RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Team Familie & Jeugd
Parketnummers: 13.091410.23 (zaak A), 13.287180.24 (zaak B), 13.122834.24 (zaak C) en 13.268702.24 (zaak D)
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging: 13.034788.22
Datum uitspraak: 30 maart 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,
wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [detentieadres] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 16 maart 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, ter zitting gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B, zaak C en zaak D aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.A. van Veen en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. I.J.M. de Wit naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [naam 2] en [naam 3] , namens de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: WSS), [naam 4] , namens de Reclassering Nederland (hierna: reclassering) en de moeder van de verdachte naar voren is gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door mr. S.M. Diekstra als advocaat namens de benadeelde partij [benadeelde partij 1] (in zaak C) en door mr. A.D. Kupelian als advocaat namens de benadeelde partij [benadeelde partij 2] (in zaak D) naar voren is gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
Zaak A
het in voorraad hebben van nagemaakt/vervalst geld, waarvan de valsheid/vervalsing hem, toen hij deze ontving, bekend was, met het oogmerk om het als echt en onvervalst uit te geven op 11 april 2023 te Amsterdam;
Zaak B
het voorhanden hebben van een wapen van categorie II onder 1, te weten een semiautomatisch pistool, van het merk Heckler & Koch, type model P30, kaliber 9mm op 25 februari 2024, althans in de periode 25 februari 2024 tot en met 9 april 2024 te Amsterdam;
Zaak C
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
primair:
het medeplegen van poging tot doodslag van [benadeelde partij 1] op 8 april 2024 te Amsterdam door meermalen, althans eenmaal (terwijl voornoemde [benadeelde partij 1] in de foetus houding op de grond ligt) (met geschoeide voet) in/tegen het gezicht/hoofd te trappen/schoppen;
subsidiair als:
het medeplegen van poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij 1] op 8 april 2024 te Amsterdam door meermalen, althans eenmaal (terwijl voornoemde [benadeelde partij 1] in de foetus houding op de grond ligt) (met geschoeide voet) in/tegen het gezicht/hoofd te trappen/schoppen;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
openlijke geweldpleging op 8 april 2024 tegen [benadeelde partij 1] door voornoemde [benadeelde partij 1] meermalen, althans eenmaal- bij de kraag en/of de capuchon vast te pakken en/of- (vervolgens naar de grond te brengen en/of- (vervolgens) (terwijl voornoemde [benadeelde partij 1] in de foetus houding op de grond ligt) (met geschoeide voet) in/tegen het gezicht/hoofd en/of afwerende armen en/of handen te trappen/schoppen, althans tegen het lichaam en/of - (vervolgens) (terwijl voornoemde [benadeelde partij 1] in de foetus houding op de grond ligt) in/tegen het gezicht/hoofd en/of afwerende armen en/of handen te slaan, althans tegen het lichaam;
Zaak D
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
primair:
poging tot doodslag van [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of meer omstanders op 17 augustus 2024 te Amsterdam door op een of meermalen met een vuurwapen op korte afstand en/of in de nabijheid van die [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of een of meer omstanders- richting die [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of een of meer omstanders en/of- richting en/of in/op de grond
te schieten;
subsidiair als:
zware mishandeling van [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] op 17 augustus 2024 te Amsterdam door een of meer schotverwondingen toe te brengen door een of meermalen met een vuurwapen op korte afstand en/of in de nabijheid van die [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] richting die [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of richting en/of in/op de grond te schieten, waarbij- die [benadeelde partij 2] in het been en/of de voet, althans in/aan het lichaam is geraakt en/of- die [benadeelde partij 3] in de heup, althans in/aan het lichaam is geraakt;
meer subsidiair als:
poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of meer omstanders op 17 augustus 2024 te Amsterdam door op een of meermalen met een vuurwapen op korte afstand en/of in de nabijheid van die [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of een of meer omstanders- richting die [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of een of meer omstanders en/of- richting en/of in/op de grond
te schieten.
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
het voorhanden hebben van een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (kaliber 9mm) op 17 augustus 2024 te Amsterdam.
De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en gelden als hier ingevoegd.
3. Voorvragen
De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Zaak A
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van het in voorraad hebben van nagemaakt/vervalst geld, waarvan de valsheid/vervalsing de verdachte, toen hij deze ontving, bekend was, met het oogmerk om het als echt en onvervalst uit te geven op 11 april 2023 te Amsterdam. De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het feit wettig en overtuigend is bewezen.
De verdachte heeft verklaard dat hij het vervalste geld bij zich hield om stoer te doen voor zijn vrienden, maar dat hij niet van plan was deze biljetten daadwerkelijk uit te geven als echt en onvervalst. De rechtbank schuift deze verklaring van de verdachte ter zijde. De verdachte wist op het moment dat hij de biljetten voorhanden kreeg, dat het om vals geld ging. Het betrof een aanzienlijke hoeveelheid, die hij naar eigen zeggen in een doos, verpakt in een andere doos, in een kast op zijn slaapkamer had verborgen. Zowel deze wijze van verstoppen (een doos in een doos) als het aantal en soort van deze valse bankbiljetten geven aan dat verdachte geen ander doel moet hebben gehad dan dit geld op enig moment uit te geven. Daarbij komt dat in het algemeen een ander gebruik van valse bankbiljetten dan deze als echt en onvervalst uit te geven dan wel te doen uitgeven zich naar het oordeel van de rechtbank moeilijk laat indenken.
