RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 15.148557.25
Datum uitspraak: 27 maart 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2007,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 13 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.S. Gerritsen, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. H. Polat, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door mevrouw [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), mevrouw [naam 2] , namens William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: WSS) en mevrouw [naam 3] van Levvel naar voren is gebracht.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van wat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en de raadsvrouw mr. N.J. Hoogenboom namens alle benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
1. het op 15 mei 2025 te Velserbroek medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning gelegen aan de [adres] waarbij gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was;
2. het op 12 mei 2025 te Velserbroek medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning gelegen aan de [adres] waarbij gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de aan de verdachte ten laste gelegde feiten op grond van het dossier en de bekennende verklaring van de verdachte kunnen worden bewezen. Daarbij is de rechtbank, eveneens met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat niet bewezen kan worden dat sprake is geweest van te duchten levensgevaar voor personen.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
feit 1
op 15 mei 2025 te Velserbroek, gemeente Velsen,
tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk
een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief tegen en in de directe
nabijheid van de (voordeur van de) woning gelegen aan de [adres] , te plaatsen
en deze tot ontploffing te brengen,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres]
en de goederen die zich in die woning bevonden en tuinmeubilair en
- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
de bewoners van de woning gelegen aan de [adres] te duchten was;
feit 2
op 12 mei 2025 te Velserbroek, gemeente Velsen,
tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk
een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief tegen en in de directe
nabijheid van de voordeur van de woning gelegen aan de [adres] , te plaatsen
en deze tot ontploffing te brengen,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres]
en de goederen die zich in die woning bevonden en tuinmeubilair en
- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
de bewoners van de woning gelegen aan de [adres] te duchten was.
6. Bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
7. Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
8. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
9. Motivering van de straf
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 360 dagen, waarvan 318 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van het voorarrest. De bedoeling is dat de onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk is aan het voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel
moeten de door de Raad en reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden. Daarnaast heeft zij gevorderd dat aan de verdachte een werkstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen jeugddetentie, wordt opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is na enige tijd geschorst, heeft zich aan de opgelegde voorwaarden gehouden, was minderjarig ten tijde van de tenlastegelegde feiten en is first offender. De raadsman heeft bepleit aan te sluiten bij het advies van de Raad en verzocht om naast de voorwaardelijke jeugddetentie niet ook nog een werkstraf op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het teweegbrengen van twee ontploffingen door een explosief bij een huis te plaatsen en deze tot ontploffing te brengen. Dit gebeurde midden in de nacht, terwijl in het huis een gezin met twee jonge kinderen en een hond lag te slapen. Met name de tweede ontploffing was zeer heftig. Hierbij is aanzienlijke schade aangericht aan het huis doordat ruiten aan de voorzijde van het huis sprongen. Ook is de tuinbank, die voor het huis stond, volledig versplinterd waarbij de resten van de tuinbank de straat op zijn geslingerd en geparkeerde auto’s hebben beschadigd. De slaapkamer van de kinderen van het gezin was bovendien aan de voorkant van het huis; boven de plek waar de ontploffing plaatsvond. De verdachte heeft met zijn daden de kans dat één van hen gewond zou raken op de koop toe genomen. Het is hierdoor voor het gezin dat in het huis woonde een zeer angstaanjagende gebeurtenis geweest, zoals ook gebleken is uit het ter zitting door het slachtoffer uitgeoefende spreekrecht. Ook in het algemeen kan worden gesteld dat dergelijke ontploffingen gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving veroorzaken. De verdachte heeft zich puur laten leiden door financieel gewin. Hij is via Snapchat met de opdrachtgever in contact gekomen en zou er geld voor krijgen. Hij heeft daarmee geen enkel respect getoond voor de veiligheid en de bezittingen van anderen. Dit rekent de rechtbank hem bijzonder aan.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 maart 2026 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De deskundige vanuit WSS heeft ter zitting toegelicht dat het op dit moment goed gaat met de verdachte. De verdachte volgt een begeleid wonen traject, bedoeld om hem uit zijn netwerk te halen en meer rust te bieden, aangezien het thuis erg druk is en hij hierdoor veel op straat is. Vanuit deze nieuwe woonomgeving is meer zicht op de verdachte, omdat hier continu begeleiding aanwezig is. Daarnaast wordt diagnostiek uitgevoerd om te onderzoeken waar bepaalde problemen vandaan komen. De gesprekken tussen de verdachte, de WSS en IFA-coach verlopen goed. De verdachte is open en wil graag het juiste doen. De WSS is zeer tevreden over het toezicht en acht het dan ook passend dat zij betrokken blijft en de begeleiding voortzet. De al geldende voorwaarden blijven dan van toepassing, zoals het volgen van school volgens rooster, het verrichten van een bijbaan en medewerking aan diagnostiek.
