ECLI:NL:RBAMS:2026:3158

ECLI:NL:RBAMS:2026:3158

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 27-02-2026
Datum publicatie 30-03-2026
Zaaknummer 13/062436-25, 13.231927.25, 13/119481-25 en 13/220498-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Verdachte wordt veroordeeld voor openlijke geweldpleging en het medeplegen van een poging overval van een huis, waarbij gebruik is gemaakt van een echt vuurwapen. Verder wordt verdachte veroordeeld voor het voorhanden hebben van een nep vuurwapen en tot slot voor het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid verdovende middelen en het treffen van voorbereidingshandelingen van een feit als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet. Aan verdachte wordt opgelegd een jeugddetentie voor de duur van 200 dagen, met aftrek, waarvan 130 dagen voorwaardelijk en een werkstraf voor 150 uren. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen. De inbeslaggenomen goederen worden verbeurdverklaard of onttrokken aan het verkeer.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Team Familie & Jeugd

Parketnummers: 13.062436.25 (zaak A), 13.231927.25 (zaak B), 13.119481.25 (zaak C) en 13.220498.25 (zaak D)

Datum uitspraak: 27 februari 2026

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] ,

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres 1] .

1. Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 13 februari 2026.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, ter zitting gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B, zaak C en zaak D aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. Grünfeld en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.D. Rijnsburger naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [persoon 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [persoon 2] , namens de Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA), [persoon 3] als coach van [bedrijf] en de moeder naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

Zaak A

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

primair als:

medeplegen poging tot diefstal met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van telefoon(s) toebehorende aan [slachtoffer 2] in/uit een woning aan de [adres 2] perceelnummer [nummer] te Oostzaan op 26 februari 2025;

subsidiair als:

medeplegen poging tot afpersing;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

het voorhanden hebben van een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (omgebouwd) semi automatisch pistool van het merk Glock, type model 17, kaliber 9mm op 26 februari 2025;

Zaak B

het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] op 1 november 2024 te Amsterdam;

Zaak C

het voorhanden hebben van een plastic speelgoed pistool, te weten een wapen van de categorie IV onder 7 van de Wet wapens en munitie op 17 april 2025 te Amsterdam;

Zaak D

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, in elk geval opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne, metamfetamine, 2C-B en/of MDMA op of omstreeks 1 augustus 2025 te Amsterdam;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

voorbereidingshandelingen van een feit als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet op of omstreeks 1 augustus 2025 te Amsterdam.

De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en gelden als hier ingevoegd.

3. Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

Zaak A

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen opmerkingen gemaakt over het bewijs.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte heeft het feit bekend en zijn verklaring vindt steun in de overige bewijsmiddelen in het dossier.

Zaak B

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat bewezen kan worden dat verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het openlijk in vereniging gepleegde geweld. Daarbij heeft de officier van justitie gewezen op de camerabeelden en de verklaringen van de slachtoffers.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde omdat zijn bijdrage niet van voldoende gewicht is om van medeplegen aan het geweld te kunnen spreken.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel – met de officier van justitie – dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Niet ter discussie staat dat er op 1 november 2024 te Amsterdam, aan de [straatnaam] ter hoogte van de Albert Heijn, openlijk in vereniging geweld is gepleegd. Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat de bijdrage van verdachte aan dat geweld van voldoende gewicht was om hem mede verantwoordelijk te houden voor de openlijke geweldpleging.

De rechtbank stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

Aangever [slachtoffer 3] heeft verklaard over een groep jongens van 8 tot 10 personen door wie hij en zijn vriend [slachtoffer 4] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 4] ) werden benaderd. De groep stelde zich daarbij intimiderend op. Aan aangever is door die groep gevraagd waarom hij hun kant op keek, waarbij de groep voor aangever kwam staan en een van de jongens uit de groep zei "mooi jassie heb je" en daarbij of vervolgens ook de jas van aangever heeft vastgepakt. Degene die de jas van aangever heeft vastgepakt vraagt dan aan een van zijn vrienden: "He, dit is toch jouw maat". Aangever heeft de jongen die zijn jas vast had hierop van zich afgeduwd. Aangever kreeg vervolgens te horen dat hij niet aan de jongen mag zitten en wordt wederom bij zijn jas gepakt waarop aangever een duw geeft. Een andere jongen uit de groep sprong naar aangever toe en trapte tegen het frame van de fiets van aangever. Ook probeerde deze jongen aangever te slaan. Aangever hield deze jongen hierop vast, waarop deze jongen vervolgens in paniek om hulp riep naar de groep. Vanuit het niets voelde aangever daarop een harde klap op zijn linkeroor, een harde klap op zijn achterhoofd en boven op zijn schedel. Aangever hield een van de jongens uit de groep vast, liep met hem weg van de groep en duwde hem tegen een muur. Aangever voelde vervolgens dat iemand met veel kracht tegen zijn rug sprong. Aangever kwam hierdoor ten val. Aangever voelde vervolgens harde trappen tegen zijn schouder en hoofd. Aangever stond op en pakt degene die hem trapte vast. Aangever voelde dat meerdere mensen aan zijn haar hebben getrokken. Dit duurde ongeveer 10 seconden, daarna lieten ze los en zag aangever dat de groep afstand van hem nam.