Zaak B
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het wapen in de periode 25 februari tot 9 april 2024 in Amsterdam voorhanden heeft gehad. Het DNA van de verdachte is op het wapen aangetroffen, de telefoon van de verdachte was op de plaats delict op 25 februari 2024 en de verdachte is op de beelden van gebeurtenissen op de plaats delict op 25 februari 2024 herkend.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Er kan op basis van het dossier niet onomstotelijk worden vastgesteld dat de verdachte geholpen heeft met het doorladen van het wapen op 25 februari 2024 en dat hij dus het vuurwapen voorhanden heeft gehad. Ook kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die het wapen op 8 april 2024, vlak voor zijn aanhouding op de [straat 1] , daar heeft achtergelaten. Het wapen is niet onderzocht op DNA van de medeverdachten die samen met de verdachte op 8 april 2024 op de Amsteldijk werden aangehouden. Er kan hierdoor niet uitgesloten worden dat een van de medeverdachten het wapen onder zich heeft gehad.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een vuurwapen in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie allereerst vereist is dat de verdachte het wapen bewust aanwezig heeft gehad. Die bewustheid hoeft zich niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of tot de exacte locatie van dat wapen. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Verder is voor de bewezenverklaring van dat voorhanden hebben nodig dat de verdachte feitelijke macht over het wapen heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken.
De rechtbank stelt vast dat op 25 februari 2024 op de Rhôneweg in Amsterdam is geschoten. Hierbij is een persoon zwaargewond geraakt. Deze persoon is later in het ziekenhuis aan zijn verwondingen overleden. De verdachte is op camerabeelden, van gebeurtenissen voorafgaand aan het schietincident, herkend. De verdachte staat samen met een groepje mensen bij een voertuig op de Basisweg. Dat de verdachte daar die avond was, wordt ondersteund door de telefoongegevens van de verdachte. Ook wordt zijn aanwezigheid bevestigd door de vriendin van de verdachte, [vriendin verdachte] , die daar samen met de verdachte was. Er is te zien dat de verdachte samen met [naam 5] , die is veroordeeld voor het later op die avond schieten op de inmiddels overleden persoon, achter een voertuig staat. Doordat het voertuig het zicht belemmert, is niet te zien wat er precies gebeurt. Op basis van de door de politie waargenomen bewegingen van de verdachte, lijkt het erop dat hij [naam 5] helpt met het doorladen van een vuurwapen. Gezien wordt dat [naam 5] slechts ongeveer twee minuten later, in de nabijheid van andere personen waaronder de verdachte, een vuurwapen richt op de bovengelegen snelweg A5. Dat daar op die avond en op dat moment een vuurwapen aanwezig was, wordt bevestigd door de getuige [getuige 1] die ook onderdeel uitmaakte van de groep personen daar aanwezig.
Op 9 april 2024 wordt vervolgens op de [straat 1] een vuurwapen gevonden. Gelet op de conclusie van het onderzoek van het NFI stelt de rechtbank vast dat met dit vuurwapen is geschoten op 25 februari 2024 op de persoon die als gevolg daarvan is overleden. Dit vuurwapen is verder onderzocht en uit dit onderzoek is gebleken dat op de loop een DNA-hoofdprofiel van de verdachte is aangetroffen. Ook is verdachtes DNA aangetroffen op de binnenzijde van de slede en op de buitenkant van de randen van de pistoolkast en de bergpal.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte op 25 februari 2024 het vuurwapen voorhanden heeft gehad. Uit de camerabeelden en het DNA-spoor van de verdachte op het vuurwapen kan worden afgeleid dat de verdachte het vuurwapen bewust aanwezig heeft gehad en daarover ook beschikkingsmacht heeft gehad. De rechtbank gaat voorbij aan de suggestie van de verdediging dat het DNA op het vuurwapen terecht zou kunnen zijn gekomen door secundaire overdracht, nu deze suggestie niet nader is onderbouwd. De rechtbank acht dit gelet op de voornoemde omstandigheden overigens onwaarschijnlijk.
Het enkele feit dat verdachte één dag voor het aantreffen van het wapen, namelijk op 8 april 2024, in de omgeving van de vindplaats van het vuurwapen is aangehouden is, – hoewel opmerkelijk – onvoldoende om te concluderen dat de verdachte het vuurwapen tot 8 april 2024 voorhanden heeft gehad. De rechtbank beperkt zich derhalve tot een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van het vuurwapen op 25 februari 2024.
Zaak C
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde medeplegen van de poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft geweld gebruikt. Op basis van de aangifte en de verklaring van de anonieme getuige blijkt dat er door anderen ook geweld is gebruikt. Een anonieme getuige verklaart dat de aangever door 4 à 5 personen werd geschopt en geslagen. Het is van ondergeschikt belang of de verdachte daadwerkelijk tegen het hoofd heeft getrapt nu het om geweld in vereniging gaat. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een vitaal lichaamsdeel is en dat bij het schoppen tegen het hoofd (op zijn minst) zwaar lichamelijk letsel kan optreden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde. De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de aangever tegen het hoofd is geschopt, dat de verdachte zich als (mede)pleger schuldig heeft gemaakt aan het schoppen tegen het hoofd van de aangever en dat de verdachte opzet heeft gehad op diens dood en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ook zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het subsidiair ten laste gelegde. De rechtbank kan op basis van de bewijsmiddelen niet vaststellen dat het de verdachte is geweest die de aangever tegen het hoofd heeft geschopt. Evenmin kan de rechtbank vaststellen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het schoppen tegen het hoofd, zodat niet kan worden gesproken van het medeplegen van een poging tot doodslag of poging tot zware mishandeling.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De verdachte heeft volgens de officier van justitie in vereniging en in het openbaar geweld gebruikt.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. De raadsvrouw stelt zich allereerst op het standpunt dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor het derde en vierde gedachtestreepje, te weten het schoppen en het slaan tegen het hoofd/lichaam. Hoewel de verdachte bekend heeft dat hij de aangever bij zijn capuchon heeft gepakt en hem twee tikken op zijn arm heeft gegeven, bevat het dossier onvoldoende bevindingen waaruit volgt dat één van de overige betrokkenen een bijdrage heeft geleverd aan het vastpakken van de capuchon en het ten val komen van de aangever.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de onder 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging wettig en overtuigend kan worden bewezen en overweegt ten aanzien hiervan als volgt.
