ECLI:NL:RBAMS:2026:3250

ECLI:NL:RBAMS:2026:3250

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 02-04-2026
Datum publicatie 01-04-2026
Zaaknummer 81-158650-22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, voor het medeplegen van oplichting (coronasteunfraude) waardoor het UWV werd bewogen tot de uitkering van een geldbedrag verbonden aan de Noodmaatregel Overbrugging van Werkgelegenheid. De rechtbank heeft de conform de procesafspraken gevorderde strafeis van de officier van justitie gevolgd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 81-158650-22

Datum uitspraak: 2 april 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1979 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie op het adres

[adres]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 maart 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.R. Paardekooper, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G. Palanciyan, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de tussen het Openbaar Ministerie en

verdachte op 17 maart 2026 gesloten overeenkomst ten aanzien van de door hen gemaakte procesafspraken.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting en kort weergegeven – tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het in de periode van 6 april 2020 tot 11 september 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander plegen van oplichting waardoor het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV) werd bewogen tot de uitkering van een geldbedrag verbonden aan de Noodmaatregel Overbrugging van Werkgelegenheid (hierna: NOW) aan [bedrijf 1] .

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich – overeenkomstig de procesafspraken – op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – overeenkomstig de procesafspraken – geen bewijsverweren gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

Naar aanleiding van het besluit in de stuur- en weegploeg van 31 maart 2021 is door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen [bedrijf 1] , medeverdachte [medeverdachte] en verdachte [verdachte] . [bedrijf 1] werd ervan verdacht opzettelijk de omzetbelasting over de tijdvakken januari tot en met december 2019 niet of grotendeels niet te hebben betaald.

[bedrijf 1] is opgericht op 3 augustus 2017. Tot 5 maart 2020 stond [bedrijf 2] ingeschreven als enig aandeelhouder en was [medeverdachte] bestuurder van de BV. Sinds 5 maart 2020 staat [naam] (hierna: [naam] ) ingeschreven in de Kamer van Koophandel als enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] . Op 29 juni 2022 is [bedrijf 1] failliet verklaard.

In de woning van verdachte is een Iphone 11 aangetroffen met het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer 1] . Dit telefoonnummer zou in gebruik zijn bij verdachte. [medeverdachte] heeft verklaard dat het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer 2] van hem is.

Door [bedrijf 1] is op 6 juli 2020 een voorschot op grond van de tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (hierna: NOW) aangevraagd met dossiernummer 2000229. De NOW was een subsidieregeling waarbij het UWV een voorschot verleende aan werkgevers op basis van hun aangegeven verwachte omzetverlies tijdens de coronapandemie. Deze tegemoetkoming die door de overheid werd verstrekt was bedoeld zodat de werkgever de werknemers kon doorbetalen en in dienst kon houden.

In de aanvraag die op 6 juli 2020 door [bedrijf 1] is gedaan staat dat het verwachte omzetverlies 100 % bedraagt. Op de aanvraag is bij de contactgegevens van [bedrijf 1] het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer 3] vermeld. Dit telefoonnummer kan worden gelinkt aan verdachte. De aanvraag is gedaan vanaf IP-adres [IP-adres] en dit adres wordt gelinkt aan verdachte. Naar aanleiding van deze aanvraag krijgt [bedrijf 1] een tegemoetkoming NOW van € 195.623,- en daarvan heeft het UWV een voorschot betaald van € 156.500,- voor een tegemoetkoming in de loonkosten, op basis van het verwachte omzetverlies over de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020. In de eerder genoemde iPhone 11 van verdachte is een chatgesprek te zien tussen verdachte en [medeverdachte] waarin verdachte op 6 juli 2020 vraagt om het wachtwoord. [medeverdachte] geeft het wachtwoord en verdacht zegt dan dat hij erin zit en zegt [medeverdachte] om akkoord te geven. [medeverdachte] zegt dat hij dit heeft gedaan en om 8.28 uur stuurt verdachte aan [medeverdachte] dat de aanvraag eruit is.