Aangever zag dat de groep zich vervolgens richtte op zijn vriend [slachtoffer 4] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 4] ) en dat [slachtoffer 4] werd geslagen en geschopt door de groep. Aangever liep weer richting de groep. Iemand uit de groep richtte zich op aangever en begon hem te duwen. Aangever hoorde iemand uit de groep zeggen die voor [slachtoffer 4] stond: "Pak een mes! Pak een mes!".

De verklaring van aangever wordt ondersteund door getuige [getuige] , die verklaart dat hij op het fietspad reed toen hij zag dat een groep van ongeveer 8 tot 10 man zijn vrienden (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] ) in elkaar aan het slaan was. [getuige] hoort ook iemand roepen: “Pak je mes! Pak je mes!”.

Aan de politie ter plaatse vertelt [slachtoffer 4] dat zij net zijn aangevallen door een groep jongens en dat een van de jongens zei: “Wat kijk jij” en dat daarop zijn vriend [slachtoffer 3] (de rechtbank begrijpt aangever [slachtoffer 4] ) van zijn fiets werd getrokken. [slachtoffer 4] gaf hierop een duw en daarop zijn zij aangevallen. Hij hoorde een van de jongens zeggen “Pak je mes”. Het was een groep van ongeveer 15 jongens.

Ook zijn er camerabeelden die zicht geven op een deel van het geweld. Hierop is te zien dat aangever wordt belaagd door een aantal jongens, dat hij geduwd wordt, een klap krijgt en een trap. Aangever valt op de grond. Verdachte is ook te zien op deze beelden en wordt door verbalisanten herkend. Te zien is dat verdachte meeloopt, waarbij een aantal maal in versnelde pas, met de groep die geweld gebruikt tegen aangever [slachtoffer 4] en [slachtoffer 4] . Te zien is dat, terwijl aangever op de grond ligt, verdachte snel over een aanwezige plantenbak klimt om dichterbij te komen. Terwijl verdachte op de plantenbak staat, houdt een van de andere verdachten, verdachte bij zijn arm vast, helt wat achterover en geeft vervolgens een trap aan [slachtoffer 4] . Terwijl aangever [slachtoffer 4] wordt vastgehouden bij zijn jas ter hoogte van zijn nek en [slachtoffer 4] klappen krijgt, loopt verdachte naar aangever en gaat dan nagenoeg tegen aangever aan staan. Aangever, die op dat moment in een worsteling is met een van de medeverdachten, raakt verdachte dan met zijn arm die hij uithaalt; ogenschijnlijk in een poging om zichzelf te verdedigen. Het fysieke geweld, zoals dat door de camera is vastgelegd, lijkt hierna te stoppen. Aangever en [slachtoffer 4] worden nog even omsingeld door een aantal jongens, waaronder door verdachte.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de verdachten als groep zijn opgetrokken. Vanuit die groep ging een zeker gewicht uit: ze stelden zich intimiderend op en omdat zij als groep bewogen, konden ze die intimidatie ook kracht bij zetten. Daarnaast is tijdens dit geweld en de daaraan voorafgaande intimidaties ook met regelmaat teruggevallen door de verschillende verdachten op de groep. Verdachte maakte onderdeel uit van die groep. Verdachte bekent dat hij die avond met zijn vrienden op IJburg was en hij is te zien op de beelden. Hoewel niet is komen vast te staan dat verdachte fysiek geweld heeft gebruikt, was zijn aanwezigheid in deze groep en zijn handelwijze tijdens het geweld van dien omvang dat zijn bijdrage van voldoende gewicht was om te kunnen spreken van het door verdachte, in vereniging, plegen van geweld. Niet alleen door de groep – die, zoals aangegeven, zich intimiderend opstelde - getalsmatig te versterken, maar ook actief mee te lopen in de groep tijdens het geweld, vervolgens zo dicht bij het fysieke geweld te staan dat een van de mededaders als het ware op hem kon leunen om een trap te geven aan een van de slachtoffers en vervolgens ook heel dichtbij aangever [slachtoffer 4] te staan terwijl deze [slachtoffer 4] werd belaagd, is zijn bijdrage wezenlijk geweest en daarmee van voldoende omvang om verdachte te veroordelen voor openlijke geweldpleging.