De rechtbank leidt uit het dossier af dat er op 8 april 2024 geweld heeft plaatsgevonden gericht tegen aangever [benadeelde partij 1] . De aangever is hierbij gewond geraakt aan zijn (voor- en achter)hoofd, oor, schouder, knieën en armen.
De rechtbank stelt vast dat de aangever is aangevallen door een groep jongens. De aangever heeft in zijn aangifte verklaard dat hij, toen hij terug rende naar zijn auto, door vier jongens werd achtervolgd en vervolgens door één van deze vier jongens naar de grond werd gewerkt. Toen hij op de grond lag heeft hij een foetushouding aangenomen en zichzelf beschermd door zijn armen om zijn hoofd te vouwen. Hierdoor kon hij niets zien. Terwijl hij op de grond lag, voelde de aangever dat hij op zijn hoofd werd getrapt. Vervolgens voelde de aangever dat hij door verschillende mensen meerdere keren werd geschopt en geslagen. De aangifte van de aangever wordt ondersteund door een anonieme getuige, want ook zij verklaart dat zij gezien heeft dat de aangever werd aangevallen door drie of vier jongens. Zij geeft aan dat de personen om de aangever heen aan het slaan en schoppen waren. In een latere verklaring bij de rechter-commissaris geeft deze anonieme getuige aan dat het om vier of vijf personen ging. Hoewel deze getuige niet kan onderscheiden wie wat heeft gedaan, geeft zij aan dat ze allemaal geschopt en geslagen hebben. Ze geeft aan dat er niemand tussen zat die alleen maar toekeek.
Hoewel niet precies vastgesteld kan worden wie welke geweldshandeling heeft verricht, staat wel vast dat de verdachte geweld heeft gebruikt. De verdachte heeft bekend dat hij de aangever bij zijn capuchon heeft gepakt waardoor de aangever viel. Ook heeft de verdachte bekend dat hij de aangever twee tikken op zijn arm heeft gegeven. De verdachte heeft hiermee een significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan het ten laste gelegde openlijk gepleegde geweld.
Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen van al het onder de vier gedachtestreepjes ten laste gelegde geweld. Zowel de aangever als de anonieme getuige hebben verklaard dat de aangever, terwijl hij op de grond lag, geschopt en geslagen is door de groep jongens waarvan de verdachte deel uitmaakte.
Zaak D
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. De verdachte heeft op slechts enkele meters afstand van meerdere personen met een vuurwapen geschoten. De kogel heeft daarbij twee mensen verwond. Door dit te doen heeft de verdachte de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat de kogel een slagader of andere vitale delen van het lichaam zou treffen ten gevolge waarvan de slachtoffers hadden kunnen overlijden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Het dossier bevat onvoldoende bewijs om vast te kunnen stellen dat de verdachte opzet had op de dood, ook niet in voorwaardelijke zin. De verdachte probeerde met het wapen enkel af te schrikken. Daarnaast blijkt uit het dossier dat de verdachte niet op [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2] ) en/of [benadeelde partij 3] (hierna: [benadeelde partij 3] ) heeft gericht. Ook is de raadsvrouw van mening dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] . De raadsvrouw heeft geen opmerkingen met betrekking tot het bewijs van het meer subsidiair tenlastegelegde, te weten de poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of meer omstanders.
Het oordeel van de rechtbank
Inleiding
Uit het dossier blijkt dat de verdachte en zijn vriendin al langer een conflict hebben met de ex-vriendin van de verdachte en aan haar gerelateerde personen. Op 17 augustus 2024 ging het conflict over het al dan niet betalen van de door de verdachte aangerichte schade aan de telefoon van de ex-vriendin. Die dag vond er in de middag voor het huis van de moeder van de verdachte op de [adres] in [geboorteplaats] een confrontatie plaats. Deze confrontatie mondde uit in een vechtpartij waarbij meerdere personen zowel van de kant van de verdachte als van de kant van de ex-vriendin van de verdachte betrokken waren. De rechtbank stelt vast dat de verdachte tijdens deze vechtpartij eenmalig met een vuurwapen heeft geschoten. De verdachte heeft dit ook bekend.
Schietrichting
Het dossier bevat tegenstrijdige verklaringen over de schietrichting van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij richting de grond schoot om af te schrikken en dat hij daarbij niemand wilde raken. De verdachte heeft verklaard dat hij het schot heeft gelost nadat [benadeelde partij 3] met een koevoet in zijn handen op hem afrende. Eerst ter zitting verklaarde de verdachte dat het wapen, toen hij daarmee schoot, een terugslag kreeg, waardoor zijn hand omhoog ging tijdens het schieten. De verklaring van de verdachte dat hij naar de grond schoot wordt ondersteund door de verklaringen van [naam 6] en [benadeelde partij 2] .
