RECHTBANK AMSTERDAM
Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 13/019476-21
Datum uitspraak: 24 februari 2026
Beslissing op de vordering tot verlenging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel)
[minderjarige veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
op dit moment gedetineerd te [detentieadres] ,
hierna te noemen [minderjarige veroordeelde] of de veroordeelde.
De procedure
Het gerechtshof Amsterdam heeft op 21 april 2022 aan [minderjarige veroordeelde] een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna ook: PIJ-maatregel) opgelegd. De PIJ-maatregel is laatstelijk bij beschikking van deze rechtbank d.d. 19 juni 2025 voor de tijd van 9 maanden verlengd.
De officier van justitie heeft aanvankelijk op 10 december 2025 een vordering ingediend tot verlenging van de PIJ-maatregel met zes maanden. De officier van justitie heeft de vordering ter zitting mondeling gewijzigd en strekt tot een verlenging van de termijn met negen maanden.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de processtukken, waaronder:
De rechtbank heeft de vordering op de zitting van 24 februari 2026 in het openbaar behandeld.
Verschenen en gehoord zijn:
De adviezen
De gedragsdeskundige adviseert de PIJ-maatregel met negen maanden te verlengen. Dat is een termijn die zeker nodig is; een verlenging van twaalf maanden is niet mogelijk in verband met het ontbreken van een dubbelpersoonlijkheidsonderzoek (dubbel-PO) bij overschrijding van de 4,5 jaar termijn. Het STP van veroordeelde is niet positief verlopen, waardoor het eerdere advies van de JJI, waarin tot verlenging van drie maanden werd geconcludeerd, komt te vervallen. Tijdens het STP zijn er nieuwe risicofactoren en zorgen naar voren gekomen die eerder niet duidelijk waren. Daarom is het STP voortijdig beëindigd per 9december 2025 en wordt opnieuw behandeling vanuit de JJI ingezet. De gedragsdeskundige acht het noodzakelijk om een nieuw dubbelpersoonlijkheidsonderzoek (dubbel-PO) te laten uitvoeren om de behandeling af te stemmen op de nieuwe risicofactoren en te onderzoeken of het behandelplafond is bereikt. Daarnaast wordt er op dit moment een veiligheidsonderzoek door de politie uitgevoerd. De gedragsdeskundige benadrukt het belangrijk te vinden eerst het PO en het veiligheidsonderzoek af te wachten voordat opnieuw een STP wordt gestart, zodat behandeling gericht kan worden ingezet op de gesignaleerde risico’s en het beperken van het recidiverisico.
De deskundige van de reclassering heeft toegelicht dat er twee kanten van [minderjarige veroordeelde] in het contact worden gezien. Enerzijds ziet de reclassering een kwetsbare jongen die het contact zoekt en openstaat voor gesprekken. Anderzijds wordt een jongen gezien die dwingend en zelfbepalend is. Gezien werd dat [minderjarige veroordeelde] tijdens het STP veel spanningen ervoer door de grote overgang van binnen naar buiten. Er kwam veel op hem af en na verloop van tijd ging het contact en het nakomen van afspraken minder goed. De reclassering had beperkt zicht op zijn sociale netwerk en merkte dat hij bepaalde zaken afschermde. Zijn middelengebruik vormde hierbij ook een probleem. Tijdens de tweede time-out was er intensief contact met moeder en zus, die zorgen uitten over de veiligheid. Op advies van de politie is zus elders ondergebracht vanwege veiligheidsredenen. De reclassering kan de veiligheid van [minderjarige veroordeelde] zelf op dit moment niet inschatten, maar deelt de zorgen van de politie over de contacten met een motorclub en de daarmee verbonden personen. De reclassering heeft de begeleiding momenteel gestopt en zij zullen pas weer actief worden als de JJI daartoe opdracht geeft.
De standpunten
[minderjarige veroordeelde] en zijn raadsman hebben verzocht de vordering af te wijzen. Een verlenging van de PIJ-maatregel heeft geen meerwaarde en is niet in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [minderjarige veroordeelde] . Hoewel [minderjarige veroordeelde] in het verleden gemotiveerd was en positieve ontwikkelingen liet zien, is zijn motivatie nu afgenomen en komt hij stil te staan. Sinds hij weer in de JJI verblijft, zit hij al geruime tijd zonder zinvolle dagbesteding, wat zijn ontwikkeling niet bevordert. Het behandelplafond is bereikt. Een nieuw PO afwachten, terwijl alles on hold wordt gezet is niet in het belang van [minderjarige veroordeelde] . De raadsman meent dat een nieuw PO de risicofactoren niet zal veranderen, omdat de risicofactoren die aan de maatregel ten grondslag liggen al langere tijd bekend zijn en voortkomen uit zijn verleden. De vordering tot verlenging dient volgens de raadsman ook te worden afgewezen, omdat de veiligheid van personen en goederen niet meer in gevaar is. Hij benadrukt dat het recidiverisico als matig wordt beoordeeld en dat er geen recente geweldsincidenten zijn geweest. Eerdere problematiek zoals impulsiviteit en gebrekkige emotieregulatie is inmiddels afgenomen dankzij afgeronde behandelingen. De raadsman is van mening dat [minderjarige veroordeelde] nu de kans moet krijgen om zich in het kader van een voorwaardelijk beëindiging buiten de JJI te bewijzen en te ontwikkelen.