Naar aanleiding van deze aanvraag krijgt [bedrijf 1] een tegemoetkoming NOW van

€ 195.623,-. Het UWV heeft een voorschot betaald van € 156.500,- voor een tegemoetkoming in de loonkosten, op basis van het verwachte omzetverlies over de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020. Dit voorschot is (in twee deelbetalingen van € 78.250 op respectievelijk 9 juli 2020 en 10 september 2020) overgemaakt op het bankrekeningnummer van [bedrijf 1] . Op 9 juli 2020 stuurt [medeverdachte] dat het geld is gekomen. Op 11 september 2020 stuurt verdachte per WhatsApp aan [medeverdachte] een foto van een briefje waarop onder meer ‘78.250’ staat vermeld, alsmede de helft daarvan: ‘39.125’.

Op 12 maart 2020 begon de coronalockdown in Nederland. Onder meer de hotels die de inkomsten voor [bedrijf 1] genereerden werden gesloten. Medio juni 2020 mochten de hotels weer open. Vanaf eind maart 2020 tot en met eind juni 2020 zijn door [bedrijf 1] geen schoonmaakwerkzaamheden verricht.

Op 23 juli 2020 is [medeverdachte] een nieuw bedrijf gestart, genaamd [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ). Bij [bedrijf 3] werkte personeel dat eerder ook in dienst was van [bedrijf 1] . Uit het onderzoek van de controleambtenaar van de Belastingdienst is naar voren gekomen dat vanaf juni 2020 facturen op naam van [bedrijf 3] werden gestuurd aan hotels voor schoonmaakwerzkaamheden in juni en juli 2020, terwijl [bedrijf 3] nog niet was opgericht. Uit de bankgegevens volgt dat er na maart 2020 geen omzet meer was in [bedrijf 1] . Uit bankgegevens van [bedrijf 1] blijkt dat in het tweede en derde kwartaal van 2020 lonen zijn uitbetaald aan personeel voor werkzaamheden die zijn gefactureerd door [bedrijf 3] .

Managers van Hotel Hermitage en hotel ITC verklaren dat de schoonmaakwerkzaamheden in hun hotels tot en met maart 2020 zijn verricht door [bedrijf 1] en na de coronalockdown door [bedrijf 3] . Dit volgt ook uit de facturen die door de hotels zijn gestuurd, waaruit blijkt dat is gefactureerd voor werkzaamheden in juni en juli 2020 (Hermitage) en juli 2020 (ITC).

De manager van Hotel Titus BV heeft schriftelijk verklaard dat hij tot de coronalockdown in maart 2020 gebruik maakte van de diensten van [bedrijf 1] . Zijn aanspreekpunt was [medeverdachte] . De manager heeft geen contact gehad met [naam] en kent hem niet. Het aanspreekpunt van [bedrijf 3] was ook [medeverdachte] en de manager ontving van hem de facturen. De manager heeft verklaard dat hetzelfde personeel dat tot de eerste coronalockdown namens [bedrijf 1] de schoonmaakwerkzaamheden na de lockdown werkzaamheden verrichte namens [bedrijf 3] . De hotelmanager van Amadeus Hotel Amsterdam BV en IJburg Hotel BV heeft verklaard dat zijn aanspreekpunt voor zowel [bedrijf 1] als Professional verdachte [medeverdachte] was. Met [naam] heeft hij geen contact gehad. Er veranderde volgens de hotelmanager behalve de facturatie en het bankrekeningnummer eigenlijk helemaal niets. De prijsafspraken wijzigden niet en het personeel was grotendeels hetzelfde.

[naam] heeft verklaard dat hij [bedrijf 1] niet heeft overgekocht en nooit iets heeft getekend. In februari 2020 lag hij op de Intensive Care en daarna heeft [naam] 13 maanden gedetineerd gezeten. Uit onderzoek naar de bankrekeningen van [bedrijf 1] volgt dat [medeverdachte] ook na 5 maart 2020 de gemachtigde is gebleven van deze bankrekeningen.

Vrijspraak NOW-aanvraag met dossiernummer 1279849, DOC-021

De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van de oplichting met de NOW-aanvraag met dossiernummer 1279849. Deze aanvraag is gedaan op 6 april 2020 namens [bedrijf 1] . Uit de aanvraag volgt dat wordt verwacht dat er vanaf 1 maart 2020 100 % omzetverlies wordt geleden. Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat [bedrijf 1] in de maanden maart, april en mei omzet heeft gedraaid. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat er over deze maanden sprake was van een omzetverlies van 100%.

