RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81-158647-22
Datum uitspraak: 2 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres]
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.R. Paardekooper, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M. Jonk, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – na wijziging op de zitting en kort weergegeven – tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan
Feit 1 het in de periode van 1 februari 2019 tot heden in Nederland feitelijke leiding geven aan het in vereniging opzettelijk niet en/of gedeeltelijk niet betalen van de omzetbelasting welke op aangifte moet worden voldaan door [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) over de tijdvakken januari tot en met december 2019;
Feit 2 het in de periode van 6 april 2020 tot 11 september 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander plegen van oplichting waardoor het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV) werd bewogen tot de uitkering van een geldbedrag verbonden aan de Noodmaatregel Overbrugging van Werkgelegenheid (hierna: NOW) aan [bedrijf 1] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Verweer verdediging partiële nietigheid
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van feit 2 en dan voor het gedeelte van de NOW-aanvraag met dossiernummer 1279849 en datum 26 mei 2020 nietig moet worden verklaard. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.
Op grond van artikel 261, eerste lid en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het feit zou zijn begaan en met de vermelding van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan. Bij de uitleg van deze bepaling staat de vraag centraal of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen. De opgave van het feit moet duidelijk en begrijpelijk, niet innerlijk tegenstrijdig en voldoende feitelijk zijn. Bij de verdachte mag er – tegen de achtergrond van het strafdossier en het voorbereidend onderzoek – redelijkerwijs geen twijfel over bestaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten.
Op de tenlastelegging worden twee door [bedrijf 1] ingediende aanvragen NOW genoemd. Hoewel het dossiernummer 1279849 en de datum 26 mei 2020 niet overeenkomen met een van beide aanvragen in het dossier, wordt in de tenlastelegging wel verwezen naar DOC-021. DOC-021 bevat een aanvraag NOW van 6 april 2020 met dossiernummer 1014212, op naam van [bedrijf 1] . Gelet op de verwijzing in de tenlastelegging naar het document met de aanvraag, er geen sprake is van andere aanvragen door [bedrijf 1] en de tenlastelegging in onderlinge samenhang met de inhoud van het dossier moet worden gelezen, is de rechtbank van oordeel dat hieruit volgt dat verdachte heeft kunnen begrijpen wat hem wordt verweten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de dagvaarding niet innerlijk tegenstrijdig is en dat deze voldoet aan de eisen, zoals gesteld in artikel 261 Sv.
3. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken omdat geen sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op het niet voldoen van de aanslagen omzetbelasting in 2019. Verdachte had geldbedragen gereserveerd op de G-rekening van [bedrijf 1] om de Belastingdienst te betalen. In de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 september 2020 hebben ook afschrijvingen naar de Belastingdienst plaatsgevonden. De onderneming is in maart 2020 overgedragen aan [naam] .
De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 2 op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van dit feit nu er geen bewijsmiddel voorhanden is. Ten aanzien van de NOW-aanvraag met dossiernummer 2000229 stelt de verdediging zich op het standpunt dat geen sprake is van enige medeplegersgedraging die aan verdachte is toe te schrijven. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken. [bedrijf 1] was voor de NOW-aanvraag al overgedragen aan de nieuwe eigenaar [naam] en uit de contacten tussen [medeverdachte] en verdachte valt geen enkel aanknopingspunt voor het ten laste gelegde oogmerk of significante bijdrage aan enig oplichtingsmiddel te distilleren.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast ten aanzien van feit 1 en 2.
Naar aanleiding van het besluit in de stuur- en weegploeg van 31 maart 2021 is door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen [bedrijf 1] , verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . [bedrijf 1] werd ervan verdacht opzettelijk de omzetbelasting over de tijdvakken januari tot en met december 2019 niet of grotendeels niet te hebben betaald.
[bedrijf 1] is opgericht op 3 augustus 2017. Tot 5 maart 2020 stond [bedrijf 2] ingeschreven als enig aandeelhouder en was verdachte bestuurder van de BV. Sinds 5 maart 2020 staat [naam] (hierna: [naam] ) ingeschreven in de Kamer van Koophandel als enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] . Op 29 juni 2022 is [bedrijf 1] failliet verklaard.
Bewezenverklaring feit 1
De rechtbank stelt (in aanvulling op hetgeen in 3.3 is vastgesteld) de volgende feiten en omstandigheden vast ten aanzien van feit 1.