De officier van justitie heeft de termijn van de vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel gewijzigd naar een duur van negen maanden. Aanvankelijk was een verlenging van drie maanden geadviseerd in verband met de zorgen die in het STP naar voren kwamen en omdat [minderjarige veroordeelde] toekomstperspectief nodig had, maar helaas is [minderjarige veroordeelde] in aanraking gekomen met een antisociaal netwerk, wat de overgang naar meer vrijheden heeft bemoeilijkt. Zo zijn er onder andere bedreigingen geweest richting zijn zus en moeder. Daarom is nu een PO noodzakelijk om de actuele risico’s goed in kaart te brengen. Voor een verlenging van twaalf maanden is een dubbel-PO vereist. Daarom is de vordering verkort naar negen maanden.
De beoordeling
Verlenging
Gelet op het hiervoor genoemde advies en dat wat op de zitting is besproken, oordeelt de rechtbank dat de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen en een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [minderjarige veroordeelde] eisen dat de PIJ-maatregel met zes maanden wordt verlengd. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
De rechtbank constateert dat het verloop van de maatregel deels positief is geweest, maar dat [minderjarige veroordeelde] ook zelfbepalend en risicovol gedrag heeft laten zien, waardoor er nog steeds een reëel gevaar voor personen of goederen bestaat. Dit blijkt ook uit de zorgen over het netwerk van verdachte en de bedreigingen richting moeder en zus. De JJI heeft aangegeven dat een dubbel-PO nodig is vanwege een verschuiving in de problematiek van [minderjarige veroordeelde] . De rechtbank begrijpt, zoals door de deskundigen aangegeven, dat een PO nodig is om meer inzicht te krijgen in welke behandeling/begeleiding verder nodig is voor een goede resocialisatie van [minderjarige veroordeelde] , maar zij merkt tegelijkertijd op dat het niet goed is dat [minderjarige veroordeelde] , nadat het eerder goed ging, nu vooral binnen zit en weinig doet, terwijl hij zijn behandelingen positief heeft afgerond en toe is aan oefenen buiten de instelling. Ter zitting is gebleken dat [minderjarige veroordeelde] nauwelijks gesprekken heeft met behandelaars. Ook de reclassering is uit beeld geraakt en met [minderjarige veroordeelde] is nog niet uitgebreid teruggekeken op wat er mis is gegaan buiten. Hij doet het goed binnen de structuur van de JJI, maar heeft kennelijk juist moeite met de vrijheden buiten de JJI. Daarbij valt het op dat de zorgen met name zitten in het netwerk van [minderjarige veroordeelde] en de omgang met een bepaalde persoon die volgens de moeder van [minderjarige veroordeelde] dag en nacht bij hem zou hebben gezeten. De rechtbank vindt het opmerkelijk dat dit buiten niet eerder als risico is onderkend en dat hierop niet bijgestuurd is. De rechtbank merkt daarbij op dat [minderjarige veroordeelde] geen gewelddadig gedrag meer heeft vertoond.
De rechtbank zal de maatregel met een kortere periode verlengen dan geadviseerd en gevorderd. Hoewel een dubbel-PO belangrijk is voor meer inzage in de problematiek van veroordeelde, zal dit niet alle vragen beantwoorden of alle problemen oplossen. Het kan niet zo zijn dat [minderjarige veroordeelde] intussen min of meer gedwongen stil zit in de JJI. Daarom is het van belang niet de uitkomst van het dubbel-PO af te wachten voordat er stappen naar buiten worden gezet, maar is evenzeer belangrijk dat tegelijkertijd samen met de reclassering en [minderjarige veroordeelde] wordt gekeken naar wat de concrete risicofactoren zijn en dat hij kan laten zien hoe in het STP hiermee om te gaan en onder welke strikte voorwaarden kan worden voorkomen dat de [minderjarige veroordeelde] afglijdt door contact met een negatief netwerk. In dat verband ziet de rechtbank dus een actieve rol van de reclassering de komende tijd. Daarnaast merkt de rechtbank op dat er een coach moet worden ingeschakeld die [minderjarige veroordeelde] ondersteunt, met wie hij kan praten en die helpt voorkomen dat hij in contact komt met risicovolle groepen. De verlenging van zes maanden is naar het oordeel van de rechtbank afdoende om deze stappen te kunnen zetten en daadwerkelijk aan deze doelen te werken.
Einde maatregel
De rechtbank stelt vast dat de ingangsdatum van de PIJ-maatregel 7 mei 2022 is en dat op grond van de termijnbrief van 9 september 2025 de PIJ-maatregel zou eindigen op 26 januari 2026 . De maatregel wordt nu verlengd met zes maanden. Dat betekent dat de maatregel met deze stand van zaken op 25 juli 2026 voorwaardelijk zal eindigen en op 25 juli 2027 onvoorwaardelijk zal eindigen.
De beslissing
De rechtbank:
wijst de vordering van de officier van justitie gedeeltelijk toe en verlengt de termijn van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van [minderjarige veroordeelde]
met zes maanden. Voor het overige wijst de rechtbank de vordering tot verlenging af.
Deze beslissing is gegeven door
mr. C.P. Bleeker, voorzitter en kinderrechter,
mrs. W. Aardenburg en A. van Luijck, kinderrechters,
in aanwezigheid van mr. A.M. Elsman, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.