Voor zover de officier van justitie heeft betoogd dat de oplichting bestaat uit het feit dat het bedrijf [bedrijf 1] op een andere naam zou zijn gezet om met het specifieke doel coronasteun aan te vragen en dat dit een constructie was om het UWV op te lichten, dan geldt dat zoals verdachte terecht heeft aangevoerd ten tijde van het opzetten van de constructie de gevolgen van corona nog niet bekend waren. [bedrijf 1] zou op 5 maart 2020 zijn op naam van [naam] zijn gezet, terwijl de coronalockdown gold vanaf 12 maart 2020 en de vaststelling van de NOW-regeling op 31 maart 2020 plaatsvond.

De officier van justitie heeft nog aangevoerd dat de NOW-uitkering niet is besteed aan waar het voor bedoeld is, namelijk het uitbetalen van de lonen, maar dat wordt verdachte niet verweten in het onder feit 2 tenlastegelegde.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank is van oordeel dat de oplichting door middel van listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels met betrekking tot de NOW-aanvraag van 6 juli 2020 met dossiernummer 2000229 kan worden bewezen. Namens [bedrijf 1] is een NOW-aanvraag gedaan waarbij in strijd met waarheid is voorgedaan dat zij recht had op een geldbedrag op grond van de NOW-regeling en dat een omzetverlies van 100 % werd verwacht voor de periode van juni tot en met september 2020. [bedrijf 3] heeft immers werkzaamheden uitgevoerd voor hotels, heeft op haar naam facturen gestuurd terwijl zij nog niet was opgericht en heeft werkzaamheden laten uitvoeren door personeel dat (eerder) bij [bedrijf 1] in dienst was. Dat betekent dat in werkelijkheid wél omzet werd gedraaid, waarmee personeel van [bedrijf 1] werd betaald

Hierdoor is het UWV bewogen tot afgifte van een uitkering. Dat het oogmerk van de aanvraag was gericht op bevoordeling volgt uit onder meer de WhatsApp-gesprekken tussen [medeverdachte] en verdachte, direct rondom de uitkeringen.

Feitelijk leidinggeven door [medeverdachte] na 5 maart 2020

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een schijnconstructie waarbij [bedrijf 1] alleen op papier (in het register van de Kamer van Koophandel) op naam is gezet van katvanger [naam] . Uit het procesdossier volgt niet dat de onderneming daadwerkelijk is overgedragen. Nergens blijkt dat de aandelen daadwerkelijk zijn overgegaan. Er zijn geen bedragen door [naam] overgemaakt aan [medeverdachte] Holding dan wel verdachte en [naam] verklaart dat hij niets met [bedrijf 1] te maken heeft. Ook zat hij ten tijde van de zogenaamde overdracht in detentie. [medeverdachte] was na 5 maart 2020 op dezelfde manier als daarvoor betrokken bij het bedrijf. Hij bleef de bankrekeningen van [bedrijf 1] beheren en was nog steeds contactpersoon voor de hotels. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte] ook na 5 maart 2020, in ieder geval de feitelijke leidinggever van [bedrijf 1] was. Uit de bewijsmiddelen volgt dat na de coronalockdown dezelfde schoonmaakwerkzaamheden zijn verricht bij dezelfde hotels als voor de coronalockdown maar dat vanaf juni 2020 werd gefactureerd onder de naam van [bedrijf 3] . Ook de managers van de hotels verklaren dat zij contact bleven houden met [medeverdachte] en dat enkel de naam van het bedrijf veranderde. Het personeel en de werkwijze veranderden niet. De baten van de werkzaamheden kwamen in het nieuwe bedrijf, [bedrijf 3] .

Oplichtingsmiddelen

Omdat werd voorgewend dat met het oude bedrijf, [bedrijf 1] , geen omzet meer werd gegenereerd, maar wel loon zou worden doorbetaald, ontving dat bedrijf de baten van de NOW-aanvraag, terwijl zij daar geen recht op had. Er was immers wel sprake van omzet maar dat kwam terecht in [bedrijf 3] . De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een listige kunstgreep en of een samenweefsel van verdichtsels, door de omzet weg te laten vloeien in een nieuw opgerichte onderneming [bedrijf 3] waardoor het leek dat er geen omzet in [bedrijf 1] was terwijl die er in werkelijkheid wel was. Bovendien was de aanvraag NOW gedaan door [bedrijf 1] , die inmiddels op naam stond van een katvanger, maar in werkelijkheid nog steeds in handen bleef van [medeverdachte] en in de aanvraag bewust onjuiste informatie is opgenomen.

