RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 13.163524.25
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging: 10.348937.24
Datum uitspraak: 24 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen
[verdachte] ,
geboren [geboortedag 1] 2007 te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ),
inschrijvingsadres in Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
feitelijk verblijvende te: [verblijfadres] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 24 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. Grünfeld en van wat verdachte en zijn raadsman mr. G.E. Toxopeus naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [naam 2] , namens Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: JRR), [naam 3] als begeleider van Horizon Zorgt en de vader en de moeder naar voren is gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door [naam 4] van Slachtofferhulp Nederland namens de benadeelde partij [benadeelde partij/slachtoffer] naar voren is gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – na wijziging - , kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
afpersing in vereniging op 22 maart 2025 te Amsterdam van een schoudertas (Gucci) en/of een iPhone en/of een jas (Moncler) en/of een identiteitskaart op naam van [benadeelde partij/slachtoffer] door
- die [benadeelde partij/slachtoffer] te vragen om mee te lopen en/of
- die [benadeelde partij/slachtoffer] vast te pakken en/of mee te nemen en/of
- die [benadeelde partij/slachtoffer] (dreigend) de woorden toe te voegen: "geef je spullen gewoon of we slaan je in elkaar”;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld in vereniging op 6 april 2025 te Amsterdam van een iPhone en/of een identiteitskaart op naam van [naam 5] en/of een pet (Dsquared2), door
- die [naam 5] één of meerdere malen vast te pakken en/of mee te trekken aan de nek, althans het lichaam en/of
- die [naam 5] te omsingelen;
ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:
poging afpersing in vereniging op 6 april 2025 te Amsterdam van een jas van [naam 5] door
- tegen die [naam 5] heeft geschreeuwd, althans gezegd, dat hij zijn jas moest uit trekken, althans woorden van gelijke aard of strekking en/of
- die [naam 5] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "als je nou niet opschiet, slaan we je in elkaar" en/of “als je nu niet opschiet, schiet ik je zometeen”;
ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:
het voorhanden hebben van een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een, alarmpistool gehad op 27 mei 2025 te Amsterdam;
ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde:
het voorhanden hebben van munitie, te weten 21 (knal)patronen van kaliber 8mm, van de categorie III van de Wet wapens en munitie op 27 mei 2025 te Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdachte zelf ontkent dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de afpersing.
Het oordeel van de rechtbank
Op basis van de bewijsmiddelen oordeelt de rechtbank dat de afpersing in vereniging van [benadeelde partij/slachtoffer] wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Uit de aangifte van [benadeelde partij/slachtoffer] blijkt dat hij door drie jongens werd aangesproken. Eén van deze jongens, die later door aangever als verdachte wordt geïdentificeerd, vroeg aan de aangever of hij mee wilde lopen naar een steegje. Daar stonden de drie jongens bij hem en werd tegen hem gezegd ‘Geef je spullen gewoon of we slaan je in elkaar’. De aangever heeft vervolgens zijn tas afgegeven en vervolgens ook zijn jas en telefoon en daar zijn de verdachten mee weggelopen. De verklaring van [benadeelde partij/slachtoffer] wordt ondersteund door de camerabeelden. Daaruit blijkt dat de verdachte richting de aangever loopt, zijn linkerarm om de aangever heenslaat en hem meeneemt een steeg in. Op dat moment lopen de medeverdachten achter hen aan. Hoewel het moment van het afgeven van de spullen niet op de beelden staat, is te zien dat de medeverdachte, nadat zij terugkomen uit de steeg, een schoudertas draagt en de aangever niet meer, terwijl dit eerder wel het geval was.
Hoewel de verdachte ontkent iets met de afpersing te maken te hebben, oordeelt de rechtbank anders. Verdachte heeft aangever als eerste aangesproken, een arm om hem heen geslagen en heeft de aangever meegenomen de steeg in. Vervolgens wordt de aangever in de steeg beroofd en dat gebeurt blijkens de aangifte door alle drie de verdachten. Dat de verdachte mogelijk uiteindelijk niet daadwerkelijk de spullen van de aangever afneemt, maakt niet uit. Er is sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen.
ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde:
De rechtbank is - met de officier van justitie en de raadsman - van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 2 en 3, het medeplegen van de diefstal met geweld en poging tot afpersing van [naam 5] , omdat hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is.
ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen, omdat verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen.
ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde:
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen, omdat verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in vervatte bewijsmiddelen bewezen dat
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
hij op 22 maart 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde partij/slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een schoudertas (Gucci) en een iPhone en een jas
(Moncler) en een identiteitskaart op naam van [benadeelde partij/slachtoffer] , die aan die [benadeelde partij/slachtoffer]
toebehoorden door
- die [benadeelde partij/slachtoffer] te vragen om mee te lopen en
- die [benadeelde partij/slachtoffer] vast te pakken en mee te nemen en
- die [benadeelde partij/slachtoffer] (dreigend) de woorden toe te voegen: "geef je spullen gewoon of we slaan je in elkaar”;
ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:
hij op 27 mei 2025 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een, alarmpistool voorhanden heeft gehad;
ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde:
hij op 27 mei 2025 te Amsterdam munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 21 stuks (knal)patronen van het kaliber 8mm voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6. Bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezen geachte heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
7. Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
8. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
9. Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 130 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijke deel moeten naast de algemene voorwaarden, de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de Raad en JRR.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf laat de rechtbank zich leiden door de persoon van de verdachte zoals die naar voren komt in de nagenoemde rapportages en hetgeen de deskundigen ter zitting hebben verklaard, alsmede de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een afpersing van een jonge jongen in het centrum van Amsterdam. De verdachten hebben daarbij onder andere gedreigd het slachtoffer in elkaar te gaan slaan. Dergelijke feiten zorgen voor angst en onveiligheid, in de eerste plaats natuurlijk voor de slachtoffers, maar ook voor de samenleving als geheel. De verdachte heeft met die gevoelens kennelijk geen rekening gehouden. Ook is in de slaapkamer van de verdachte een alarmpistool en munitie aangetroffen. Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan het ongecontroleerde bezit van wapens. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en leidt ook tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 29 december 2025 waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor misdrijven. De verdachte liep ten tijde van de feiten zoals ten laste gelegd in een proeftijd. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij ervoor gekozen heeft opnieuw ernstig strafbaar gedrag te vertonen
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de rapportages van de JRR en de Raad in het kader van de voorlopige hechtenis. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het rapport van de JRR van 19 februari 2026 en de aanvullende rapportages ten behoeve van de inhoudelijke behandeling. De Raad heeft voor de zitting te kennen gegeven geen capaciteit te hebben om een adviesrapport uit te brengen ten behoeve van de inhoudelijke behandeling en heeft ter zitting geadviseerd.
JRR heeft naar voren gebracht dat de verdachte sinds zijn laatste schorsing uit de voorlopige hechtenis begin september 2025 voor het eerst positieve stappen heeft gezet. Hij gaat niet meer zonder doel naar buiten, gaat naar school, loopt stage en krijgt behandeling bij De Waag. Ook het verlof bij de ouders gaat goed en er zijn geen nieuwe zorgen binnengekomen vanuit de politie. JRR adviseert de rechtbank om een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen voor de duur van het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie. Het is in het belang van de verdachte dat de strakke kaders blijven.
De Raad kan zich vinden in het door de JRR gegeven advies en sluit zich hier bij aan.
Straf
Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, oordeelt de rechtbank dat zoals door de officier van justitie geëist een jeugddetentie van 130 dagen passend en geboden is. De tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht dient bij de tenuitvoerlegging van de straf in mindering te worden gebracht. De rechtbank oordeelt dat 30 dagen niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten als verdachte zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dit betekent dat de verdachte, zolang hij zich aan de voorwaarden houdt, niet opnieuw in detentie komt.
10. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
Bij de stukken bevindt zich de op 11 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie van het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 10.348937.24 betreffende onherroepelijk geworden vonnis van 3 december 2024 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam. Bij dat vonnis is aan verdachte onder meer opgelegd een jeugddetentie van 250 dagen met aftrek, waarvan 130 dagen voorwaardelijk, met het bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich, gezien de positieve ontwikkelingen van de verdachte, op het standpunt gesteld dat de vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling moet worden afgewezen. Aangezien de verdachte zich wel schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten ten tijde van de lopende proeftijd, stelt de officier van justitie dat de proeftijd van de voorwaardelijke veroordeling met één jaar moet worden verlengd, zodat de bijzondere voorwaarden door blijven lopen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen en de proeftijd te verlengen met één jaar.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is, overeenkomstig het advies van de Raad en de JRR, van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de 130 dagen jeugddetentie niet moet worden toegewezen. De verdachte heeft sinds de bewezenverklaarde feiten een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Het is daarom onwenselijk wanneer de verdachte op dit moment een langdurige detentie moet ondergaan. Omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit en baat heeft bij de opgelegde bijzondere voorwaarden, ziet de rechtbank wel reden om de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde straf door te laten lopen, zoals door de officier van justitie verzocht. De rechtbank verlengt deze proeftijd met één jaar. De rechtbank voegt, naast de al eerder opgelegde algemene en bijzondere voorwaarden, de extra bijzondere voorwaarde op dat verdachte ‘meewerkt aan de begeleiding en zich zal houden aan de huisregels van de [instelling] , wat ook inhoudt dat er onverwachte fouilleringen, tassen- en kamercontroles uitgevoerd mogen worden’.
11. Beslag
Onder de verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal, conform het standpunt van de officier van justitie, het pistool en de patronen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit hiervan in strijd is met de wet of het algemeen belang, dan wel dat met behulp van deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan.
