure zoals bedoeld in artikel 267, vierde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering.

De rechtbank zal partijen uiterlijk op 01 april 2026 per e-mail concept-prejudiciële vragen toesturen. Partijen (openbaar ministerie en de raadsman van de opgeëiste persoon) krijgen dan tot 15 april 2026 de tijd om schriftelijk hun reactie hierop te geven. De rechtbank zal vervolgens het onderzoek ter zitting van 29 april 2026 sluiten en de verwijzingsuitspraak wijzen.

De rechtbank verzoekt partijen bij hun schriftelijke reactie te laten weten of zij kunnen instemmen dat de rechtbank op 29 april 2026 het onderzoek enkelvoudig en zonder nadere behandeling ter zitting zal sluiten om direct een verwijzingsuitspraak te wijzen.

Indien partijen evenwel een behandeling ter zitting wensen verzoekt de rechtbank aan partijen, voor een goede en efficiënte discussie ter zitting, om uiterlijk één week voor de zitting alvast een schriftelijk standpunt aan de rechtbank kenbaar te maken.

De rechtbank verlengt de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22 eerste lid OLW uitspraak moet op grond van artikel 22, vierde lid, onder a, OLW met 60 dagen onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Dit is mogelijk nu de rechtbank voornemens is prejudiciële vragen te stellen.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 5 van de tussenuitspraak van 14 januari 2026. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

Het standpunt van de raadsman

Ten aanzien van de beslissing van 1819/09.11.2015 of the Three-Member Appeal Court of Felonies of Thessaloniki heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd. Uit de aanvullende informatie van 21 januari 2026 volgt namelijk dat de zaak ten gronde is afgedaan met de beslissing van the Five-Member Appeal Court of Felonies of Thessaloniki van 27 september 2021. Ondanks verzoeken daartoe, weigert de uitvaardigende justitiële autoriteit onderdeel D van het EAB in te vullen voor deze procedure in hoger beroep. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of de opgeëiste persoon van zijn verdedigingsrechten gebruik heeft kunnen maken.

In navolging van het voorgaande moet de overlevering ook ten aanzien van beslissing 1747/2017 worden geweigerd, nu de tenuitvoerlegging is bevolen van de daarbij eerder voorwaardelijk opgelegde straf wegens de veroordeling in voornoemde zaak met nummer 1819/2015.

Datzelfde geldt voor beslissing 1194/2015 nu de tenuitvoerlegging is bevolen van de daarbij aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde straf wegens de veroordelingen in het vonnis met nummer 1183 van 28 maart 2014 van the First One-Member Misdemeanors Court of Katerini en het vonnis met nummer 8400 DS 332 JS 36805/1996 van 21 augustus 1996 van een Duitse rechtbank. Aangezien de uitvaardigende justitiële autoriteit weigert onderdeel D van het EAB in te vullen voor deze beslissingen, kan niet worden vastgesteld of de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen, zodat de overlevering ook voor deze beslissing moet worden geweigerd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de beslissing van 1819/09.11.2015 of the Three-Member Appeal Court of Felonies of Thessaloniki gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Datzelfde geldt ten aanzien van beslissing 1747/2017, nu de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf is bevolen wegens de veroordeling in voornoemde zaak met nummer 1819/2015.

Voor beslissing 1194/2015 moet de overlevering worden geweigerd, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit, na meerdere verzoeken daartoe, weigert om informatie te verstrekken over de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon ten aanzien van de triggerende veroordelingen die tot de tenuitvoerlegging van de aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde straf hebben geleid.

Het oordeel van de rechtbank

Beslissing 1819/2015

Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.

De aanvullende informatie van 21 januari 2026 vermeldt, voor zover relevant, het volgende:

“…the aforesaid person appealed against that decision, but did not appear in person at the Appeal Court nor was he represented by a counsel, and his appeal was rejected as ungrounded (markering rechtbank) under the decision no. 397/2021 of the Five-Member Appeal Court of Thessaloniki.”

In de aanvullende informatie van 16 februari 2026 staat verder nog opgenomen:

“…he did not appear in person nor was he represented by an attorney, and it is for this reason the above second instance Court (Five-Member Appeal Court of Thessaloniki), by virtue of its decision no. 397/2021, rejected the appeal as undefended (markering rechtbank), without further reference to the merits of the case.”

De rechtbank overweegt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de situatie waarin sprake is van niet-ontvankelijkheid (bijvoorbeeld wegens het niet tijdig instellen van hoger beroep, zodat geen inhoudelijk oordeel is gegeven over de schuld en straf) en de situatie waarin sprake is van een ongegrondverklaring. Blijkens voornoemde aanvullende informatie is het hoger beroep ongegrond verklaard, zodat het hof daarmee impliciet de schuld van de opgeëiste persoon heeft bevestigd, zonder nader onderzoek te doen. De rechtbank zal daarom de procedure in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW, nu tegen de beslissing no. 397/2021 of the Five-Member Appeal Court of Thessaloniki geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.

Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.

