RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
faillissementsnummer: C/13/26/76 F
Ter griffie van deze rechtbank is op 2 februari 2026 een verzoekschrift met rekestnummer C/13/782653 / FT RK 26/45 ingekomen van:
DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST MIDDEN- EN KLEINBEDRIJF,
mede kantoorhoudende te Amsterdam,
verzoeker,
advocaat mr. E.E. Schipper.
Het verzoek strekt tot faillietverklaring van:
besloten vennootschap
[verweerder] ,
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] ,
statutair gevestigd te [plaats] ,
vestigingsadres: [adres] ,
gerekestreerde, hierna te noemen [verweerder] .
1. De procedure
Het verzoek is behandeld ter zitting van 3 maart 2026. De behandeling is vervolgens aangehouden tot 17 maart 2026 om [verweerder] in de gelegenheid te stellen de laatst gedeponeerde jaarstukken te overleggen (althans van latere datum dan 2021) en aan te tonen dat het totaal aan schulden van ruim 11 miljoen geheel is voldaan.
Op 9 maart 2026 heeft [verweerder] de jaarrekening over het jaar 2023 overgelegd. De Belastingdienst heeft op 16 maart 2026 hierop gereageerd.
Namens de Belastingdienst zijn ter zitting van 17 maart 2026 de heer [naam 1] , en de heer [naam 2] verschenen en gehoord. Namens [verweerder] is de heer [naam 3] , bedrijfsjurist, vergezeld door de heer [naam 4] , accountant, en mr. J.E. van Rossem, advocaat, verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Standpunten van partijen
Standpunt van de Belastingdienst
De Belastingdienst heeft in zijn verzoekschrift gesteld dat sprake is van een onherroepelijk vaststaande aanslagen loonheffing, omzetbelasting en vennootschapsbelasting ad € 439.668,00. De Belastingdienst heeft tijdens de zitting van 3 maart 2026 bevestigd dat de steunvordering van Hollandstroom is voldaan. De Belastingdienst heeft toen gesteld dat nog steunvordering blijkt uit de jaarstukken van 2021. uit de laatste gedeponeerde jaarstukken van 2021 blijkt dat [verweerder] een schuld heeft van ruim 11 miljoen bestaande uit schulden aan derden en intercompany rekening-courant verhoudingen. Nu na 2021 geen belastingaangifte is gedaan en geen jaarstukken meer zijn gedeponeerd, gaat de Belastingdienst er vanuit dat deze schulden nog bestaan en als steunvordering kunnen dienen. De Belastingdienst bestrijdt de juistheid van de door gerekestreerde op 9 maart 2026 overgelegde jaarrekening over het jaar 2023. In dit jaarverslag ontbreekt de eind 2023 bestaande schuld aan de Belastingdienst van € 400.000,00. Daarnaast ontbreekt een onderbouwing dat de schulden van de crediteuren en de intercompany schulden daadwerkelijk nihil zijn. Er ontbreken betalingsbewijzen met betrekking tot de crediteuren met een bedrag van € 5.150.954,00 of bewijzen dat er andere afspraken met betrekking tot de openstaande schulden zijn gemaakt. Hetzelfde geldt voor de intercompany schulden. Mocht [verweerder] zich beroepen op interne verrekening dan zou nog een schuld van circa 3 miljoen op de balans aanwezig moeten zijn. Er zou voor een bedrag van circa 14 miljoen aan betalingen moeten zijn gedaan. [verweerder] had niet de liquide middelen om een dergelijk bedrag te kunnen voldoen. Naar het oordeel van de Belastingdienst kan de jaarrekening 2023 dan ook niet correct zijn. De overgelegde jaarrekening kan dan ook niet als bewijs dienen dat er geen schulden meer aanwezig zijn.
