RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-009451-26
Datum uitspraak: 24 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 28 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 31 december 2025 door de Okresný Súd Humenné [District Court Humenné], Slowakije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Slowakije) op [geboortedag] 2001,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentie-instelling] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 maart 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Slowaakse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Slowaakse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een arrestatiebevel van 9 december 2025 uitgevaardigd door de Okresný Súd Humenné [District Court Humenné] in Case No. 13T/78/2025-326.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Slowaaks recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
4. Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
mishandeling.
5. Artikel 11 OLW: Slowaakse detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden om een individuele detentiegarantie op te vragen gelet op de detentieomstandigheden in Slowakije, zoals vermeld in het rapport van the Comittee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment (hierna: het CPT) van 10 april 2025. Nu niet kan worden uitgesloten dat de opgeëiste persoon in een van de detentiecentra wordt geplaatst waarover in het rapport zorgen worden geuit, bestaat voor de opgeëiste persoon een reëel gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling in detentie in Slowakije.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen individuele detentiegarantie hoeft te worden opgevraagd, omdat geen algemeen reëel gevaar bestaat voor een onmenselijke of vernederende behandeling in de gevangenissen in Slowakije. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld vormt het CPT-rapport, waar door de raadsvrouw naar wordt verwezen, geen aanleiding voor het aannemen van een algemeen gevaar.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder op basis van het CPT-rapport van 10 april 2025 en de reactie van de Slowaakse regering op dat rapport geoordeeld dat geen sprake is van een algemeen gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling in de gevangenissen in Slowakije in het algemeen en in de Ružomberok Prison of de Žilina Prison in het bijzonder.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raadsvrouw geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit blijkt dat er, in tegenstelling tot wat de rechtbank eerder heeft geoordeeld, wel sprake is van een algemeen gevaar. De rechtbank beschikt ambtshalve ook niet over dergelijke gegevens. In de enkele verwijzing van de raadsvrouw naar voornoemd CPT-rapport ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de vraag of voor deze opgeëiste persoon na zijn overlevering een reëel gevaar voor onmenselijke behandeling in detentie bestaat. De rechtbank wijst het aanhoudingsverzoek af, nu zij geen aanleiding ziet om vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot waar en onder welke omstandigheden de opgeëiste persoon naar verwachting zal worden gedetineerd.
6. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7. Toepasselijke wetsartikelen
Artikel 300 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.
8. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Okresný Súd Humenné [District Court Humenné], Slowakije, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland en E. Mulder, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.