RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 15.093705.25
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2008,
wonende op het adres [adres] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M.L.A. ter Veer en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. H.S.L. Pleiter, naar voren hebben gebracht.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door
mevrouw [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad),
mevrouw [naam 2] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA), de heer [naam coach] , coach van verdachte, de moeder en de stiefvader van verdachte
naar voren is gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 15 februari 2025 te Zaandam, in elk geval in Nederland, tezamen
en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door
- een of meerdere stukken vuurwerk, enig explosief (middel) en/of een explosieve lading
voor de toegangsdeur van een pand gelegen aan de [plaats] aan te brengen en/of te plaatsen en/of (vervolgens)
- die/dat stuk(ken) vuurwerk, althans dat explosie(f)(v)(e) (middel) en/of die explosieve
lading tot ontploffing te brengen en/of laten brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemd pand en/of de in voornoemd pand aanwezige goederen en/of de omliggende/naastliggende woningen en/of panden in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor personen die zich op het moment van de ontploffing in de nabijheid en/of de (naastgelegen) omgeving van de plek waar de ontploffing plaatsvond
bevonden, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen die zich op het moment van de ontploffing in de nabijheid en/of de (naast gelegen) omgeving van de plek waar de ontploffing plaatsvond bevonden, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;
2
op of omstreeks 15 februari 2025 te Zaandam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (een) wapen(s) van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten (een) vuurwerk-brandstofcombinatie (VBC)
zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft/hebben gehad.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Medeplegen
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor het onder feit 1 tenlastegelegde. Verdachte heeft een andere rol gehad dan de mededader. Hij is betrokken geweest bij het verkrijgen van het explosief en het in elkaar knutselen daarvan. Echter, bij het plaatsen van het explosief en het tot ontploffing brengen ervan is hij niet betrokken geweest en is hij meters verderop gaan staan. Dit betekent dat verdachte niet verantwoordelijk gehouden kan worden voor het tot ontploffing brengen van het explosief.
De rechtbank overweegt als volgt.
Uit het dossier en de camerabeelden blijkt dat verdachte samen met zijn mededader in de bus naar Badhoevedorp is gereisd om het explosief op te halen. Eenmaal thuis hebben ze samen de onderdelen aan elkaar getapet met tape. Verdachte had die tape thuis liggen. Verder hebben verdachte en zijn mededader samen in de supermarkt de wasbenzine gekocht. Verdachte heeft ter zitting verklaard: ‘eigenlijk hebben we alles samen gedaan’.
Later die avond zijn verdachte en zijn mededader met de bus naar de flat in Zaandam gegaan. Op de camerabeelden bij de ingang van de flat zijn zowel verdachte als zijn mededader te zien. Vervolgens is verdachte iets verderop gaan staan en heeft hij gefilmd hoe de mededader het explosief aanstak en het explosief ontplofte. Vervolgens zijn verdachte en zijn mededader samen naar huis gereisd.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de omvang van de handelingen die verdachte samen met de mededader heeft verricht in de gegeven omstandigheden het medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen opleveren.
De ontploffing heeft ook gevaar voor goederen en personen opgeleverd. De ramen van het pand zijn beschadigd en er zaten roetvegen in de buurt van de ingang van het pand. De ontploffing vond plaats op een tijdstip dat veel mensen thuis zijn, misschien zelfs slapen, en uit het dossier blijkt dat er brandgevaar was. Verder is op de beelden te zien dat vlak vóór en vlak na de ontploffing mensen in de buurt van de ingang van het pand aanwezig waren.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1.
op 15 februari 2025 te Zaandam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door
-een of meerdere stukken vuurwerk, enig explosief middel en een explosieve lading voor de toegangsdeur van een pand gelegen aan de [plaats] te plaatsen en vervolgens
-dat stuk vuurwerk tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen of gevaar voor lichamelijk letsel voor personen die zich op dat moment van de ontploffing in de nabijheid en de naastgelegen omgeving van de plek waar de ontploffing plaatsvond bevonden, te duchten was.
2.
op 15 februari 2025 te Zaandam tezamen, en in vereniging met een ander, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwerk-brandstofcombinatie (VBC) zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van ontploffing voorhanden hebben gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
5. Bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
6. Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straffen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van drie dagen, met aftrek van het voorarrest, en een jeugddetentie van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met als bijzondere voorwaarden contactverboden met de medeverdachten en het slachtoffer. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf in de vorm van een taakstraf wordt opgelegd voor de duur van 60 uur, subsidiair 30 dagen jeugddetentie.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte een geheel voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen voor de duur van twee maanden. Zij heeft verzocht verdachte geen taakstraf op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing bij de ingang van een flatgebouw. Verdachte heeft dit gedaan omdat een vriendin hem had verteld dat er in die flat een jongen woonde die aan haar had gezeten en zij wilde hem duidelijk maken dat dit gedrag onacceptabel was.