De aangevers [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2] zijn door het schot van de verdachte gewond geraakt. Uit de letselverklaring van [benadeelde partij 3] blijkt dat hij op zijn linker heup/bil een in- en uitschotverwonding heeft. [benadeelde partij 2] is geraakt op haar onderbeen; de kogel moest operatief worden verwijderd. Uit onderzoek van het NFI naar de operatief verwijderde kogel blijkt dat de kogel zeker niet eerst op de straat gericocheerd is en daarna het slachtoffer [benadeelde partij 2] heeft geperforeerd. De aangever [benadeelde partij 3] verklaart dat de verdachte het wapen op hem richtte.
De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat het niet anders kan dan dat, ondanks de andersluidende verklaringen van de verdachte, [naam 6] en [benadeelde partij 2] , de verdachte in de richting van [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en omstanders heeft geschoten en hen daarbij ook daadwerkelijk heeft geraakt.
Ook blijkt uit het dossier dat de verdachte in de richting van andere (een of meer) omstanders heeft geschoten. Getuige [getuige 2] heeft gezien dat de verdachte een vuurwapen trok en deze naar voren/de straat in richtte. Anders dan de raadsvrouw ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de getuige [getuige 2] ; waar de getuige woonachtig is, is voor de waarde van de verklaring van de getuige niet relevant. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het verweer van de raadsvrouw op dit punt.
Poging tot doodslag?
De rechtbank stelt voorop dat voor een poging tot doodslag moet worden vastgesteld dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dood zou intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.
Door met een wapen op zeer korte afstand in de richting van personen te schieten, heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangevers of omstanders daarbij dodelijk letsel zouden oplopen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat ook bij één enkel schot met een wapen de kans bestaat dat de dood intreedt vanwege het risico dat een kogel in één van de vitale delen van het lichaam belandt. Daarbij overweegt de rechtbank dat de verdachte de aangever [benadeelde partij 3] op zijn heup/bil heeft geraakt. Daarmee heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat in de buurt liggende (slag)aderen zouden zijn geraakt, waardoor bloedingen hadden kunnen ontstaan die tot de dood hadden kunnen leiden.
Dat de verdachte heeft verklaard dat hij richting de grond schoot om af te willen schrikken en daarbij niemand heeft willen raken, en dus geen (voorwaardelijk) opzet had op de dood, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Ook al zou de verdachte daadwerkelijk bedoeld hebben om naar de grond te schieten, dan nog heeft hij door in de zeer dichte nabijheid van meerdere personen met een vuurwapen te schieten welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij daarmee omstanders dodelijk zou raken.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van het voorhanden hebben van een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (kaliber 9mm) op 17 augustus 2024 te Amsterdam. De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het feit wettig en overtuigend is bewezen, omdat verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in vervatte bewijsmiddelen bewezen dat
Zaak A
hij op 11 april 2023 te Amsterdam, opzettelijk bankbiljet(ten) van 50 euro en bankbiljet(ten) van 100 euro en bankbiljet(ten) van 200 euro en bankbiljet(ten) van 500 euro, waarvan de valsheid en/of vervalsing hem, toen hij deze ontving bekend was, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad;
Zaak B
hij op 25 februari 2024 te Amsterdam een wapen van categorie II, onder 1, te weten een semiautomatisch pistool, van het merk Heckler&Koch, type model P30, kaliber 9mm zijnde een vuurwapen voorhanden heeft gehad;
Zaak C
hij op 8 april 2024 te Amsterdam, openlijk, te weten op de [straat 2] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde partij 1] door voornoemde [benadeelde partij 1] eenmaal
- bij de capuchon vast te pakken en
- ( vervolgens) naar de grond te brengen en
- ( vervolgens) (terwijl voornoemde [benadeelde partij 1] in de foetus houding op de grond ligt) (met geschoeide voet) tegen het hoofd en afwerende armen en te trappen/schoppen en
- ( vervolgens) (terwijl voornoemde [benadeelde partij 1] in de foetus houding op de grond ligt) tegen hoofd en afwerende armen te slaan;
Zaak D
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
hij op 17 augustus 2024 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] en omstanders opzettelijk van het leven te beroven, met een
vuurwapen op korte afstand en in de nabijheid van die [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] en omstanders
richting die [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] en omstanders heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
hij op 17 augustus 2024 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (kaliber 9mm), zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6. Bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezen geachte heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
7. Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar.
Zaak D
Noodweer?
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat er sprake is van noodweer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), waardoor ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen. De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en dat het handelen van de verdachte geboden was door de noodzakelijke verdediging van zijn of eens anders lijf. De verdachte kreeg een kopstoot van [naam 7] , waarna een vechtpartij ontstond, de vriend van de verdachte [naam 6] werd in een nekklem gehouden door [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 3] kwam op de verdachte afrennen met een koevoet in zijn hand en de moeder van de verdachte kreeg ook klappen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie voert aan dat van noodweer geen sprake is.
Het oordeel van de rechtbank
Voor een geslaagd beroep op noodweer moet worden vastgesteld dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Bij de beoordeling daarvan komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval. Van belang bij deze beoordeling zijn de vragen of de verdachte zich had moeten en kunnen onttrekken aan de situatie en ook of dit van de verdachte kon worden gevergd. Ook moet het verdedigingsmiddel in redelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding. Een beroep op noodweer kan in ieder geval niet worden aanvaard als de gedraging van degene die zich daarop beroept, gelet op zijn bedoeling of gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging, niet kan worden aangemerkt als “verdediging”, maar juist als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op de confrontatie of deelneming aan een gevecht.