Uit het systeem van de Belastingdienst volgt dat [bedrijf 1] over de tijdvakken januari 2019 tot en met december 2019 aangifte omzetbelasting heeft gedaan. In 2019 werd in totaal een bedrag van € 860.433,97 aan omzet van hotels ontvangen. In 2019 was de omzetbelasting die [bedrijf 1] moest afdragen – na aftrek van de voorbelasting – € 146.420,-, Hiervan is € 10.000,- voldaan. Het overige deel is niet betaald. Naar aanleiding van het niet betalen van de omzetbelasting zijn door de Belastingdienst naheffingsaanslagen opgelegd, aanmaningen verstuurd en dwangbevelen uitgereikt. Hierop is namens [bedrijf 1] niet gereageerd. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat bedragen omzetbelasting van 2019 openstonden en dat het klopt dat de omzetbelasting in 2019 niet volledig is betaald.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank is van oordeel dat het opzet op het niet of grotendeels niet afdragen van de omzetbelasting door [bedrijf 1] waardoor te weinig belasting werd betaald kan worden bewezen. Het afdragen van omzetbelasting is een wettelijke verplichting van [bedrijf 1] . [bedrijf 1] is derhalve de geadresseerde van deze norm. [bedrijf 1] heeft echter niet, zoals hierboven is vastgesteld, volledig aan haar betalingsverplichting voldaan, terwijl [bedrijf 1] in 2019 omzet genereerde en over geld beschikte om de omzetbelasting af te dragen. [bedrijf 1] had in 2019 inkomsten en er stond geld op de G-rekening van het bedrijf. Voorgaande maakt dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan dan dat de omzetbelasting steeds willens en wetens – en daarmee opzettelijk – niet door [bedrijf 1] is betaald. Nu [bedrijf 1] op 29 juni 2022 failliet is verklaard houdt de rechtbank dit aan als einddatum van het niet (volledig) afdragen van de omzetbelasting over 2019.
Rol verdachte
De rechtbank stelt vast dat verdachte de bestuurder en feitelijke leiddinggever was tot 5 maart 2020 van [bedrijf 1] . Ook na 5 maart 2020 was verdachte naar het oordeel van de rechtbank nog de feitelijk leidinggevende van [bedrijf 1] . De rechtbank verwijst hiertoe naar de overweging in punt 3.3.2. Uit deze overweging volgt dat verdachte ook na 5 maart 2020 bevoegd en redelijkerwijs gehouden was om maatregelen te treffen ter voorkoming dan wel beëindiging van de verboden gedraging en dat achterwege laat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verboden gedraging zich voordoet en overweegt daartoe als volgt.
Verdachte heeft verklaard dat hij aan zijn boekhouder had gevraagd om met de Belastingdienst een regeling voor de betaling van de omzetbelasting te treffen. Uit het procesdossier blijkt echter niet dat verdachte iemand de opdracht heeft gegeven om de openstaande bedragen te betalen of zelf iets heeft gedaan om te betalen. Evenmin blijkt dat namens [bedrijf 1] verzoeken om een betalingsregeling of kwijtschelding zijn ingediend. Ook is geen melding van betalingsonmacht gedaan. Verdachte wordt geacht om als feitelijke leidinggever te weten wat er binnen het bedrijf gebeurt en is verantwoordelijk voor het betalen van de omzetbelasting. Dat verdachte dacht dat het geregeld zou worden neemt bovendien de opzet niet weg en de betalingsverplichting bleef onverminderd bestaan. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij wist dat er niet volledig was betaald.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte in de periode van 1 februari 2019 tot 29 juni 2022 feitelijke leiding heeft gegeven aan het in vereniging opzettelijk niet en/of gedeeltelijk niet betalen van de omzetbelasting welke op aangifte moet worden voldaan door [bedrijf 1] over de tijdvakken januari tot en met december 2019.
Bewezenverklaring feit 2
De rechtbank stelt, naast hetgeen in 3.3 is vastgesteld, de volgende feiten en omstandigheden vast.
In de woning van medeverdachte [medeverdachte] is een Iphone 11 aangetroffen met het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer 1] . Dit telefoonnummer zou in gebruik zijn bij [medeverdachte] .
Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer 2] van hem is.