Explosies als de onderhavige hebben tot doel personen te intimideren en zijn tegenwoordig een groot maatschappelijk probleem. Niet alleen richten dergelijke explosies veel materiële schade aan, maar bovenal brengt dit soort explosies de veiligheid van de direct betrokkenen en degenen die bij hen in hetzelfde gebouw wonen, in gevaar. Dit soort explosies veroorzaakt ook gevoelens van angst en onveiligheid voor omwonenden en voor de samenleving in zijn geheel.
Naast het teweegbrengen van een ontploffing heeft verdachte samen met zijn mededader een explosief voorhanden gehad. Met dit explosief in een tas zijn ze samen naar Zaandam gereisd met het openbaar vervoer. Er had onderweg van alles kunnen gebeuren waardoor niet alleen zij zelf maar ook anderen (in de bus) in gevaar zijn gebracht. Ter zitting is gebleken dat verdachte hierover totaal niet na had gedacht. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zich in het geheel niet bewust lijkt te zijn geweest van de gevaren en de mogelijke gevolgen van zijn daden.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatievan 17 februari 2026 waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten en ter zake daarvan nog in een proeftijd liep.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het evaluatieverslag van JBRA van 25 februari 2026, waaruit blijkt dat verdachte sinds september 2025 positieve stappen heeft gezet. Hij volgt een opleiding, werkt zes dagen per week en lijkt gemotiveerd om mee te werken met de hulpverlening. Verdachte heeft in september 2025 een T&B van twee jaar opgelegd gekregen, welke bijzondere voorwaarden nog steeds gelden. JBRA acht daarom het opnieuw opleggen van bijzondere voorwaarden niet nodig.
De Raad heeft ter zitting geadviseerd verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen en daaraan alleen de algemene voorwaarde te verbinden dat hij zich gedurende de proeftijd niet schuldig mag maken aan het plegen van een strafbaar feit.
De straf
De rechtbank ziet aanleiding om bij de strafoplegging aansluiting te zoeken bij de straf die aan de medeverdachte wordt opgelegd. Nu er geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen waaruit blijkt dat verdachte geen werkstraf kan verrichten, zal de rechtbank verdachte een jeugddetentie voor de duur van drie dagen opleggen, met aftrek van het voorarrest, en daarnaast een werkstraf in de vorm van een taakstraf voor de duur van 180 uur, waarvan 90 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Anders dan de deskundigen hebben geadviseerd, zal de rechtbank verdachte wel bijzondere voorwaarden opleggen omdat zij het belangrijk vindt dat verdachte geen contact opneemt met zijn mededaders en het slachtoffer.
9. Ten aanzien van de benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 2.600, - vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van die schade aan materiële schadevergoeding voor het plaatsen van een alarmsysteem en ook ter compensatie voor het onveilige gevoel dat hij en zijn familie sinds dit incident hebben.
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid en aangegeven dat zij een bedrag van € 1.000, - een redelijke schadevergoeding vindt.
De verdediging heeft de vordering betwist omdat een onderbouwing van de vordering ontbreekt en nergens uit blijkt dat kosten zijn gemaakt.
Het oordeel van de rechtbank
Hoewel de rechtbank het aannemelijk acht dat de benadeelde partij schade heeft geleden, kan zij aan de hand van de vordering zoals deze is ingediend niet opmaken welk deel van het gevraagde bedrag ziet op de materiële schade en welk deel ziet op de immateriële schade omdat de vordering niet onderbouwd is met bijvoorbeeld een nota van het aangeschafte alarmsysteem of een verklaring van een deskundige dat er sprake is van immateriële schade.
De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
De benadeelde partij kan de vordering aanbrengen bij de civiele rechter.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157 van het Wetboek van Strafrecht en 26 en 55 van de Wet wapens en munitie
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
11. Beslissing
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
feit 1:
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
feit 2:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 7.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 3 (drie) dagen.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren. Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf groot 90 (negentig) uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;
Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 45 (vijfenveertig) dagen.
Stelt de proeftijd vast op twee jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:
- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- op geen enkele wijze contact opneemt met de medeverdachte [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedag 2] 2009 te [geboorteplaats 2] , met [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedag 3] 2008 te [geboorteplaats 3] , en met het slachtoffer [benadeelde partij] , geboren op [geboortedag 4] 2008 te [geboorteplaats 4] .
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zo lang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K. Duker, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. C.P. Bleeker en W. Aardenburg, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Pandelitschka, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 maart 2026.