Zaak C

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen opmerkingen gemaakt over het bewijs.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte heeft het feit bekend en zijn verklaring vindt steun in de overige bewijsmiddelen in het dossier.

Zaak D

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten. Het feit dat de aangetroffen MDMA positief door het NFI is getest, de wijze waarop de overige stoffen zijn aangetroffen, de positieve indicatieve testen en de verklaring van verdachte dat hij de bij hem aangetroffen spullen moest overbrengen en bewaren voor een ander in samenhang bezien maken dat ook voldoende vaststaat dat de stoffen die alleen indicatief zijn getest, te weten de cocaïne, de metamfetamine en de 2C-B, eveneens verdovende middelen betreffen zoals strafbaar gesteld in de Opiumwet. De fouillering is rechtmatig geweest op grond van de Wet wapens en munitie omdat verdachte een vuurwapenantecedent had en verbalisanten een bobbel onder de trui, ter hoogte van de navel van verdachte zagen. Ook het daaropvolgende binnentreden in de woning van verdachte en de latere doorzoeking van de woning zijn rechtmatig geweest. De bij verdachte aangetroffen verdovende middelen maakten dat er sprake was van voldoende verdenking van overtreding van de Opiumwet. De handelwijze van de politie voorafgaande aan de machtiging doorzoeking van de rechter-commissaris betrof geen doorzoeken: de verbalisanten hebben een deel van de inhoud van de tassen en de kast kunnen waarnemen omdat deze, zoals in de processen-verbaal is opgeschreven, openstonden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. De verdediging stelt dat er sprake is van verschillende vormverzuimen, te weten een onrechtmatige fouillering en een onrechtmatige doorzoeking van de woning van verdachte.

De fouillering is onrechtmatig omdat er onvoldoende verdenking was om verdachte op grond van de Wet wapens en munitie te fouilleren. Het nadeel dat verdachte als gevolg hiervan zou hebben ondervonden is schending van zijn lichamelijke integriteit.

De doorzoeking in de woning is volgens de verdediging primair onrechtmatig omdat er onvoldoende verdenking was op basis waarvan de hulpofficier van justitie een machtiging tot binnentreden mocht afgeven alsmede toetsing door de officier van justitie had moeten worden afgewacht. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat er sprake is geweest van een onrechtmatige doorzoeking. De handelingen die de verbalisanten hebben verricht voorafgaand aan de verkregen machtiging doorzoeking van de rechter-commissaris gingen verder dan het ‘zoekend rondkijken’ dat hen was toegestaan op basis van de machtiging binnentreden van de hulpofficier van justitie. De bevindingen die zijn opgedaan tijdens deze onrechtmatige doorzoeking liggen voorts ten grondslag aan de daarop alsnog afgegeven machtiging doorzoeking door de rechter-commissaris. Wat betreft de aanvraag van de machtiging tot doorzoeking merkt de verdediging op dat de daarin opgenomen verdenking onvoldoende is om een machtiging doorzoeking van de woning op af te geven. Dit levert een vormverzuim op, hiermee is het huisrecht van verdachte geschonden en, omdat de bewijsmateriaal als gevolg van deze onrechtmatige handelwijze is verkregen, dient dit te worden uitgesloten van het bewijs.

Meer subsidiair meent de verdediging dat, indien niet wordt overgegaan tot bewijsuitsluiting, alleen een bewezenverklaring kan volgen voor de 260 MDMA pillen. De andere stoffen zijn enkel indicatief getest en dat is onvoldoende om tot een veroordeling te komen.

Met betrekking tot het tweede tenlastegelegde feit – de voorbereidingshandelingen – stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte geen opzet had omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist wat er in de tassen zat.

Het oordeel van de rechtbank

Vormverzuimen?

Op 1 augustus 2025 krijgt de politie een melding dat jongeren brandblussers aan het leegspuiten zijn. Ter plaatse treffen zij verdachte en controleren zijn identiteit. In het politiesysteem zien verbalisanten dan dat verdachte als vuurwapengevaarlijk geregistreerd staat. Deze gevarenclassificatie was voor het laatst vastgesteld op 27 februari 2025. Verbalisanten zien dat de hoodie van verdachte naar voren bolde ter hoogte van zijn navel. Hierop besloten verbalisanten om verdachte te fouillering op basis van de Wet wapens en munitie. De rechtbank oordeelt dat gelet op voornoemde feiten en omstandigheden deze fouillering rechtmatig was. Artikel 52 van de wet Wapens en munitie geeft de politie immers de bevoegdheid om een persoon aan zijn kleding te onderzoeken indien er redelijkerwijs aanleiding bestaat dat er sprake is van een in die wet strafbaar gestelde gedraging. Voor het toepassen van deze fouilleringsbevoegdheid hoeft van een concrete verdenking (nog) geen sprake te zijn. Het hebben van een relatief recent vuurwapenantecedent in combinatie met de omstandigheid dat verdachte zichtbaar een of meer voorwerpen onder zijn kleding droeg, waren daarvoor toereikend.