De rechtbank zal teruggave gelasten aan de beslagene (de verdachte) van het telefoontoestel, omdat niet is vastgesteld dat dit verband houdt met het strafbare feit waarvoor verdachte is veroordeeld.
12. De benadeelde partijen
[benadeelde partij/slachtoffer]
De benadeelde partij vordert € 1.564,83 aan schadevergoeding, bestaande uit € 535,50 aan immateriële schade en € 1.029,33 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de vordering ten aanzien van de immateriële schade toewijsbaar. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het materiële gedeelte van de vordering ten aanzien van de Gucci-tas, iPhone, het telefoonhoesje, de vervanging van de ID-kaart en pasfoto’s voldoende is onderbouwd. De officier is van mening dat de vordering ten aanzien van de jas niet goed is onderbouwd. In totaal is volgens de officier van justitie een bedrag van € 984,83 voor toewijzing vatbaar. De officier van justitie merkt op dat de rechtbank ook nog gebruik kan maken van haar schattingsbevoegdheid ten aanzien van de jas.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst hoofdelijk een bedrag van € 1.234,83 (zegge: duizend tweehonderd vierendertig euro en drieëntachtig cent) toe, bestaande uit € 535,50 aan immateriële schade en € 699,33 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan, te weten 22 maart 2025, tot aan de dag van algehele voldoening.
De immateriële schade (€ 535,50) is niet betwist en voldoende onderbouwd. Dit bedrag komt op de rechtbank bovendien niet onrechtmatig over en zal daarom worden toegewezen. De materiële schade ten aanzien van de niet-authentieke Gucci-tas (€ 22,50), iPhone (€ 357,99) het telefoonhoesje (€ 12,99), de vervanging van de ID-kaart (€ 42,35) en de pasfoto’s (€ 13,50) zijn tevens voldoende onderbouwd, niet betwist en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal, mede rekening houdend met de afschrijvingskosten, gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid ten aanzien van de Moncler jas en is van oordeel dat daarvoor een bedrag van € 250,- kan worden toegewezen.
In het belang van [benadeelde partij/slachtoffer] wordt hoofdelijk als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk.
[naam 5]
De benadeelde partij vordert € 2.165,- aan schadevergoeding, bestaande uit € 2.000,- aan immateriële schade en € 165,- aan materiële schade.
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 en 3 ten laste gelegde. Daarom verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk ten aanzien van diens vordering.
13. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
14. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
ten aanzien van het onder feit 4 ten laste gelegde:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
ten aanzien van het onder feit 5 ten laste gelegde:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 130 dagen.
Beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 30 dagen, van deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van de voorwaarden.
Stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:
- zich niet voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- meewerkt aan de aanwijzingen van JRR;
- meewerkt aan de behandeling van De Waag of soortgelijke instelling;
- meewerkt aan de begeleiding en zich houdt aan de huisregels van [instelling] , wat ook inhoudt dat er onverwachte fouilleringen, tassen- en kamercontroles uitgevoerd mogen worden;
- volgens het rooster naar school gaat;
- meewerkt aan het vinden en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding in de vorm van een (bij)baan en/of teamsport;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opneemt met het slachtoffer:
[benadeelde partij/slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2008 te [geboorteplaats 2] .
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in 77a, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde daarvan te begeleiden.
Bepaalt dat de vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling van 130 dagen jeugddetentie (parketnummer 10.348937.24) wordt afgewezen.
Bepaalt dat de proeftijd van de voorwaardelijke veroordeling (parketnummer 10.348937.24) wordt verlengd met één (1) jaar, met als toevoeging naast de al eerder opgelegde algemene en bijzondere voorwaarden de extra bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:
- meewerkt aan de begeleiding en zich houdt aan de huisregels van [instelling] , wat ook inhoudt dat er onverwachte fouilleringen, tassen- en kamercontroles uitgevoerd mogen worden;
Onttrekt aan het verkeer:
Gelast teruggave aan verdachte van:
1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2025077166-G6661890)
Benadeelde partij [benadeelde partij/slachtoffer]
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling van
€ 1.234,83, (zegge: duizend tweehonderd vierendertig euro en drieëntachtig cent), bestaande uit
€ 535,50 aan immateriële schade en € 699,33 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 22 maart 2025, tot aan de dag van algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij/slachtoffer] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij/slachtoffer] ter hoogte van € 1.234,83, (zegge: duizend tweehonderd vierendertig euro en drieëntachtig cent). Voormeld bedrag bestaat aan materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan, te weten op 22 maart 2025, tot aan de dag van algehele voldoening, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij/slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Benadeelde partij [naam 5]
Bepaalt dat de benadeelde partij [naam 5] niet-ontvankelijk is in zijn vordering tot vergoeding van de materiële en immateriële schade.
Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.P. Bleeker, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. C.F. de Lemos Benvindo en A. van Luijck, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.M. Elsman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 februari 2026.
[--]