In het kader van de beoordeling van de vraag of de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt, is het van belang of de opgeëiste persoon uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen op het proces, op voorwaarde dat dit ondubbelzinnig vaststaat. Ook de handelswijze van de opgeëiste persoon kan door de rechtbank in aanmerking worden genomen. De vaststelling of overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt, vindt plaats aan de hand van de rechtspraak van het HvJ EU en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Ondanks meerdere verzoeken daartoe is onderdeel D van het EAB niet ingevuld voor de procedure in hoger beroep en ook is niet op een andere manier informatie verstrekt over de procedure in hoger beroep. Als gevolg hiervan kan de rechtbank niet vaststellen of de opgeëiste persoon in persoon is opgeroepen voor de procedure in hoger beroep, dan wel dat hij op de hoogte kon, of had moeten zijn, van de procedure doordat hij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven, waarbij hij eveneens is gewezen op de gevolgen van het nalaten daarvan. Oftewel, door een gebrek aan informatie over de procedure in hoger beroep kan de rechtbank niet vaststellen dat de opgeëiste persoon op ondubbelzinnige wijze uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon aanwezig te zijn, dan wel om zijn verdedigingsrechten uit te oefenen.

De rechtbank zal daarom de overlevering ten aanzien van beslissing 1819/2015 weigeren op grond van artikel 12 OLW.

Beslissing 1747/2017

Zoals de rechtbank in haar tussenuitspraak van 14 januari 2026 heeft overwogen moet de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit (in dit geval voornoemde beslissing 1819/2015) die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf (in dit geval beslissing 1747/2017) ook worden onderworpen aan de toets van artikel 12 OLW. Zoals de rechtbank hiervoor onder 6.1 heeft overwogen, kan ten aanzien van beslissing 1819/2015 niet worden vastgesteld dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zal opleveren.

De rechtbank zal daarom ook de overlevering ten aanzien van beslissing 1747/2017 weigeren op grond van artikel 12 OLW.

Beslissing 1194/2015

Met de raadsman en officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van beslissing 1194/2015 de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. Ondanks meerdere verzoeken daartoe weigert de uitvaardigende justitiële autoriteit om aanvullende informatie te verstrekken over de twee processen waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld voor strafbare feiten waardoor de tenuitvoerlegging van dit vonnis is bevolen. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of de overlevering niet een schending inhoudt van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon.

7. Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden

De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 8 van de tussenuitspraak van 14 januari 2026. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

Op 21 januari 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op de in de tussenuitspraak geformuleerde vragen, voor zover relevant, het volgende antwoord gegeven:

“The Prison of the city of Drama, where the requested person shall be detained if surrendered to the Greek authorities, has nothing to do with the Pre-Removal Detention Centre of the city of Drama, which is located in Paranesti and is not a Prison. Therefore, there is no case of the requested person to be detained in the Pre-Removal Detention Center.”

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 11 OLW geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het is onvoldoende duidelijk waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd en of die instelling voldoet aan artikel 4 van het Handvest. Te meer gelet op de medische situatie van de opgeëiste persoon die op leeftijd en slecht ter been is en daarmee kwetsbaar. Ter onderbouwing heeft de raadsman gewezen op het rapport van 4 maart 2026 van de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT), de punten 102-132 in het bijzonder. Daarin wordt namelijk aandacht gevraagd voor het ontbreken van adequate medische hulp in vrijwel alle gevangenissen die zijn bezocht door het CPT. Subsidiair moet de behandeling van de zaak worden aangehouden om nadere informatie te vragen over de gevangenis waar de opgeëiste persoon terecht zal komen en de bevindingen uit het CPT rapport.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Ten aanzien van de gevangenis in Drama kan op dit moment niet de conclusie worden getrokken dat overgeleverde personen in het algemeen een reëel gevaar van een onmenselijke of een vernederende behandeling lopen. Het CPT rapport waar de raadsman naar verwijst ziet niet op de gevangenis in Drama, waardoor niet met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens is onderbouwd dat gedetineerden in die detentie-instelling in het algemeen een reëel gevaar van een onmenselijke of een vernederende behandeling lopen. Nu geen sprake is van een algemeen gevaar, wordt niet toegekomen aan de vraag of voor deze opgeëiste persoon na zijn overlevering een individueel gevaar van onmenselijke behandeling in detentie bestaat.

Het oordeel van de rechtbank

Zoals de rechtbank hiervoor onder 5 heeft overwogen, zal de behandeling van de zaak worden aangehouden in verband met het voornemen om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. Aangezien de beantwoording van dergelijke vragen naar verwachting enige tijd in beslag zal nemen, gedurende welke tijd de detentieomstandigheden in Griekenland kunnen veranderen, zal de rechtbank de beslissing over de detentieomstandigheden eveneens aanhouden, tot het moment waarop meer duidelijkheid bestaat over een daadwerkelijke overlevering van de opgeëiste persoon.

10. Beslissing

De rechtbank

HEROPENT en SCHORST het onderzoek tot 29 april 2026 om 15:30 uur, om partijen in de gelegenheid te stellen hetzij zich schriftelijk uit te laten over het voornemen van de rechtbank om prejudiciële vragen te stellen over het onder 5 genoemde onderwerp, hetzij mondeling op een nog vast te stellen zitting in afstemming met partijen indien een behandeling ter zitting gewenst is.

VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid, sub a, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met zestig dagen, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen;

VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met zestig dagen;

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen voornoemde datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman, en van een tolk in de Griekse taal.

BEPAALT dat ná de verwijzingsuitspraak voor de behandeling van deze zaak op de zitting waar de beantwoording van de prejudiciële vragen en – voor zover op dat moment nog relevant – de detentieomstandigheden worden besproken, 60 minuten dienen te worden gereserveerd.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. M. Westerman, voorzitter,

mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland en E. Mulder, griffiers,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 maart 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Westerman

Griffier

  • mr. E.A. Harland en E. Mulder

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?