ECLI:NL:RBAMS:2026:3210

ECLI:NL:RBAMS:2026:3210

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 24-03-2026
Datum publicatie 31-03-2026
Zaaknummer 13/258963-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing bij de ingang van een flatgebouw. Verdachte heeft dit gedaan omdat een klasgenoot verdachte had verteld dat er in die flat een jongen woonde die aan haar had gezeten en zij wilde hem duidelijk maken dat dit gedrag onacceptabel was.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Team Familie & Jeugd

Parketnummer: 13.258963.25 Parketnummer vordering tul: 13.265958.24

Datum uitspraak: 24 maart 2026

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2009,

wonende op het adres [adres] .

1. Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 maart 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.L.A. ter Veer en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. van Rooij, naar voren hebben gebracht.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door

mevrouw [naam ] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad),

mevrouw [naam] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA)

en door de moeder van verdachte naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1

hij op of omstreeks 15 februari 2025 te Zaandam, in elk geval in Nederland, tezamen

en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door

- een of meerdere stukken vuurwerk, enig explosief (middel) en/of een explosieve lading

voor de toegangsdeur van een pand gelegen aan de [plaats] aan te brengen en/of te plaatsen en/of (vervolgens)

- die/dat stuk(ken) vuurwerk, althans dat explosie(f)(v)(e) (middel) en/of die explosieve

lading tot ontploffing te brengen en/of laten brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemd pand en/of de in voornoemd pand aanwezige goederen en/of de omliggende/naastliggende woningen en/of panden in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor personen die zich op het moment van de ontploffing in de nabijheid en/of de (naastgelegen) omgeving van de plek waar de ontploffing plaatsvond

bevonden, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen die zich op het moment van de ontploffing in de nabijheid en/of de (naast gelegen) omgeving van de plek waar de ontploffing plaatsvond bevonden, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

2

op of omstreeks 15 februari 2025 te Zaandam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (een) wapen(s) van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten (een) vuurwerk-brandstofcombinatie (VBC)

zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft/hebben gehad.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

Levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

Verdachte wordt verweten dat hij door het teweegbrengen van die ontploffing levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen heeft veroorzaakt. De raadsman heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat er levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen is geweest.

Om in rechte zodanig gevaar als vaststaand te kunnen aannemen, is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar of dit gevaar voor zwaar lichamelijk letsel inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ten tijde van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest.

Uit het dossier blijkt dat de flat de [plaats] een flat betreft van 16 etages. Verdachte heeft om 23.50 uur het explosief voor de ingang van de flat aangestoken; een tijdstip waarop veel mensen thuis plegen te zijn en wellicht zelfs slapen. Zijn mededader stond op enige afstand te filmen. Op de camerabeelden is te zien dat er net voor en net na de explosie om 23.51 uur mensen te zien zijn in de buurt van de ingang. Uit het forensisch rapport (p.80) blijkt dat hoewel de brandschade beperkt is gebleven tot de buitenzijde van de flat, het niet kan worden uitgesloten dat de wasbenzine als gevolg van de explosiekracht in het gebouw, in de centrale hal achter de hoofdingang, terecht was gekomen en daar tot ontbranding was gekomen, met mogelijke brand- en rookontwikkeling tot gevolg. Personen die zich op dat moment of kort na de explosie in de centrale hal zouden hebben bevonden, hadden hierdoor in meer of mindere mate letsel kunnen oplopen.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat door de ontploffing ook levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was.

Eendaadse samenloop

De raadsman heeft aangevoerd dat er sprake is geweest van eendaadse samenloop bij feit 1 en 2.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is een belangrijke voorwaarde voor ééndaadse samenloop dat sprake is van een vergelijkbare strekking van de betrokken strafbepalingen die door de bewezenverklaarde gedragingen zijn overtreden. De wetgever heeft in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (feit 1) ervoor gekozen om het teweegbrengen van een ontploffing als concreet gevaarzettingsdelict strafbaar te stellen.

Het beschermd belang dan wel doelstelling van de wapenwetgeving zoals neergelegd in de Wet wapens en munitie (feit 2) is de beheersing van het legale wapenbezit en bestrijding van het illegale wapenbezit. Het verschil in strekking van deze artikelen brengt mee dat de bewezenverklaarde gedragingen niet één feit in de zin van artikel 55, eerste lid, Sr opleveren.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 15 februari 2025 te Zaandam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door

-een of meerdere stukken vuurwerk, enig explosief middel en een explosieve lading voor de toegangsdeur van een pand gelegen aan de [plaats] te plaatsen en vervolgens

-dat stuk vuurwerk tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen of gevaar voor lichamelijk letsel voor personen die zich op dat moment van de ontploffing in de nabijheid en de naastgelegen omgeving van de plek waar de ontploffing plaatsvond bevonden, te duchten was.

2.

op 15 februari 2025 te Zaandam tezamen, en in vereniging met een ander, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwerk-brandstofcombinatie (VBC) zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van ontploffing voorhanden hebben gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6. Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen, waarvan 90 uur voorwaardelijk, subsidiair 45 dagen vervangende jeugddetentie, met een proeftijd van twee jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich wat betreft de strafoplegging gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing bij de ingang van een flatgebouw. Verdachte heeft dit gedaan omdat een klasgenoot verdachte had verteld dat er in die flat een jongen woonde die aan haar had gezeten en zij wilde hem duidelijk maken dat dit gedrag onacceptabel was.