Medeplegen

Uit de bewijsmiddelen volgt dat er sprake is geweest van medeplegen door [medeverdachte] en verdachte. [medeverdachte] is ook na 5 maart 2020 feitelijke leiding blijven geven aan [bedrijf 1] . Verdachte heeft met medeweten en instemming van [medeverdachte] de aanvraag NOW namens [bedrijf 1] ingediend vanaf zijn IP-adres. [medeverdachte] en verdachte hadden contact over de accordering, de NOW-aanvraag zelf en ook over de uitkering die werd overgemaakt op de rekening van [bedrijf 1] . De rechtbank is van oordeel dat hier dan ook sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en verdachte.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

in de periode 6 april 2020 tot 11 september 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen heeft bewogen tot de afgifte van goederen, te weten geldbedragen in verband met de Noodmaatregel Overbrugging van Werkgelegenheid, door – zakelijk weergegeven –

- in strijd met de waarheid [bedrijf 1] zich voor te laten doen als onderneming die recht had op geldbedragen in verband met de Noodmaatregel Overbrugging van Werkgelegenheid

- in een aanvraag Noodmaatregel Overbrugging van Werkgelegenheid ten name van [bedrijf 1] met dossiernummer 2000229 d.d. 6 juli 2020 (DOC-024) te (laten) vermelden dat [bedrijf 1] in de periode 1 maart 2020 t/m 30 september 2020 100% omzetverlies had geleden terwijl dat in werkelijkheid niet het geval was waardoor het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen werd bewogen tot de uitkering van een aan voornoemde Noodmaatregel Overbrugging van Werkgelegenheid verbonden geldbedrag.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Procesafspraken

Totstandkoming procesafspraken

Het Openbaar Ministerie en de raadsman van verdachte hebben de mogelijkheid besproken van het maken van procesafspraken met betrekking tot de afdoening van de strafzaak. Beide partijen hebben gesteld meerwaarde te zien in het maken van procesafspraken.

De rechtbank heeft op 18 maart 2026 een door de officier van justitie en verdachte en zijn raadsman op 17 maart 2026 ondertekende overeenkomst, ontvangen. Op 19 maart 2026 heeft de rechtbank een bewijsmiddelenoverzicht ontvangen.

Zowel de procesafspraken als het bewijsmiddelenoverzicht zijn als bijlage II aan dit vonnis gehecht en gelden als hier ingevoegd.

Overeengekomen procesafspraken

In de overeenkomst tussen het Openbaar Ministerie en verdachte staat onder meer vermeld dat het Openbaar Ministerie en de verdediging door het maken van de procesafspraken beogen om de behandeling van de strafzaak zo efficiënt mogelijk te maken. De navolgende afspraken zijn tot stand gekomen:

het Openbaar Ministerie zal rekwireren tot een bewezenverklaring en kwalificeert het feit als volgt: het tezamen en in vereniging door, met het oogmerk om zich/een ander wederrechtelijk te bevoordelen, een samenweefsel van verdichtsels, het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen in verband met de Noodmaatregel Overbrugging van Werkgelegenheid;

het Openbaar Ministerie zal rekwireren tot de volgende strafoplegging: een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden;

verdachte ziet af van het indienen van onderzoekswensen en trekt al ingediende onderzoekswensen uiterlijk ter zitting en bij voorkeur al eerder schriftelijk in;

door de verdediging worden geen bewijsverweren gevoerd;

door de verdediging wordt geen strafmaatverweer gevoerd;

de verdachte zal ter zitting aanwezig zijn;

door de verdediging en het Openbaar Ministerie wordt geen hoger beroep ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken;

Verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken;

De verdediging is akkoord met de door het Openbaar Ministerie voorgenomen wijziging tenlastelegging; namelijk dat bij feit 1 de pleegperiode als volgt wordt gewijzigd: “(…) in of omstreeks de periode 6 april 2020 tot 11 september 2020 (…)”.

Beoordeling procesafspraken door de rechtbank

De rechter kan alleen acht slaan op een door het Openbaar Ministerie en de verdediging opgesteld afdoeningsvoorstel als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat in een afdoeningsvoorstel de verdachte in de regel afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.