Tijdens deze fouillering wordt geen (vuur)wapen aangetroffen, maar vindt de politie wel bij verdachte een geldbedrag ter hoogte van € 1.525,10, 3 basepijpen, 10 injectienaalden en vermoedelijk verdovende middelen, te weten 190 pillen Alprazolam, 70 pillen diazepam, 32 pillen kamagra, 3 glazen flesjes GHB, 28 zakjes chrystal meth, 15 wikkels cocaïne, 20 zakjes speed, 8 zakjes MDMA, 1 zakje 3-MMC, 11 zakjes roze cocaïne, 12 zakjes ketamine, 114 pillen XTC, 41 zegels LSD, 81 pillen 2C-B.

Uit het dossier volgt dat naar aanleiding van het aantreffen van deze hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen, de hulpofficier van justitie is verzocht om een machtiging tot binnentreden in de woning van verdachte. De hulpofficier van justitie heeft hierop een machtiging verstrekt tot binnentreden in de woning ten behoeve van in beslagname. Artikel 96 Wetboek van Strafvordering geeft de opsporingsambtenaar de bevoegdheid om ter inbeslagname elke plaats te betreden in het geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in het geval van verdenking van een feit als omschreven in artikel 67 lid 1 Wetboek van Strafvordering. Gelet op de bij verdachte aangetroffen goederen was er sprake van een verdenking van overtreding van de Opiumwet. Aan de aanvullende eisen die de Algemene wet op het binnentreden stelt in het geval van het betreden van een woning is voorts ook voldaan doordat de hulpofficier van justitie een machtiging heeft uitgeschreven voorafgaand aan het binnentreden. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het binnentreden rechtmatig is geweest. Ook de toetsing van een officier van justitie, zoals door de verdediging aangevoerd, behoefde niet te worden afgewacht; de hulpofficier van justitie is op grond van artikel 96 Wetboek van Strafvordering jo. artikel 2 jo. artikel 3 Algemene wet op het binnentreden zelfstandig bevoegd tot het afgeven van deze machtiging.

Eenmaal binnen in de woning van verdachte treffen verbalisanten in slaapkamer 3 – de slaapkamer van verdachte – een sporttas van het merk Under Armour aan, die op de bovenste plank van een open kast stond. De verbalisant beweegt de tas en hoort dan glazen voorwerpen tegen elkaar aankomen. Ook wordt een gele plastic Jumbo tas gezien. De tas stond een stukje open en verbalisanten zien een kartonnen doosje met glazen base pijpjes. Hierna is de situatie bevroren en is een doorzoeking aangevraagd bij de rechter-commissaris, die daartoe ook heeft beslist. Uit het proces-verbaal van aanvraag doorzoeking ter inbeslagname blijkt dat aan de aanvraag enkel de omstandigheden zoals deze bleken na de fouillering en de daarbij aangetroffen (vermoedelijk) verdovende middelen ten grondslag hebben gelegen. De voorafgaande bevindingen in de woning hebben dus niet ten grondslag gelegen aan de doorzoeking onder leiding van de rechter-commissaris, zodat die voor de rechtmatigheid van de doorzoeking en het beslag irrelevant zijn. De beslissing van een rechter-commissaris om tot doorzoeking van een woning over te gaan kan voorts slechts marginaal op haar rechtmatigheid worden getoetst. Zoals hiervoor reeds uiteengezet leveren de bij verdachte tijdens de fouillering aangetroffen verdovende middelen in verschillende verpakkingen voldoende verdenking van een strafbaar feit op. De rechter-commissaris heeft hierop in redelijkheid tot de beslissing kunnen komen om tot doorzoeking van de woning over te gaan. Van een vormverzuim is daarom geen sprake.