Door [bedrijf 1] is op 6 juli 2020 een voorschot op grond van de tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (hierna: NOW) aangevraagd met dossiernummer 2000229. De NOW-regeling was een subsidieregeling waarbij het UWV een voorschot verleende aan werkgevers op basis van hun aangegeven verwachte omzetverlies tijdens de coronapandemie. Deze tegemoetkoming die door de overheid werd verstrekt was bedoeld zodat de werkgever de werknemers kon doorbetalen en in dienst kon houden.
In de aanvraag die op 6 juli 2020 door [bedrijf 1] is gedaan staat dat het verwachte omzetverlies van de onderneming 100 % bedraagt. Op de aanvraag is bij de contactgegevens van [bedrijf 1] het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer 3] vermeld. Dit telefoonnummer kan worden gelinkt aan medeverdachte [medeverdachte] . De aanvraag is gedaan vanaf het IP-adres [IP-adres] dat wordt gelinkt aan medeverdachte [medeverdachte] . In de eerder genoemde Iphone 11 van medeverdachte [medeverdachte] is een chatgesprek tussen [medeverdachte] en [verdachte] waarin [medeverdachte] op 6 juli 2020 vraagt “om het wachtwoord.” [verdachte] geeft het wachtwoord en [medeverdachte] zegt dan “dat hij erin zit” en zegt [verdachte] om akkoord te geven. [verdachte] zegt dat hij dit heeft gedaan en om 8.28 uur stuurt [medeverdachte] aan [verdachte] dat de aanvraag eruit is.
Naar aanleiding van deze aanvraag krijgt [bedrijf 1] een tegemoetkoming NOW van
€ 195.623,-. Het UWV heeft een voorschot betaald van € 156.500,- voor een tegemoetkoming in de loonkosten, op basis van het verwachte omzetverlies over de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020. Dit voorschot is (in twee deelbetalingen van € 78.250 op respectievelijk 9 juli 2020 en 10 september 2020) overgemaakt op het bankrekeningnummer van [bedrijf 1] . Op 9 juli 2020 stuurt verdachte dat het geld is gekomen. Op 11 september 2020 stuurt medeverdachte [medeverdachte] per WhatsApp aan verdachte een foto van een briefje waarop onder meer ‘78.250’ staat vermeld, alsmede de helft daarvan: ‘39.125’.Op 12 maart 2020 begon de coronalockdown in Nederland. Onder meer de hotels die de inkomsten voor [bedrijf 1] genereerden werden gesloten. Medio juni 2020 mochten de hotels weer open. Vanaf eind maart 2020 tot en met eind juni 2020 zijn door [bedrijf 1] geen schoonmaakwerkzaamheden verricht.
Op 23 juli 2020 is verdachte een nieuw bedrijf gestart, genaamd [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ). Bij [bedrijf 3] werkte personeel dat (eerder) ook in dienst was bij [bedrijf 1] . Uit het onderzoek van de controleambtenaar van de Belastingdienst is naar voren gekomen dat vanaf juni 2020 facturen op naam van [bedrijf 3] werden gestuurd aan hotels voor schoonmaakwerkzaamheden in juni en juli 2020, terwijl [bedrijf 3] nog niet was opgericht. Uit de bankgegevens volgt dat er na maart 2020 geen omzet meer was in [bedrijf 1] . Uit bankgegevens van [bedrijf 1] blijkt dat in het tweede en derde kwartaal 2020 lonen zijn uitbetaald aan personeel voor werkzaamheden die zijn gefactureerd door [bedrijf 3] .
Managers van Hotel Hermitage en hotel ITC verklaren dat de schoonmaakwerkzaamheden in hun hotels tot en met maart 2020 zijn verricht door [bedrijf 1] en na de coronalockdown door [bedrijf 3] . Dit volgt ook uit de facturen die door de hotels zijn gestuurd, waaruit blijkt dat is gefactureerd voor werkzaamheden in juni en juli 2020 (Hermitage) en juli 2020 (ITC).
De manager van Hotel Titus BV heeft schriftelijk verklaard dat hij tot de coronalockdown in maart 2020 gebruik maakte van de diensten van [bedrijf 1] . Zijn aanspreekpunt was verdachte [verdachte] . De manager heeft geen contact gehad met [naam] en kent hem niet. Het aanspreekpunt van [bedrijf 3] was ook [verdachte] en de manager ontving van hem de facturen. De manager heeft verklaard dat hetzelfde personeel dat tot de eerste coronalockdown namens [bedrijf 1] de schoonmaakwerkzaamheden na de lockdown werkzaamheden verrichte namens [bedrijf 3] . De hotelmanager van Amadeus Hotel Amsterdam BV en IJburg Hotel BV heeft verklaard dat zijn aanspreekpunt voor zowel [bedrijf 1] als [bedrijf 3] verdachte [verdachte] was. Met [naam] heeft hij geen contact gehad. Er veranderde volgens de hotelmanager behalve de facturatie en het bankrekeningnummer eigenlijk helemaal niets. De prijsafspraken wijzigden niet en het personeel was grotendeels hetzelfde.