De rechtbank heeft op de zitting van 19 maart 2026 de procesafspraken besproken met verdachte, terwijl hij werd bijgestaan door zijn raadsman. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij begrijpt waar de procesafspraken uit bestaan. De rechtbank heeft de gevolgen van de procesafspraken besproken en zijn rechtspositie concreet aan de orde gesteld. Verdachte heeft verklaard dat hij zich bewust is van de inhoud van de procesafspraken en de gevolgen hiervan en dat hij achter de gemaakte afspraken en het afdoeningsvoorstel staat. De rechtbank heeft begrepen dat verdachte zich vrij voelde om zelf te beslissen en zich niet onder druk gezet heeft gevoeld om de procesafspraken te maken. De rechtbank is van oordeel dat verdachte – die gedurende zijn proces steeds is bijgestaan door een raadsman – vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie, en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De rechtbank heeft zich bij de inhoudelijke behandeling ervan vergewist dat de verdachte nog altijd achter de gemaakte afspraken en het afdoeningsvoorstel staat. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat zij acht kan slaan op de tussen de verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte procesafspraken.

8. Motivering van de straf

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft conform de procesafspraken gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich aangesloten bij de eis van de officier van justitie.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft – samen met de medeverdachte – het UWV opgelicht door in strijd met de waarheid een NOW-aanvraag te doen waardoor in totaal een bedrag van € 156.500,- onterecht door [bedrijf 1] is ontvangen. De regeling was in het leven geroepen om ondernemingen die door de coronapandemie financieel (hard) werden geraakt te ondersteunen. Verdachte heeft hier met zijn medeverdachte schaamteloos misbruik van gemaakt. Dit raakt de hele maatschappij en de rechtbank weegt dit mee bij het bepalen van de straf.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 12 januari 2026. Hieruit volgt dat verdachte op 11 december 2024 is veroordeeld tot een geldboete voor een mishandeling.

Strafoplegging

Om te bevorderen dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken en gerechtshoven ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, hebben de rechtbanken en gerechtshoven oriëntatiepunten opgesteld. Bij het bepalen van de straf past de rechtbank als uitgangpunt het oriëntatiepunt voor fraude toe en houdt daarbij rekening met de hoogte van het benadelingsbedrag van in totaal € 156.500,-. Het oriëntatiepunt bij een benadelingsbedrag van € 125.000,- tot € 250.000,- is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 tot 12 maanden.

De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn waar in de strafoplegging rekening mee moet worden gehouden. Verdachte is op 21 februari 2023 aangehouden. De rechtbank neemt dit als aanvangsdatum van de redelijke termijn nu verdachte aan zijn aanhouding de verwachting kon ontlenen dat strafvervolging tegen hem zou worden ingesteld. Een verdachte heeft recht op berechting van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van die redelijke termijn door de rechtbank moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat de omvang en complexiteit van deze zaak niet zodanig zijn dat een extra vertraging gerechtvaardigd is geweest. Dit betekent dat de zaak op 21 februari 2025 afgerond had moeten zijn. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met 13 maanden.

Procesafspraken

Het Openbaar Ministerie heeft beoogd door het maken van procesafspraken de behandeling van deze strafzaak zo efficiënt mogelijk te maken. In de aanloop naar de procesafspraken is acht geslagen op de eisen van artikel 6 EVRM. Bij de hoogte van de gevorderde straf is rekening gehouden met de ouderdom van het feit, het door het feit veroorzaakte nadeel en de justitiële documentatie van verdachte.

De rechtbank volgt de conform de procesafspraken gevorderde strafeis door de officier van justitie. De rechtbank is van oordeel dat de procesafspraken zowel recht doen aan de belangen van de maatschappij als aan de persoonlijke belangen van verdachte. De procesafspraken staan in redelijke verhouding tot de ernst van de zaak staat en de rechtbank betrekt daarbij dat het niet alleen een efficiënte en voortvarende behandeling van de zaak dient, maar ook een effectieve afdoening daarvan, omdat de zaak sneller onherroepelijk wordt en de straf sneller wordt geëxecuteerd.

Strafoplegging

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde taakstraf van 240 uur en voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden passend en geboden is. De rechtbank legt hierbij een proeftijd op van twee jaren. De verdediging en het Openbaar Ministerie hebben ter zitting ingestemd met een proeftijd van twee jaren.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 63, 326 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op: medeplegen van oplichting.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M. van Hall, voorzitter,

mr. M. Nieuwenhuijs en mr. M. Bijleveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Beek, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.M. van Hall
  • mr. M. Nieuwenhuijs
  • mr. M. Bijleveld

Griffier

  • mr. M.M. van der Beek

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?