De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat van noodweer geen sprake is. Door de gedragingen van de aangever was weliswaar sprake van onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachtes lijf, maar de daarop volgende handelingen van de verdachte kunnen, gelet op diens bedoeling en de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedrag, niet worden aangemerkt als verdedigingshandelingen. Zijn handelingen moeten – naar de kern bezien – als aanvallend worden aangemerkt. Uit het dossier volgt immers dat de verdachte het wapen, met de kogels daar al in, al in zijn handen had vóórdat [benadeelde partij 3] de koevoet in handen had gekregen en daarmee op de verdachte zou zijn afgestormd. Bovendien is voldoende aannemelijk dat de verdachte zich aan de situatie had kunnen onttrekken. De vriendin van de verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard toen haar werd gevraagd over de afstand tussen de jongen met de koevoet en [voornaam verdachte] dat ‘ [voornaam verdachte] eerste even wachtte’ en toen haar werd gevraagd of de verdachte verder weg had kunnen rennen of dat er dingen in de weg stonden dat ‘hij wel gewoon verder kon rennen en verschillende kanten op kon rennen’. Ook uit de verklaring van de verdachte zelf maakt de rechtbank niet op dat hij geen mogelijkheid had om zich aan de situatie te onttrekken. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat het verdedigingsmiddel, namelijk het schieten met een vuurwapen, niet in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding.
Het beroep op noodweer ten aanzien zaak D wordt daarom verworpen.
Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
8. Strafbaarheid van verdachte
Zaak D
De verdediging heeft voorts een beroep gedaan op noodweerexces. Zoals onder rubriek 7 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt. Het beroep op noodweerexces wordt verworpen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
9. Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie ziet aanleiding om in zaak D het jeugdstrafrecht toe te passen. De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd om aan de verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van twee jaar, met aftrek van de termijn die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De officier van justitie vordert vervolgens om de jeugddetentie om te zetten in een gevangenisstraf. Verder vordert de officier van justitie een contactverbod met [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2] op grond van artikel 38v Sr voor de duur van 2 jaar, met toepassing van vervangende hechtenis van 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De officier van justitie heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw verzoekt om het jeugdstrafrecht toe te passen voor wat betreft zaak D. De raadsvrouw heeft de rechtbank verder gewezen op het feit dat de redelijke termijn is overschreden met 11 maanden in zaak A. De raadsvrouw verzoekt om een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen conform het voorarrest, met een voorwaardelijk deel met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, al dan niet gecombineerd met een taakstraf. De raadsvrouw verzoekt om geen contactverbod op te leggen met [naam 6] , nu hij niet voor de zaken waarin hij als medeverdachte werd aangemerkt, vervolgd is.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf laat de rechtbank zich leiden door de persoon van de verdachte zoals die naar voren komt in de nagenoemde rapportages en hetgeen de deskundigen ter zitting hebben verklaard, alsmede door de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verschillende, zeer ernstige feiten. In chronologische volgorde is er bij de verdachte op 11 april 2023 in zijn slaapkamer een grote hoeveelheid vals geld aangetroffen. Het in bezit hebben van valse bankbiljetten schaadt het vertrouwen dat door de samenleving in geld moet kunnen worden gesteld.
Daarnaast heeft de verdachte op 25 februari 2024 een echt vuurwapen voorhanden gehad. De verdachte heeft hierdoor een bijdrage geleverd aan het ongecontroleerde bezit van wapens. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en leidt ook tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Hoewel de verdachte hiervoor verder niet verantwoordelijk wordt gehouden, is met dit specifieke wapen ook daadwerkelijk een persoon doodgeschoten.
Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het openlijk plegen van geweld tegen [benadeelde partij 1] op 8 april 2024. Op klaarlichte dag is er door de verdachte en zijn medeverdachten grof en totaal zinloos geweld gebruikt, waardoor [benadeelde partij 1] letsel heeft opgelopen. Het is juist dit soort zinloos geweld, dat niet alleen bij het slachtoffer, maar in de samenleving als geheel gevoelens van angst en onveiligheid oproept.
Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2] en andere omstanders op 17 augustus 2024. De verdachte heeft op klaarlichte dag in de richting van verschillende personen een schot gelost, als gevolg waarvan [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2] gewond zijn geraakt. [benadeelde partij 3] is in zijn heup/bil geraakt en [benadeelde partij 2] in haar been. De rechtbank vindt dat de verdachte met zijn handelen op grove wijze inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangevers. Dat de gevolgen voor de aangevers niet ernstiger zijn, is een omstandigheid die niet aan de verdachte te danken is. Bovendien maken dergelijke strafbare feiten een grote inbreuk op de rechtsorde en brengen deze in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid teweeg, nu het geweld en het schieten op een openbare plek plaatsvond. Het dragen van een wapen en het schieten daarmee is volstrekt ontoelaatbaar vanwege de grote risico’s.
Persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 6 maart 2026 waaruit blijkt dat de verdachte al eerder veroordeeld is voor ernstige misdrijven. Dit weegt de rechtbank in zijn nadeel mee.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de rapportages van die over de verdachte zijn opgemaakt, waaronder:
De Raad heeft voor de zitting te kennen gegeven geen capaciteit te hebben om een adviesrapport uit te brengen ten behoeve van de inhoudelijke behandeling en heeft ter zitting geadviseerd.