Ten overvloede oordeelt de rechtbank dat de verbalisanten tijdens het binnentreden in de woning niet verder zijn gegaan dan waartoe zij, voorafgaand aan de doorzoeking onder leiding van de rechter-commissaris, bevoegd waren. Uit de processen-verbaal volgt niet dat verbalisanten tassen en/of kasten hebben geopend, maar dat deze al open stonden waardoor zij de inhoud daarvan gedeeltelijk konden waarnemen. Het schudden aan een gesloten tas valt binnen de grenzen van zoekend rondkijken en betreft geen doorzoekingsactiviteit.

(Indicatieve) testen

Met de verdediging oordeelt de rechtbank dat in dit geval, zonder aanvullend bewijs, indicatieve testen onvoldoende zijn om vast te stellen dat er sprake is van verdovende middelen zoals strafbaar gesteld in de Opiumwet. De rechtbank zal verdachte ten aanzien van feit 1 en 2, voor zover dit ziet op de cocaïne, metamfetamine, 2C-B (feit 1) en GHB, cocaïne, XTC en/of LSD, metamfetamine en/of amfetamine, 3-MMC en 2C-B (feit 2) vrijspreken. Wat betreft de aangetroffen en tenlastegelegde MDMA is wel voldoende vastgesteld dat het om verdovende middelen gaat zoals opgenomen in de Opiumwet omdat ten aanzien hiervan een NFI-rapport aan het dossier is toegevoegd.

Opzet op de voorbereidingshandelingen

Door de verdediging is aangevoerd dat er geen sprake kan zijn van voorbereidingshandelingen omdat verdachte geen opzet had nu hij niet wist van de aangetroffen goederen in de tassen. De rechtbank oordeelt anders. Over de bij verdachte aangetroffen goederen, zowel tijdens zijn fouillering als in zijn slaapkamer, verklaart verdachte dat hij het moest bewaren voor iemand.

Voor het bewijs van ‘aanwezig hebben’ in de zin van de Opiumwet, is nodig dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen en dat hij hier ook beschikkingsmacht over had. Verbalisanten troffen de verdovende middelen, het geld en de gebruikersvoorwerpen (basepijpen en injectienaalden) aan in de zakken van verdachte. Dit ging om een aanzienlijke hoeveelheid waarvan het niet voorstelbaar is dat degene die dit zo dicht op zijn lichaam draagt, daar geen wetenschap van heeft. In de slaapkamer van verdachte zijn wederom een aanzienlijke hoeveelheid, mogelijk verdovende middelen en materiaal dat in verband kan worden gebracht met de handel en productie van verdovende middelen, aangetroffen. De basepijpen die zijn gevonden in de slaapkamer van verdachte zijn, zo blijkt uit het dossier, gelijk aan die aangetroffen waren bij verdachte tijdens zijn fouillering. Gelet hierop, in samenhang bezien met het onder feit 1 bewezenverklaarde, kan het niet anders dan dat verdachte wetenschap had van de goederen die zich in zijn slaapkamer bevonden en hier ook beschikkingsmacht over had.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in vervatte bewijsmiddelen bewezen dat

Zaak A

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

hij op 26 februari 2025 te Oostzaan, tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om, uit een woning gelegen aan de [adres 2] , perceelnummer [nummer] , telefoons die aan [slachtoffer 2] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke poging tot diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, door

- met een scooter naar voornoemde woning te gaan en

- een balaclava te dragen en een vuurwapen en een boksbeugel bij zich te hebben tijdens het betreden van voornoemde woning en

- in voornoemde woning een vuurwapen, (op dreigende wijze) aan/op die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te tonen en richten en daarbij de woorden toe te voegen: "Dit is een kanker overval, ga zitten" en “Waar zijn alle telefoons” en "Blijf zitten, anders krijg je hem gelijk door je kop" en "Blijf rustig anders wordt er op je geschoten", en

- aan die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] de woorden toe te voegen: "Ik heb een mes bij me" en "Wij komen later terug als jullie ons niet laten gaan" en "Ik weet waar

je woont" en "Ik ga je kapot maken" en "Ik schiet je kapot broer, ik ga terugkomen", en

- meermalen die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in het gezicht en op het hoofd te slaan en

- meermalen die [slachtoffer 1] op het lichaam te schoppen

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

hij op 26 februari 2025 te Oostzaan tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (omgebouwd) semi automatisch pistool van het merk Glock, type model 17, kaliber 9mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad;

Zaak B

hij op 1 november 2024 te Amsterdam, op de [straatnaam] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit

- het meerdere keren slaan tegen het hoofd en lichaam van die [slachtoffer 3] en

- het springen tegen de rug, van die [slachtoffer 3] en

- het meerdere keren schoppen tegen het hoofd en lichaam van die [slachtoffer 3] en

- het meerdere malen duwen en trekken van die [slachtoffer 3] en- het trekken aan het haar van die [slachtoffer 3] en