De forensisch hulpverlener vanuit Levvel heeft ter zitting toegelicht dat de verdachte reflectief is en kritisch kijkt naar zijn eigen gedrag. Hij is een vrolijke en leuke jongeman die ondanks zijn ernstige fouten intrinsiek gemotiveerd is om aan zichzelf te werken. Hij blijft gemotiveerd om een baan te vinden, ondanks afwijzingen, en wil bewust de juiste keuzes maken.
De Raad heeft ter zitting mondeling zijn advies uitgebracht op basis van de verstrekte informatie tijdens ter zitting. De Raad is positief over de verstrekte informatie tijdens de zitting. Hoewel het hier gaat om twee ernstige feiten, is het positief dat de verdachte verantwoordelijkheid neemt. De Raad constateert een tegenstrijdig beeld tussen de ernst van de gepleegde feiten en het gedrag dat de verdachte momenteel vertoont. Geld was een belangrijke motivatie bij het plegen van de feiten. Hier moet aandacht voor zijn en het is belangrijk dat de verdachte een bijbaan heeft. Sinds de schorsing gedraagt de verdachte zich positief. Hoewel de motivatie van de verdachte om aan zichzelf te werken groot is en dit aanleiding zou kunnen zijn voor het adviseren van een werkstraf, acht de Raad dit gezien de ernst van de feiten niet passend. De Raad adviseert een deels voorwaardelijke jeugddetentie met de bijzondere voorwaarden zoals die bij de schorsing zijn opgelegd. Dit omvat onder meer een contactverbod met de medeverdachte, behandeling en begeleiding, diagnostiek en een zinvolle vrijetijdsbesteding. De Raad acht deze voorwaarden noodzakelijk voor het versterken van de positieve ontwikkeling van de verdachte en het voorkomen van recidive.
De straf
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de ernst van de feiten een jeugddetentie rechtvaardigen voor de duur van het voorarrest van de verdachte. Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijke jeugddetentie van 180 dagen passend en geboden. De verdachte heeft geruime tijd in een schorsing van de voorlopige hechtenis gelopen en heeft in deze periode laten zien zijn leven op positieve wijze vorm te hebben gegeven. De rechtbank wil dat de verdachte die positieve ontwikkeling vasthoudt. Een voorwaardelijk strafkader met een algemene voorwaarde vormt daartoe een stok achter de deur en een verplicht toezicht- en begeleidingskader met bijzondere voorwaarden biedt voor die positieve ontwikkeling de benodigde steun in de rug. De rechtbank zal tot slot ook aan de verdachte een werkstraf opleggen. De ernst van de feiten geven hier aanleiding toe. De rechtbank acht evenwel een lagere werkstraf dan geëist door de officier van justitie passend, omdat het van belang is dat de verdachte naast het uitvoeren van een werkstraf ook nog betaald werk kan verrichten. Daarmee kan hij de door de rechtbank bij dit vonnis opgelegde schadevergoeding aan de slachtoffers voldoen.
Daarom zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een jeugddetentie van 223 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk me t een proeftijd van 2 jaar, en een werkstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen jeugddetentie. Aan het voorwaardelijk strafdeel verbindt de rechtbank de bijzondere voorwaarden, zoals die door de deskundigen zijn geadviseerd.
10. Beslag
De officier van justitie heeft ten aanzien van de bij de verdachte inbeslaggenomen mobiele telefoon gevorderd dat deze zal worden onttrokken aan het verkeer. De raadsman heeft bepleit dat de telefoon zou moeten worden teruggegeven aan de verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een telefoon (goednummer: 1730007), dient te worden teruggegeven aan de verdachte.
11. Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
Vorderingen
[benadeelde partij 2]
Namens [benadeelde partij 2] is door mr. N.J. Hoogenboom een vordering tot schadevergoeding van
€ 7.335,27 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het feit zou hebben geleden.
De gevorderde materiële schade bestaat uit:
de gemaakte kosten aan eigen risico voor de reparatie van de auto ter hoogte van € 150;
de kosten van de aanschaf van drie beveiligingscamera's ter hoogte van € 366,40;
de kosten voor het kaartje van een gemist concert ter hoogte van € 40,25;
de kosten voor de vervanging van de ramen aan de voorzijde van de woning ter hoogte van € 2.353,44;
de kosten voor het vervangen van de poort in de achtertuin ter hoogte van € 2.925,18.
Daarnaast heeft de benadeelde partij vergoeding van immateriële schade gevorderd van € 1.500.
[benadeelde partij 1]
Namens [benadeelde partij 1] is door mr. N.J. Hoogenboom een vordering tot schadevergoeding van € 1.500 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het feit zou hebben geleden.
[benadeelde partij 3]
Namens [benadeelde partij 3] is door mr. N.J. Hoogenboom een vordering tot schadevergoeding van € 1.500 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het feit zou hebben geleden.
[benadeelde partij 3]
Namens [benadeelde partij 3] is door mr. N.J. Hoogenboom een vordering tot schadevergoeding van € 1.500 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het feit zou hebben geleden.
De advocaat van de benadeelde partijen vordert verder proceskosten ter hoogte van € 1.624 conform het geldende liquidatietarief waarbij uit wordt gegaan van vier punten in totaal. Ten slotte vordert de advocaat van de benadeelde partijen de verdachte hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de gevorderde bedragen aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en te bepalen dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.
Standpunten
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [benadeelde partij 2]
ten aanzien van de materiële schade kan worden toegewezen, omdat deze kosten rechtstreeks
verband houden met het strafbare feit en voldoende zijn onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade van alle benadeelde partijen heeft de officier van justitie zich eveneens op het standpunt gesteld dat deze kan worden toegewezen. Het bedrag dat per persoon gevorderd wordt, is billijk en voldoende onderbouwd. Ook de vergoeding van de proceskosten kan worden toegewezen. Zij heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de toe te wijzen bedragen vermeerderd moeten worden met de wettelijke rente, dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd en voorts te bepalen dat het toe te wijzen bedrag hoofdelijk wordt opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de materiële schadeposten niet betwist, met uitzondering van de gemaakte
kosten voor een nieuwe poort en vervanging van het glas aan de voorzijde van de woning. Ten aanzien van deze posten heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze schade niet rechtstreeks voortvloeit uit de bewezen verklaarde feiten en de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade [benadeelde partij 2]
De rechtbank is van oordeel dat de reeds gemaakte kosten aan eigen risico voor de reparatie van de auto, de kosten voor drie beveiligingscamera's en de kosten voor het kaartje van een gemist concert rechtstreeks voortvloeien uit de bewezen verklaarde feiten en dat deze kosten ook voldoende zijn onderbouwd. Deze posten zijn door de verdediging niet betwist, zodat dit
gedeelte van de vordering zal worden toegewezen.
Met betrekking tot de kosten die zijn gemaakt voor de nieuwe poort en het nieuwe glas is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. De vordering is op dit punt door de verdediging gemotiveerd betwist. Met de raadsman is de rechtbank is van oordeel dat op basis van de huidige onderbouwing niet kan worden vastgesteld dat deze kosten rechtstreeks verband houden met de strafbare feiten. Desgewenst kan de benadeelde partij dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade van alle benadeelde partijen
Uit de toelichting op de vorderingen en het op zitting uitgeoefende spreekrecht van benadeelde partij [benadeelde partij 1] blijkt dat de ontploffingen grote impact hebben op het gezin. De explosies vonden ’s nachts plaats. Na de tweede hevige explosie zijn de ouders naar buiten gegaan om de schade te bekijken. Vervolgens mochten zij van de politie het huis niet meer in, omdat dat onveilig zou zijn. De kinderen en de hond waren toen nog wel in het huis. Dit heeft begrijpelijkerwijs grote paniek veroorzaakt bij de ouders. Het gezin heeft na de tweede explosie twee weken niet in huis geslapen en voelt zich nu nog steeds onveilig, omdat voor hen niet duidelijk is wie de opdrachtgever is en deze ook niet is opgepakt.