De psycholoog heeft bij de verdachte geen psychische stoornis en/of verstandelijke handicap vastgesteld, waardoor er geen gedragskundige gronden zijn om te spreken van verminderde toerekeningsvatbaarheid. De psycholoog heeft naar voren gebracht dat er meer argumenten zijn die pleiten voor dan tegen het toepassen van jeugdstrafrecht. Hoewel de verdachte een leeftijdsconforme indruk maakt, imponeert hij qua leeftijdsontwikkeling nog enigszins onrijp. De verdachte lijkt niet altijd goed in staat om de risico’s van zijn handelen in te schatten. Ten aanzien van de pedagogische beïnvloeding geeft de psycholoog aan dat de verdachte nog thuiswonend was en ingebed in een gezinssysteem, waarbij de moeder en de broer hem enige sturing geven. Hoewel de psycholoog twijfels heeft over de pedagogische mogelijkheden en noodzaak, heeft de psycholoog destijds gesteld dat niet uitgesloten werd dat een pedagogische aansturing de vruchten kan afwerpen.
De reclassering heeft in het rapport ten behoeve van de pro-forma in 2025 aangegeven dat zij zich kan vinden in het advies van de psycholoog waarin gesteld wordt dat er meer argumenten zijn die pleiten voor het toepassen van het jeugdstrafrecht. De reclassering heeft in het recente rapport ten behoeve van de inhoudelijke behandeling aangegeven dat zij niet kunnen adviseren over of toepassing van het jeugdstrafrecht passend is. De reclassering vindt het in ieder geval onwenselijk als de verdachte in een justitiële jeugdinrichting geplaatst wordt. De reclassering ziet hierin risico’s op negatieve beïnvloeding van anderen en een groepsgericht leefklimaat is niet nodig. Volgens de reclassering sluit het volwassenenstrafrecht op dit moment beter aan bij de verdachte, vanwege verdachtes handelingsvaardigheden, de mogelijkheden tot pedagogische beïnvloeding en de vermoedens van een criminele leefstijl. Indien er een bij een veroordeling sprake is van een deels voorwaardelijke straf, adviseert de reclassering om bijzondere voorwaarden op te leggen.
De WSS heeft zich onthouden van een advies, maar mocht het jeugdstrafrecht toegepast worden dan ziet de WSS mogelijkheden om ‘Straatkracht’ in te zetten.
De Raad heeft naar voren gebracht dat toezicht van de WSS op dit moment niet meer passend is en dat dit toezicht in het geheel moet worden overgenomen door Reclassering Nederland. De Raad sluit zich voor het overige aan bij het advies van de reclassering.
Toepassing van het jeugdstrafrecht De verdachte was ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde in zaak D achttien jaar oud en dus meerderjarig. Ten aanzien van een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het begaan van strafbare feit meerderjarig is, maar nog niet de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt, kan op grond van artikel 77c Sr het adolescentenstrafrecht worden toegepast als omstandigheden gelegen in de persoon van de verdachte of omstandigheden waaronder het feit is begaan daartoe aanleiding geven.
De rechtbank zal, ondanks het recente advies van de reclassering, toepassing geven aan het jeugdstrafrecht in zaak D. Uit zowel het advies van de psycholoog als de reclassering, die beiden kort na het plegen van het delict zijn opgemaakt, volgt dat er meer argumenten zijn die pleiten voor dan tegen het toepassen van het jeugdstrafrecht. Er werd door de psycholoog destijds gezien dat de verdachte, hoewel hij een leeftijdsconforme indruk maakte, qua leeftijdsontwikkeling nog enigszins onrijp was. De verdachte was in ieder geval destijds niet altijd goed in staat om de risico’s van zijn handelen in de schatten. De rechtbank ziet in de persoonlijkheid van de verdachte in de periode, vlak na het plegen van het delict, grond voor toepassing van het adolescentenstrafrecht. Daarbij betrekt de rechtbank dat de verdachte ten tijde van het plegen van het delict nog maar net, namelijk iets meer dan een maand, meerderjarig was. Dat de situatie inmiddels gewijzigd is, zoals blijkt uit het recente advies van de reclassering, maakt dit oordeel van de rechtbank niet anders. Het is immers niet een omstandigheid die aan de verdachte te wijten is dat de zaak pas ruim anderhalf jaar later inhoudelijk wordt behandeld.
Straf
De rechtbank ziet in alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding om bij de straftoemeting in het voordeel van de verdachte af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd, in de eerste plaats omdat de rechtbank de verdachte vrijspreekt van de poging tot doodslag op [benadeelde partij 1] op 8 april 2024. Ook houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn voor afdoening van jeugdzaken in de zaken A, B en C.
Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft begaan en gelet op de persoonlijke ontwikkeling van de verdachte, zoals hiervoor beschreven, oordeelt de rechtbank dat een jeugddetentie voor de duur van 18 maanden passend en geboden is. De tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht dient bij de tenuitvoerlegging van de straf in mindering te worden gebracht. De rechtbank ziet – mede gelet op het advies van de reclassering – aanleiding om de tenuitvoerlegging van de straf in een gevangenis te laten plaatsvinden in plaats van in een justitiële jeugdinrichting. De verdachte zit op dit moment immers in het kader van een andere strafzaak een aantal maanden preventief gehecht in een gevangenis. Een groepsgericht leefklimaat, zoals dat in een justitiële jeugdinrichting is ingericht, past op dit moment niet meer bij de verdachte. De rechtbank ziet geen aanleiding om op grond van artikel 38v Sr een contactverbod op te leggen, zoals door de officier van justitie is gevorderd.
10. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
Bij de stukken in Zaak C bevindt zich de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13.034788.22 betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 13 mei 2022 van de meervoudige strafkamer in deze rechtbank. Bij dat vonnis is aan de verdachte een jeugddetentie van 8 maanden opgelegd, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of voor het einde van de proeftijd één van de gestelde bijzondere voorwaarden heeft overtreden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting de vordering gehandhaafd. De officier van justitie heeft verzocht de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf om te zetten in een gevangenisstraf.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gelet op de door de verdediging bepleite integrale vrijspraak in de zaak met parketnummer 13.122834.24 verzocht om te vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling af te wijzen.
Het oordeel van de rechtbank
Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf te gelasten. De verdachte heeft eerder een kans gehad toen aan hem een voorwaardelijke straf werd opgelegd en heeft deze niet gegrepen. Hij moet de consequenties van zijn daden dan ook nu ervaren. De rechtbank ziet verder aanleiding om de voorwaardelijk opgelegde 5 maanden jeugddetentie om te zetten in een gevangenisstraf, zodat de straf ten uitvoer wordt gelegd in een penitentiaire inrichting in plaats van een justitiële jeugdinrichting. Zoals hiervoor overwogen past een groepsgericht leefklimaat, zoals dat in een justitiële jeugdinrichting is ingericht, op dit moment niet meer bij de verdachte.
11. Beslag
Onder de verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:
Zaak C
1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2024082172-G6487104, Zwart, merk: Apple);
Zaak D
1 STK Munitie (Omschrijving: PROJECTIEL).
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het telefoontoestel aan de verdachte kan worden teruggegeven en de munitie moet worden onttrokken aan het verkeer.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om het telefoontoestel aan de verdachte terug te geven.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal teruggave gelasten aan de beslagene (de verdachte) van het telefoontoestel, omdat niet is vastgesteld dat dit verband houdt met het strafbare feit waarvoor de verdachte wordt veroordeeld.
De rechtbank zal, conform het standpunt van de officier van justitie, de munitie onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit hiervan in strijd is met de wet of het algemeen belang, dan wel dat met behulp van dit voorwerp het bewezen geachte is begaan.
12. De benadeelde partijen
Zaak C
Benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 5.402,90 aan schadevergoeding, bestaande uit € 5.000,- aan immateriële schade en € 402,90 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de vordering toewijsbaar, met oplegging van de wettelijke rente, schadevergoedingsmaatregel en bijbehorende gijzeling.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de vordering primair af te wijzen of niet-ontvankelijk te verklaren, nu zij bepleit heeft om de verdachte vrij te spreken. Subsidiair verzoekt de verdediging de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien de behandeling een onevenredige belasting van het strafrecht met zich meebrengt. De vordering ten aanzien van het hersenonderzoek is volgens de verdediging geen rechtstreekse schade en de verdediging betwist de noodzaak van dit onderzoek. De verdediging verzoekt de vordering ten aanzien van de immateriële schade te matigen tot maximaal € 500,-.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst hoofdelijk een bedrag van € 2.902,90 (zegge: tweeduizend negenhonderd twee euro en negentig cent) toe, bestaande uit € 2.500,- aan immateriële schade en € 402,90 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 8 april 2024, tot aan de dag van algehele voldoening. De rechtbank overweegt als volgt.
Tegen de aangever [benadeelde partij 1] is openlijk geweld gepleegd. Terwijl [benadeelde partij 1] op de grond lag is er tegen zijn hoofd geschopt en geslagen. Aangever [benadeelde partij 1] heeft hieraan letsel overgehouden. Vaststaat dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. De vordering is betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schade billijk en toewijsbaar.
Ook staat vast dat de aangever een hersenonderzoek heeft laten uitvoeren als gevolg van het tegen hem gepleegde openlijke geweld. Anders dan de raadsvrouw, ziet de rechtbank dit als rechtstreekse schade. De rechtbank acht het bedrag van € 402,90 aan materiële schade derhalve toewijsbaar.
De rechtbank verklaart het overige deel van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk.
In het belang van [benadeelde partij 1] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Stafrecht aan verdachte opgelegd. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.
Zaak D
Benadeelde partij [benadeelde partij 3]
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 6.581,42 aan schadevergoeding, bestaande uit € 5.500,- aan immateriële schade, € 691,42 aan materiële schade en € 339,- aan proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de vordering wat betreft de € 291,42 aan ziektekosten, € 5.000,- aan immateriële schade en € 339,- aan proceskosten voor toewijzing vatbaar, met oplegging van de wettelijke rente, schadevergoedingsmaatregel en bijbehorende gijzeling. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om wat betreft de vordering ten aanzien van de kleding gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid. De overige gevorderde kosten dienen wat de officier van justitie betreft niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om de vordering ten aanzien van de kleding te matigen naar maximaal € 75,-, de vordering ten aanzien van de reiskosten naar maximaal € 25,- en de vordering ten aanzien van de immateriële schade te matigen naar € 2.000,-. De vordering wat betreft de proceskosten dienen te worden afgewezen, subsidiair niet-ontvankelijk te worden verklaard, aangezien de advocaat van de benadeelde partij geen toevoeging heeft aangevraagd, terwijl het slachtoffer hiervoor wel in aanmerking kwam.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst een bedrag van € 5.371,42 (zegge: vijfduizend driehonderd eenenzeventig euro en tweeënveertig cent) toe, bestaande uit € 5.000,- aan immateriële schade en € 371,42 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 17 augustus 2024, tot aan de dag van algehele voldoening.