- het vasthouden van die [slachtoffer 3] en

- het meerdere keren slaan tegen lichaam van die [slachtoffer 4] en- het schoppen tegen lichaam van die [slachtoffer 4]

Zaak C

hij op 17 april 2025 te Amsterdam, terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, een wapen van categorie IV, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een plastic speelgoed pistool, voorhanden heeft gehad;

Zaak D

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

hij op 1 augustus 2025 te Amsterdam, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 260 pillen en/of tabletten, bevattende MDMA.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

hij op 1 augustus 2025 te Amsterdam, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van een hoeveelheid MDMA althans een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen een of meerdere voorwerpen en stoffen en gelden, te weten

- een of meerdere hoeveelheden van een materiaal bevattende GBL en BMK(-glycidezuur), en

- een of meerdere gebruikersmiddelen te weten een of meerdere injectienaalden en basepijpen en

- een contant geldbedrag van in totaal ongeveer 2155 euro

voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezen geachte heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7. Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9. Motivering van de straffen en maatregelen

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 200 dagen met aftrek van de termijn die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en waarvan 130 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf moeten volgens de officier van justitie, naast de algemene voorwaarde dat verdachte geen nieuwe strafbare feiten zal plegen, de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals geadviseerd door de Raad. Daarnaast eist de officier van justitie om aan verdachte op te leggen een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 150 uur, te vervangen door 75 dagen jeugddetentie wanneer verdachte deze taakstraf niet volledig verricht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij de strafoplegging de positieve ontwikkeling die verdachte heeft doorgemaakt sinds zijn laatste aanhouding in het voordeel van verdachte te laten doorklinken en rekening te houden met de tijd die verdachte kwijt is aan school, werk en sociale activiteiten. Voorts verzoekt de verdediging om, wanneer een voorwaardelijk straf wordt opgelegd, aan verdachte een proeftijd van 1 jaar op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf laat de rechtbank zich leiden door de persoon van de verdachte zoals die naar voren komt in de nagenoemde rapportages en hetgeen de deskundigen ter zitting hebben verklaard, alsmede de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Ernst van de feiten

Verdachte is in een periode vanaf november 2024 tot augustus 2025 veelvuldig met politie en justitie in aanraking gekomen. Verdachte heeft zich op 1 november 2024 schuldig gemaakt aan een openlijke geweldpleging waarbij de slachtoffers, ook nog jonge jongens, zonder dat daartoe enige aanleiding was zijn geïntimideerd en aangevallen door de groep waarbij verdachte hoorde. Enige tijd later in februari 2025 werd verdachte op heterdaad aangehouden voor de poging woningoverval: op zeer ingrijpende wijze zijn nietsvermoedende burgers in hun eigen woning slachtoffer zijn geworden van de handelwijze van verdachte. Niet door toedoen van verdachte, maar vanwege het dappere optreden van de slachtoffers, is de diefstal uiteindelijk niet voltooid. Wat de impact betreft maakt dat weinig verschil ten opzichte van een voltooid delict: verdachte had zich immers, samen met zijn medeverdachte op het moment waarop hij werd overmeesterd, in de woning al een weg naar boven gebaand terwijl hij gezichtsbedekkende kleding droeg en de bewoners bedreigde met een vuurwapen. De rechtbank weet dat dit soort delicten, begrijpelijkerwijs, vaak leiden tot ernstige psychische klachten bij hen die het overkomt: het leven zoals slachtoffers van dergelijke delicten dat kenden, weet vaak niet meer op dezelfde wijze doorgang te vinden. Verdachte heeft kennelijk enkel en alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin en zich totaal niet bekommerd over de gevolgen voor de slachtoffers. Dat de slachtoffers nog steeds niet weten van wie de opdracht of het idee voor de overval afkomstig is, is extra beangstigend. Dit soort delicten zijn stuitend en het is dan ook zeer voorstelbaar dat niet alleen de directe slachtoffers daar vaak zeer gehavend door raken, maar ook de maatschappij die er kennis van neemt. Verdachte heeft desondanks, na dit zeer ingrijpende delict, een nieuwe kans gekregen om zichzelf te bewijzen doordat zijn voorlopige hechtenis is geschorst. De rechtbank constateert dat verdachte deze kans in eerste instantie allerminst heeft aangegrepen. Verdachte heeft zich immers toen zijn voorlopige hechtenis was geschorst en hij onder voorwaarden vrij was, wederom schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Bij verdachte is op 17 april 2025 een nep vuurwapen aangetroffen. Verder is bij verdachte op 1 augustus 2025 een grote hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen. Verdachte lijkt daarbij ook, gelet op het bezitten van deze middelen en de omstandigheden waaronder deze zijn aangetroffen, aanvankelijk een zeer zorgelijke afslag te hebben genomen. Het valt de rechtbank op dat verdachte steeds spijt heeft betuigd en beterschap beloofde na zijn aanhoudingen, maar de rechtbank vraagt zich hardop af hoe oprecht zijn spijt op die momenten was aangezien hij daarna steeds weer strafbare feiten pleegde.

Persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 december 2025 en constateert dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld. Verdachte zal worden aangemerkt als first offender.

De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van de rapportages die over de verdachte zijn opgesteld, waaronder:

Uit het rapport van de psycholoog blijkt dat verdachte niet aan het onderzoek heeft meegewerkt, waardoor er geen antwoord kon worden gegeven op vragen over de mogelijkheden van verdachte, de eventuele problematiek, de mogelijke doorwerking hiervan op de tenlastegelegde feiten en het recidiverisico, noch kan er advies gegeven worden ter voorkoming van recidive en ten voordele van een positieve ontwikkeling van verdachte. De psycholoog neemt op dat als verdachte nogmaals met justitie in aanraking komt, dat het van belang is dat in overweging genomen wordt om verdachte ambulant of klinisch te onderzoeken.

JBRA geeft aan dat verdachte goed meewerkt aan zijn toezicht en dat hij in staat is geweest om de reeks aan verdenkingen te doorbreken. Dit komt met name door de aanwezigheid van positieve personen in zijn netwerk. Vanwege zijn nieuwe school en werk bevindt hij zich in een omgeving met positieve invloeden en dat is merkbaar in het gedrag van verdachte. JBRA adviseert om aan verdachte Toezicht en Begeleiding op te leggen, hem te verplichten om mee te werken aan de coaching van [bedrijf] , naar school te gaan volgens het rooster en mee moet werken aan een positieve dagbesteding.

De Raad adviseert om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen onder de algemene voorwaarden dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit en onder de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich houdt aan het rooster van zijn stage en school, meewerkt aan het vinden en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding in de vorm van werk, meewerkt met coaching vanuit [bedrijf] , zich houdt aan een contactverbod met de medeverdachten, meewerkt aan alle hulpverlening die Jeugdbescherming Amsterdam noodzakelijk acht. Daarnaast adviseert de Raad om aan verdachte een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen.

Straf

De rechtbank stelt voorop dat op feiten als deze in beginsel moet worden gereageerd met een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Zo volgt uit de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de LOVS-richtlijnen, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging, dat in het geval van een woningoverval jeugddetentie vanaf 6 maanden onvoorwaardelijk passend is. Ook de hoeveelheid verdovende middelen die zijn aangetroffen bij verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn aangetroffen geven in beginsel aanleiding tot het opleggen van een forse werkstraf of jeugddetentie. De rechtbank slaat in het voordeel van verdachte acht op de positieve ontwikkelingen die verdachte heeft doorlopen. Het is positief dat, ondanks het voorgaande, de rechtbank vanuit de Raad en JBRA heeft vernomen dat er bij verdachte een spreekwoordelijke ‘knop’ lijkt te zijn omgezet. Verdachte verklaarde daarover ook ter zitting. Verdachte wil geen risico lopen dat hij weer terug moet naar de jeugdgevangenis. Hij heeft zich de afgelopen tijd ingezet voor school en ook werk gevonden. Daar heeft hij veel positieve contacten opgedaan en die positieve contacten hebben ook een gunstig effect op hem buiten werktijd. Verdachte verkeert inmiddels in een ander netwerk, ervaart geen negatieve beïnvloeding meer vanuit zijn omgeving en zet zich in voor een positieve toekomst. De rechtbank wil dit niet met een onvoorwaardelijke jeugddetentie doorkruisen. Wel is het van belang dat verdachte een forse waarschuwing meekrijgt en begeleiding krijgt om deze positieve ontwikkelingen ook vast te houden.

De rechtbank acht een straf zoals door de officier van justitie geëist passend en geboden en zal aan verdachte opleggen een jeugddetentie voor de duur van 200 dagen met aftrek van de termijn die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en waarvan 130 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Omdat de delicten ernstig zijn en de positieve ontwikkelingen aan de zijde van verdachte nog relatief pril is, acht de rechtbank, anders dan zoals door de verdediging is verzocht, een proeftijd van 2 jaar noodzakelijk. De rechtbank vindt het daarnaast belangrijk dat verdachte op dit moment nog wel de consequenties van zijn handelen ervaart en zal daarom nog een taakstraf in de vorm van een werkstraf opleggen voor de duur van 150 uur, te vervangen door 75 dagen jeugddetentie wanneer verdachte deze werkstraf niet volledig of naar behoren verricht.