[naam] heeft verklaard dat hij [bedrijf 1] niet heeft overgekocht en nooit iets heeft getekend. In februari 2020 lag hij op de Intensive Care en daarna heeft [naam] 13 maanden gedetineerd heeft gezeten. Uit onderzoek naar de bankrekeningen van [bedrijf 1] volgt dat [verdachte] ook na 5 maart 2020 de gemachtigde is gebleven van deze bankrekeningen.
Vrijspraak NOW-aanvraag met dossiernummer 1279849, DOC-021
De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van de oplichting met de NOW-aanvraag met dossiernummer 1279849. Deze aanvraag is gedaan op 6 april 2020 namens [bedrijf 1] . Uit de aanvraag volgt dat wordt verwacht dat vanaf 1 maart 2020, 100 % omzetverlies wordt geleden. Verdachte wordt verweten dat er in werkelijkheid wel omzet was. Op grond van het dossier kan dat echter niet worden vastgesteld. De hotels gingen pas weer in juni 2020 open en niet is gebleken dat [bedrijf 1] in de maanden maart, april en mei 2020 op een andere wijze omzet heeft gedraaid. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat er over deze maanden sprake was van een omzetverlies van 100%.
Voor zover de officier van justitie heeft betoogd dat de oplichting bestaat uit het feit dat het bedrijf [bedrijf 1] op een andere naam zou zijn gezet om met het specifieke doel coronasteun aan te vragen en dat dit een constructie was om het UWV op te lichten, dan geldt dat zoals verdachte terecht heeft aangevoerd ten tijde van het opzetten van de constructie de gevolgen van corona nog niet bekend waren. [bedrijf 1] zou op 5 maart 2020 op naam van [naam] zijn gezet, terwijl de coronalockdown gold vanaf 12 maart 2020 en de vaststelling van de NOW-regeling op 31 maart 2020 plaatsvond.
De officier van justitie heeft nog aangevoerd dat de NOW-uitkering niet is besteed aan waar het voor bedoeld is, namelijk het uitbetalen van de lonen, maar dat wordt verdachte niet verweten in het onder feit 2 tenlastegelegde.
Bewijsoverwegingen NOW-aanvraag met dossiernummer 2000229
De rechtbank is van oordeel dat de oplichting door middel van listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels met betrekking tot de NOW-aanvraag van 6 juli 2020 met dossiernummer 2000229 kan worden bewezen. Namens [bedrijf 1] is een NOW-aanvraag gedaan waarbij in strijd met waarheid is voorgedaan dat zij recht had op een geldbedrag op grond van de NOW-regeling en dat een omzetverlies van 100 % werd verwacht voor de periode van juni tot en met september 2020. Uit de bewijsmiddelen volgt dat in ieder geval in juni en juli de werkzaamheden werden verricht door personeel dat in dienst was van [bedrijf 1] waardoor de loonkosten ook in [bedrijf 1] vielen, terwijl de omzet terecht kwam in [bedrijf 3] . Daardoor leek het dat [bedrijf 1] geen omzet had.
Hierdoor is het UWV bewogen tot afgifte van een uitkering. Dat het oogmerk van de aanvraag was gericht op bevoordeling volgt uit onder meer de WhatsApp-gesprekken tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , direct rondom de uitkeringen.