De aangever [benadeelde partij 3] is door de verdachte in zijn heup/bil geraakt met een kogel. De aangever heeft hieraan schotwonden over gehouden. Het incident heeft ook psychische gevolgen voor de aangever. Vaststaat dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. De vordering is betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade billijk en toewijsbaar.
De materiële schade ten aanzien van het eigen risico van € 291,42 is voldoende onderbouwd en niet betwist. De vordering ten aanzien van de schade aan de kleding en de vergoeding voor de reis- en parkeerkosten zijn wel betwist. De rechtbank zal wat betreft die kosten gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en wijst derhalve € 50,- toe voor de schade aan de kleding en € 30,- voor de reis- en parkeerkosten.
Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 3] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 339,-. Dat de raadsman van de benadeelde partij mogelijk een toevoeging had kunnen aanvragen bij de Raad voor Rechtsbijstand, zoals door de raadsvrouw van de verdachte is aangevoerd, staat aan toekenning niet in de weg.
De rechtbank verklaart het overige deel van de vordering tot vergoeding van de schade niet-ontvankelijk.
In het belang van [benadeelde partij 3] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Stafrecht aan verdachte opgelegd. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.
Benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 7.358,- aan schadevergoeding, bestaande uit € 7.000,- aan immateriële schade en € 385,- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de vordering wat betreft de immateriële schade voor toewijzing vatbaar, met oplegging van de wettelijke rente, schadevergoedingsmaatregel en bijbehorende gijzeling. De vordering ten aanzien van de materiële schade dient niet-ontvankelijk te worden verklaard aangezien deze vordering niet is onderbouwd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de vordering ten aanzien van de immateriële schade te matigen tot maximaal € 2.000,-. De raadsvrouw heeft verder verzocht de vordering ten aanzien van de materiële schade af te wijzen, subsidiair niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien deze post niet is onderbouwd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst een bedrag van € 5.000,- (zegge: vijfduizend euro) toe, bestaande uit aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 17 augustus 2024, tot aan de dag van algehele voldoening.
De aangeefster [benadeelde partij 2] is door de verdachte in haar been geraakt door een kogel. De aangeefster heeft hieraan schotwonden over gehouden. Aan het incident heeft aangeefster ook psychische klachten overgehouden. Vaststaat dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. De vordering is betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade billijk en toewijsbaar.
De rechtbank bepaalt dat de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard aangezien de vordering onvoldoende is onderbouwd.
In het belang van [benadeelde partij 2] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Stafrecht aan verdachte opgelegd. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.
13. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 45, 77a, 77c, 77g, 77i, 77gg, 141, 209, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
14. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Spreekt de verdachte vrij van het in zaak C onder feit 1 (primair en subsidiair) ten laste gelegde.
Verklaart bewezen dat de verdachte het in zaak A, zaak B, zaak C onder feit 2 en zaak D onder feit 1 (primair) en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Zaak A
bankbiljetten waarvan de valsheid/vervalsing hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad hebben
Zaak B
handelen strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Zaak C
ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
Zaak D
ten aanzien van het onder feit 1 (primair) ten laste gelegde:
poging tot doodslag
ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde:
handelen strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 18 maanden.
Beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat gehele vrijheidsbenemende straf, te weten 18 maanden, ten uitvoer wordt gelegd in een gevangenis, in plaats van in een justitiële jeugdinrichting.
Gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een jeugddetentie voor de duur van 5 maanden, in de zaak met parketnummer 13.034788.22 onherroepelijk geworden vonnis van 13 mei 2022 van de meervoudige strafkamer in deze rechtbank en bepaalt dat deze jeugddetentie wordt omgezet in een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.
Gelast teruggave aan de verdachte van:
1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2024082172-G6487104, Zwart, merk: Apple)
Onttrekt aan het verkeer:
1 STK Munitie (Omschrijving: PROJECTIEL)
Benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling van € 2.902,90 (zegge: tweeduizend negenhonderd twee euro en negentig cent), bestaande uit € 2.500,- aan immateriële schade en € 402,90 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 8 april 2024, tot aan de dag van algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij 1] ter hoogte van
€ 2.902,90 (zegge: tweeduizend negenhonderd twee euro en negentig cent). Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade en materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan, te weten 8 april 2024, tot aan de dag van algehele voldoening, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling van € 5.371,42 (zegge: vijfduizend driehonderd eenenzeventig euro en tweeënveertig cent), bestaande uit € 5.000,- aan immateriële schade en € 371,42 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 17 augustus 2024, tot aan de dag van algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 339,-.
Legt aan de verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij 3] ter hoogte van € 5.371,42 (zegge: vijfduizend driehonderd eenenzeventig euro en tweeënveertig cent). Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade en materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan, te weten 17 augustus 2024, tot aan de dag van algehele voldoening, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 3] voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling van € 5.000,- (zegge: vijfduizend euro), bestaande uit aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 17 augustus 2024, tot aan de dag van algehele voldoening.
Legt aan de verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij 2] ter hoogte van € 5.000,- (zegge: vijfduizend euro), bestaande uit aan immateriële schade. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan, te weten 17 augustus 2024, tot aan de dag van algehele voldoening, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis in de zaken A, C en D.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.E. van Montfrans, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. K. Oldekamp-Bakker en W. Aardenburg, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.M. Elsman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 maart 2026.
[--]