10. De benadeelde partij

[slachtoffer 1] vordert een bedrag van € 1.006,71 aan materiële schadevergoeding voor de aanschaf van nieuwe lamellen, een bril en eigen risico naar aanleiding van het geleden letsel, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij ontvankelijk is in zijn vordering maar dat er een deel aan afschrijving toegepast moet worden op de lamellen en de bril en dat de vordering kan worden toegewezen voor een bedrag van € 700,-.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de vordering betwist. De hoogte van de vordering ten aanzien van de bril is volgens de verdediging onvoldoende onderbouwd. Er is sprake van een bril van twee jaar oud, en er is destijds voor drie brillen € 570,- betaald. Naar het oordeel van de verdediging dient de schade in een dergelijk geval geschat te worden op een derde van dit bedrag, waarbij nog een correctie van de waarde dient plaats te vinden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank wijst een bedrag van € 604,71 (zegge: zeshonderdvier euro en eenenzeventig cent) hoofdelijk toe, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan, te weten op 26 februari 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening.

De materiële schade aan de lamellen (€ 439,90) en het eigen risico (€ 14,81) is voldoende onderbouwd

en niet betwist. De rechtbank zal, mede rekening houdend met het feit dat op de door de benadeelde

partij overgelegde bon meerdere brillen staan en de afschrijvingskosten, gebruik maken van haar

schattingsbevoegdheid en is van oordeel dat een bedrag van € 150,- kan worden toegewezen als

vergoeding voor de bril.

In het belang van [slachtoffer 1] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde de maatregel

van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht hoofdelijk aan verdachte opgelegd ter hoogte van € 604,71(zegge: zeshonderdvier euro en eenenzeventig cent) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is geleden, te weten 26 februari 2025, welk bedrag bestaat uit materiële

schade. Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte zal de rechtbank de maximale duur van de

gijzeling bepalen op 0 dagen.

De rechtbank verklaart het overige deel van de vordering tot vergoeding van de materiële schade niet-

ontvankelijk.

11. Beslag

Onder de verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:

Zaak A

Zaak D

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen geldbedrag verbeurd wordt verklaard en de in beslag genomen verdovende middelen worden onttrokken aan het verkeer.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ten aanzien van het beslag ingenomen.

Het oordeel van de rechtbank

Verbeurdverklaring

De helm, het telefoontoestel, de geldbedragen en het rookwaar (de basepijpen) dienen te worden verbeurdverklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting en het dossier is gebleken dat de bewezenverklaarde feiten met behulp van deze voorwerpen, die aan verdachte op de wijze als bedoeld in artikel 33a, eerste lid, Sr, toebehoren, zijn begaan.

Onttrekking aan het verkeer

Het pistool, de (vermoedelijk) verdovende middelen en de medicijnen worden onttrokken aan het verkeer. Gebleken is dat deze voorwerpen bij het onderzoek naar het ten laste gelegde feit zijn aangetroffen. Verder zijn de voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z,77aa, 77gg, 310, 312, 141 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26, 54 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

13. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Zaak A

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 (primair) en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt daarvan verdachte vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 (primair) bewezen verklaarde:

poging tot diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld

tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te

maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf

hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het

feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Zaak B

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt daarvan verdachte vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Zaak C

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt daarvan verdachte vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie

Zaak D

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt daarvan verdachte vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 200 (tweehonderd) dagen.

Beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 130 (honderddertig) dagen, van deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens het niet nakomen van de voorwaarden.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich houdt aan het rooster van zijn stage en school;

- meewerkt aan het vinden en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding in de vorm van werk;

- meewerkt met coaching vanuit [bedrijf] of een soortgelijke instelling;

- meewerkt aan alle hulpverlening die Jeugdbescherming Amsterdam noodzakelijk acht.

Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in 77a, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte daarnaast tot een werkstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren.

Beveelt dat, als verdachte de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van € 604,71 (zegge: zeshonderdvier euro en eenenzeventig cent) voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 26 februari 2025, tot aan de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [slachtoffer 1] ter hoogte van € 604,71 (zegge: zeshonderdvier euro en eenenzeventig cent). Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan, te weten op 26 februari 2025, tot aan de dag van algehele voldoening, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

Verklaart verbeurd:

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Diepraam, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. E.M. Devis en M.J. van Aalderen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M. Elsman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 februari 2026.

[…]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E. Diepraam

Griffier

  • mr. A.M. Elsman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?