Feitelijk leidinggeven door verdachte na 5 maart 2020
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een schijnconstructie waarbij [bedrijf 1] alleen op papier (in de register van de Kamer van Koophandel) op naam is gezet van katvanger [naam] . Uit het procesdossier volgt niet dat de onderneming daadwerkelijk is overgedragen. Nergens blijkt dat de aandelen daadwerkelijk zijn overgegaan. Er zijn geen bedragen door [naam] overgemaakt aan [verdachte] Holding dan wel verdachte en [naam] verklaart dat hij niets met [bedrijf 1] te maken heeft. Ook zat hij ten tijde van de zogenaamde overdracht in detentie. Verdachte was na 5 maart 2020 op dezelfde manier als daarvoor betrokken bij het bedrijf. Hij bleef de bankrekeningen van [bedrijf 1] beheren en was nog steeds contactpersoon voor de hotels. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte na 5 maart 2020 in ieder geval de feitelijke leidinggever van [bedrijf 1] was. Uit de bewijsmiddelen volgt dat na de coronalockdown dezelfde schoonmaakwerkzaamheden zijn verricht bij dezelfde hotels als voor de coronalockdown maar dat vanaf juni 2020 werd gefactureerd onder de naam van [bedrijf 3] . Ook de managers van de hotels verklaren dat zij contact bleven houden met verdachte en dat enkel de naam van het bedrijf veranderde. Het personeel en de werkwijze veranderden niet. De baten van deze werkzaamheden kwamen in het nieuwe bedrijf, [bedrijf 3] .
Oplichtingsmiddelen
Omdat werd voorgewend dat met het oude bedrijf, [bedrijf 1] , geen omzet meer werd gegenereerd, maar wel loon zou worden doorbetaald, ontving dat bedrijf de baten van de NOW-aanvraag, terwijl zij daar geen recht op had. Er was immers wel sprake van omzet, maar dat kwam terecht in [bedrijf 3] . De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een listige kunstgreep en/of van een samenweefsel van verdichtsels, door de omzet weg te laten vloeien in een nieuw opgerichte onderneming [bedrijf 3] waardoor het leek dat er geen omzet in [bedrijf 1] was terwijl die er in werkelijkheid wel was. Bovendien was de aanvraag NOW gedaan door [bedrijf 1] , die inmiddels op naam stond van een katvanger, maar in werkelijkheid nog steeds in handen was van verdachte en in de aanvraag bewust onjuiste informatie is opgenomen.
Medeplegen
Uit de bewijsmiddelen volgt dat sprake is geweest van medeplegen door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . Verdachte is ook na 5 maart 2020 feitelijke leiding blijven geven aan [bedrijf 1] . [medeverdachte] heeft met medeweten en instemming van verdachte de aanvraag NOW namens [bedrijf 1] ingediend vanaf zijn IP-adres. Verdachte en [medeverdachte] hadden contact over de accordering, de NOW-aanvraag zelf en ook over de uitkering die werd overgemaakt op de rekening van [bedrijf 1] . De rechtbank is van oordeel dat hier dan ook sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] .
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Feit 1
[bedrijf 1] op tijdstippen in de periode van 1 februari 2019 tot 29 juni 2022 in Nederland, telkens opzettelijk de belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, te weten de belasting met betrekking tot de aangiften omzetbelasting tnv [bedrijf 1] over de aangiftetijdvakken januari tot en met december 2019 (DOC-097 t/m DOC-109) telkens niet en/of gedeeltelijk niet heeft betaald, immers heeft [bedrijf 1] telkens opzettelijk de belasting op de bovengenoemde aangiften omzetbelasting, welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, niet en/of gedeeltelijk niet, voldaan of gedragen, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.