Gezien deze omstandigheden acht de rechtbank de gevolgen van de normschending evident en dusdanig ernstig dat sprake is van een aantasting van de persoon. Hiermee is een wettelijke grondslag voor de vergoeding van immateriële schade aanwezig. De immateriële schade is door de verdediging niet betwist en de rechtbank acht de hoogte van de immateriële schade billijk, zodat de vorderingen betreffende de immateriële schadevergoeding volledig zullen worden toegewezen.
Conclusie
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] zal gedeeltelijk worden toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 2.056,65, bestaande uit € 556,65 materiële schade en € 1.500 immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 3] zullen volledig worden toegewezen, namelijk elk voor een bedrag van € 1.500, bestaande uit immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van alle benadeelde partijen wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemden, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opgelegd. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan de verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.
Hoofdelijk aansprakelijk
De rechtbank is van oordeel dat de toegewezen vorderingen hoofdelijk dienen te worden toegewezen nu de verdachte het feit samen met een (of meer) ander(en) heeft gepleegd. De verdachte en zijn mededader(s) zijn, als zij worden aangesproken door de benadeelde partijen, ieder afzonderlijk verplicht om het totale bedrag aan de benadeelde te betalen, tenzij (een) ander(en) het hele bedrag al heeft/hebben betaald.
Proceskosten
De gevorderde proceskosten zijn conform het toepasselijke liquidatietarief toewijsbaar. De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de proceskosten van de benadeelde partijen, alsmede in de nog te maken kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging. Voor alle benadeelden wijst de rechtbank één liquidatiepunt toe voor het indienen van de vordering in eerste aanleg. De vorderingen van alle benadeelden zijn, met uitzondering van de materiële schade van [benadeelde partij 2] , identiek en zijn gezamenlijk toegelicht. De rechtbank gaat uit van het liquidatietarief kanton geldend per 1 februari 2026 en het daarin genoemd tarief bij een (toegewezen) hoofdsom tussen € 1.250,- en € 2.500,- en komt daarmee tot toewijzing van een bedrag van € 217 per vordering.
12. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 47, 57, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 157 van het Wetboek van Strafrecht.
13. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
feiten 1 en 2:
telkens: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 223 (tweehonderddrieëntwintig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht (gelijk aan het onvoorwaardelijke deel, te weten 43 dagen), bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beveelt dat een gedeelte, groot 180 (honderdtachtig) dagen, van deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:
Geeft opdracht aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde daarvan te begeleiden.
Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren.
Beveelt dat, als de verdachte de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen.
Beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen:
Benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] geleden
schade tot een bedrag van € 2.056,65, bestaande uit € 556,65 als vergoeding voor de materiële en € 1.500 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.
Verklaart de benadeelde partij voor de overig gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 217,- ter zake van proceskosten.
Legt aan de verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij 2] ter hoogte van € 2.056,65 (zegge: tweeduizendzesenvijftig euro en vijfenzestig eurocent), bestaande uit € 556,65 als vergoeding voor de materiële en € 1.500 als vergoeding voor de immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 12 mei 2025, tot aan de dag der algehele voldoening, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geleden schade voor een bedrag van € 1.500, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 217,-ter zake van proceskosten.
Legt aan de verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij 1] ter hoogte van € 1.500 (zegge: duizendvijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 12 mei 2025, tot aan de dag der algehele voldoening, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 3] geleden schade voor een bedrag van € 1.500, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 3] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 217,- ter zake van proceskosten.
Legt aan de verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij 3] ter hoogte van € 1.500 (zegge: duizendvijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 12 mei 2025, tot aan de dag der algehele voldoening, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 3] geleden schade voor een bedrag van € 1.500, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 3] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 217,- ter zake van proceskosten.
Legt aan de verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij 3] ter hoogte van € 1.500 (zegge: duizendvijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 12 mei 2025, tot aan de dag der algehele voldoening, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen telefoon (goednummer 1730007).
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.P.C. van Dam van Isselt, voorzitter en tevens kinderrechter,
mrs. H.J.H. van Meegen en A. van Luijck, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Entius, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 maart 2026.
[--]