Explosies als de onderhavige hebben tot doel personen te intimideren en zijn tegenwoordig een groot maatschappelijk probleem. Niet alleen richten dergelijke explosies veel materiële schade aan, maar bovenal brengt dit soort explosies de veiligheid van de direct betrokkenen en van de bewoners in hetzelfde gebouw in gevaar. Daarnaast veroorzaken dit soort explosies gevoelens van angst en onveiligheid voor omwonenden en voor de samenleving in zijn geheel.

Naast het teweegbrengen van een ontploffing heeft verdachte samen met zijn mededader een explosief voorhanden gehad. Met dit explosief in een tas zijn ze samen naar Zaandam gereisd met het openbaar vervoer. Er had onderweg van alles kunnen gebeuren waardoor niet alleen zij zelf maar ook anderen (in de bus) in gevaar zijn gebracht. Ter zitting is gebleken dat verdachte hierover totaal niet heeft nagedacht. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zich in het geheel niet bewust lijkt te zijn geweest van de gevaren en de mogelijke gevolgen van zijn daden.

In het voordeel van verdachte laat de rechtbank meewegen dat verdachte ter zitting openheid van zaken heeft gegeven. Verdachte heeft deze feiten onder meer gepleegd omdat hij erbij wilde horen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatievan15 januari 2026 waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de rapportage van JBRA van 23 februari 2026 waaruit blijkt dat verdachte een goede ontwikkeling doormaakt, een vaste dagbesteding en een structurele vrijetijdsbesteding heeft. Verdachte is gemotiveerd voor zijn schoolgang en het werken aan zijn doelen binnen het hulpverleningstraject van [instelling] . De beschermende factoren in zijn leven verkleinen de kans op recidive. JBRA acht het opleggen van toezicht niet nodig omdat er door de voogdijmaatregel al sprake is van toezicht. Volgens JBRA is een taakstraf een passende straf.

De Raad heeft ter zitting uitgesproken dat zij het advies van JBRA passend vindt.

De straf

De weging van de hiervoor besproken omstandigheden en de aan de medeverdachte op te leggen straf leidt ertoe dat de rechtbank aan verdachte zal opleggen een werkstraf van 180 uren, waarvan 90 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van de tijd dat hij in voorarrest heeft gezeten.

9. Ten aanzien van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij/slachtoffer] vordert € 2.600, - vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade aan materiële schadevergoeding voor het plaatsen van een alarmsysteem en ook ter compensatie voor het onveilige gevoel dat hij en zijn familie sinds dit incident hebben.

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid en aangegeven dat zij een bedrag van € 1.000, - een redelijke schadevergoeding vindt.

De verdediging heeft de vordering betwist omdat een onderbouwing van de vordering ontbreekt en nergens uit blijkt dat kosten zijn gemaakt.

Het oordeel van de rechtbank

Hoewel de rechtbank het aannemelijk acht dat de benadeelde partij schade heeft geleden kan zij aan de hand van de vordering zoals deze is ingediend niet opmaken welk deel van het gevraagde bedrag ziet op de materiële schade en welk deel ziet op de immateriële schade omdat de vordering niet onderbouwd is met bijvoorbeeld een nota van het aangeschafte alarmsysteem of een verklaring van een deskundige dat er sprake is van immateriële schade.

De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

De benadeelde partij kan de vordering aanbrengen bij de civiele rechter.

10. Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 3 februari 2026 ingediende vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13-265958-24, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 22 januari 2025 van de kinderrechter van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaren, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, op 10 februari 2026 niet in persoon aan verdachte is uitgereikt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.

De rechtbank ziet echter aanleiding om in plaats van de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te bevelen de proeftijd te verlengen met een jaar. De reden hiervoor is gelegen in de omstandigheid dat de rechtbank het voor de verdere ontwikkeling van verdachte van belang acht dat hij de positieve ontwikkeling die hij doormaakt kan voortzetten en kan profiteren van het hulpverleningsaanbod van [instelling] zoals onder rubriek 8 beschreven.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157 van het Wetboek van Strafrecht en 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

feit 2:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 7.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, met aftrek van de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht naar de maatstaf van twee uren per dag. Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf groot 90 (negentig) uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 45 (vijfenveertig) dagen.

Stelt de proeftijd vast op twee jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- op geen enkele wijze contact opneemt met de medeverdachte [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedag 2] 2008 te [geboorteplaats 2] , met [medeverdachte] , geboren op [geboortedag 3] 2008 te [geboorteplaats 3] , en met het slachtoffer [benadeelde partij/slachtoffer] , geboren op [geboortedag 4] 2008 te [geboorteplaats 4] .

Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zo lang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht;

Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij/slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

Verlengt de bij vonnis van 22 januari 2025 in de zaak met parketnummer 13-265958-24 bepaalde proeftijd met 1 (één) jaar;

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W. Aardenburg, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. C.P. Bleeker en K. Duker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Pandelitschka, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W. Aardenburg

Griffier

  • mr. M. Pandelitschka

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?