Feit 2
in de periode 6 april 2020 tot 11 september 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen heeft bewogen tot de afgifte van goederen, te weten geldbedragen in verband met de Noodmaatregel Overbrugging van Werkgelegenheid, door – zakelijk weergegeven –
- in strijd met de waarheid [bedrijf 1] zich voor te laten doen als onderneming die recht had op geldbedragen in verband met de Noodmaatregel Overbrugging van Werkgelegenheid
- in een aanvraag Noodmaatregel Overbrugging van Werkgelegenheid ten name van [bedrijf 1] met dossiernummer 2000229 d.d. 6 juli 2020 (DOC-024) te (laten) vermelden dat [bedrijf 1] in de periode 1 maart 2020 t/m 30 september 2020 100% omzetverlies had geleden terwijl dat in werkelijkheid niet het geval was waardoor het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen werd bewogen tot de uitkering van een aan voornoemde Noodmaatregel Overbrugging van Werkgelegenheid verbonden geldbedrag.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straf
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat verdachte moet worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden. De officier van justitie heeft in zijn eis rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel aan verdachte dient te worden opgelegd ten aanzien van feit 1. Verdachte heeft de afgelopen jaren schoon schip gemaakt met betrekking tot zijn belastingschulden. Dit heeft erin geresulteerd dat er momenteel geheel geen schulden meer openstaan. Om die reden rijst de vraag welk strafvorderlijk belang nog met een strafoplegging wordt gediend. De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn waar in de strafoplegging rekening mee moet worden gehouden. De pleegperiode is inmiddels bijna zes jaar geleden geëindigd en sindsdien is er geen sprake van enige voortzetting van delicten. Verdachte heeft de zorg voor zijn gezin met kinderen. De verdediging verzoekt subsidiair om aan te sluiten bij de procesafspraken die zijn gemaakt bij de medeverdachte en om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft er als feitelijke leidinggever voor gezorgd dat [bedrijf 1] in totaal € 136.420,- aan omzetbelasting niet aan de Belastingdienst heeft betaald. Dit terwijl [bedrijf 1] in deze periode wel over middelen beschikte om de omzetbelasting af te dragen. Verdachte heeft er welbewust voor gekozen om [bedrijf 1] dit geld voor andere doeleinden te laten gebruiken en heeft hiermee de Belastingdienst en daarmee de samenleving ernstig benadeeld. Daarnaast heeft verdachte – samen met de medeverdachte – het UWV opgelicht door in strijd met de waarheid een NOW-aanvraag te doen waardoor in totaal een bedrag van € 156.500,- onterecht door [bedrijf 1] is ontvangen. De regeling was in het leven geroepen om ondernemingen die door de coronapandemie financieel (hard) werden geraakt te ondersteunen. Verdachte heeft hier met zijn medeverdachte schaamteloos misbruik van gemaakt. Dit raakt de hele maatschappij en de rechtbank weegt dit mee bij het bepalen van de straf.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 12 januari 2026. Hieruit volgt dat verdachte in 2021 is veroordeeld tot een geldboete voor een verkeersfeit.
Strafoplegging
Om te bevorderen dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken en gerechtshoven ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, hebben de rechtbanken en gerechtshoven oriëntatiepunten opgesteld. Bij het bepalen van de straf past de rechtbank als uitgangspunt het oriëntatiepunt voor fraude toe en houdt daarbij rekening met de hoogte van het benadelingsbedrag van in totaal € 292.920,-. Het oriëntatiepunt bij een benadelingsbedrag van € 250.000,- tot € 500.000,- is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 tot 18 maanden.
De verdediging heeft aangevoerd dat geen schulden meer bij de Belastingdienst open zouden staan en dat daarom geen strafvorderlijk belang meer bestaat om aan verdachte een straf op te leggen. De rechtbank kan echter op basis van de stukken die de verdediging heeft overgelegd – die betrekking hebben op een holding en VOF van verdachte – niet vaststellen dat de verschuldigde omzetbelasting van [bedrijf 1] inmiddels is betaald. De rechtbank verwerpt het verweer dat er geen strafvorderlijk belang bestaat om aan verdachte een straf op te leggen.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn waar in de strafoplegging rekening mee moet worden gehouden. Verdachte is op 21 februari 2023 aangehouden. De rechtbank neemt dit als aanvangsdatum van de redelijke termijn nu verdachte aan zijn aanhouding de verwachting kon ontlenen dat strafvervolging tegen hem zou worden ingesteld. Een verdachte heeft recht op berechting van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van die redelijke termijn door de rechtbank moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat de omvang en complexiteit van deze zaak niet zodanig zijn dat een extra vertraging gerechtvaardigd is geweest. Dit betekent dat de zaak op 21 februari 2025 afgerond had moeten zijn. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met 13 maanden.
Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden, met aftrek van het voorarrest, passend. De straf valt lager uit dan de eis van de officier van justitie nu verdachte wordt vrijgesproken van één NOW-aanvraag en de rechtbank uitgaat van een lager benadelingsbedrag dan de officier van justitie heeft gedaan. Ten slotte ziet de rechtbank geen reden om aan te knopen bij de straf die aan de medeverdachte wordt opgelegd, alleen al om de reden dat verdachte van een extra feit wordt verdacht en daarvoor ook wordt veroordeeld.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 51, 57, 63, 326 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
9. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1: feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon opzettelijk belasting, welke op aangifte moet worden gedaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betalen, meermalen gepleegd;
Feit 2: medeplegen van oplichting.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 (negen) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.M. van Hall, voorzitter,
mr. M. Nieuwenhuijs en mr. M. Bijleveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Beek, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 april 2026.