Standpunt van [verweerder]
heeft erkend dat er schulden zijn aan de Belastingdienst en de ACM. [verweerder] betwist dat sprake is van een steunvordering. Zij heeft ter onderbouwing van haar standpunt de – op 16 maart 2026 gedeponeerde – jaarrekening over het jaar 2023 overgelegd. Volgens [verweerder] blijkt uit de jaarrekening dat er geen schulden aanwezig zijn. [verweerder] stelt ten aanzien van de kortlopende schulden dat [verweerder] rekening-courant overeenkomsten met gelieerde vennootschappen (voor een bedrag van € 7.957.640,- opgenomen in de jaarrekening) is aangegaan voor de duur van twee jaar. In deze overeenkomsten is een verjaringstermijn van één jaar overeengekomen. Deze intercompany vorderingen zijn inmiddels verjaard. De in de jaarrekening genoemde handelscrediteuren (ad € 5.150.954,-) bestonden voor een deel ook uit intercompany schulden. Verder is de langlopende schuld is ingelopen. Kortgezegd zijn de schulden van [verweerder] zijn deels betaald, deels verrekend en deels vrij gevallen. De afwijkende afspraak ten aanzien van de verjaringstermijn staat niet in de toelichting op de jaarrekening. Volgens [verweerder] is een uitgebreide toelichting bij een eenvoudige jaarrekening ook niet verplicht. [verweerder] kan zo nodig de onderliggende overeenkomsten verstrekken.
Ter zitting heeft de accountant van [verweerder] , de heer [naam 4] , kort gezegd verklaard dat hij de jaarrekening 2023 van [verweerder] in 2024 heeft opgesteld. Hij heeft destijds de overeenkomsten gezien waaruit blijkt 7 miljoen aan intercompany vorderingen vrij vallen. Het betreft een ongebruikelijk situatie die niet vaak voorkomt. Hij heeft [verweerder] gewaarschuwd dat over deze vrijval circa 2 miljoen aan belasting moet worden betaald. De jaarrekening is destijds niet gepubliceerd, omdat [naam 4] nog een aantal stukken van [verweerder] wilde ontvangen. De aanslagen loonheffing en omzetbelasting van de Belastingdienst waren niet bekend bij het opstellen van deze jaarrekening. Naar verwachting zullen de jaarrekeningen over de jaren 2024 en 2025 gelijk zijn aan die van 2023, omdat de onderneming niet meer actief is. Deze jaarrekeningen zijn nog niet opgemaakt.
3. De beoordeling
Bij de behandeling is summierlijk gebleken van een vorderingsrecht van de Belastingdienst. Er is sprake van een opeisbare vordering van € 439.668,00 met betrekking tot onbetaald gelaten aanslagen loonheffing, omzetbelasting en vennootschapsbelasting.
Daarnaast is gebleken van een ACM-boete van € 433.000,19 opgelegd in 2024 vanwege misleidende handelspraktijken. Deze vordering kan echter, gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad (zie ECLI:NL:HR:2018:1988), niet als steunvordering gelden.
Verder is voldoende summierlijk gebleken van het bestaan van een steunvordering. Uit de jaarrekening 2023 is gebleken dat op 31 december 2022 sprake was van een forse kortlopende schulden (totaal € 14.032.046) en een aanzienlijke langlopende schuld (totaal € 1.503.000). Vervolgens blijkt uit deze stukken dat al deze schulden aan derden op 31 december 2023 op nihil zijn gewaardeerd. Ook blijkt uit de jaarrekening dat vorderingen op groepsmaatschappijen ter waarde van € 4.205.853 op nihil zijn gesteld. De verklaring van [verweerder] voor het niet langer aanwezig zijn van deze schulden en vorderingen – dat de schulden en/of vorderingen deels zijn betaald, deels zijn verrekend en deels (voor een bedrag van 7 miljoen) vrij gevallen door verjaring – is onvoldoende onderbouwd om aan te nemen dat geen enkele schuld meer aanwezig is. Vooral de ongebruikelijke en afwijkende verjaringstermijn van één jaar van de intercompany rekening-courant vorderingen springt in het oog. Het had op de weg van [verweerder] gelegen om deze afspraak met stukken te onderbouwen. Ook de stelling dat het langlopende leningen zijn voldaan, kan niet uit de stukken worden afgeleid (anders dan dat deze op papier op nihil zijn gesteld). Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, heeft [verweerder] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat daadwerkelijk sprake is van het voldoen, vrijvallen en verjaren van alle op 31 december 2022 bestaande vorderingen aan derden of andere entiteiten in de groep waar gerekestreerde blijkbaar deel van uit maakt. Verder roept de stelling van [verweerder] dat ‘schulden aan leveranciers en handelskredieten’ voor het merendeel schulden aan gelieerde partijen betreft (intercompany) en ook zijn verjaard, dan wel voldaan, dan wel verrekend. De overgelegde stukken leveren hiervoor geen, althans onvoldoende onderbouwing. Tevens valt op dat in de jaarstukken voor 2022 wel een belastingschuld is opgenomen en deze op nihil is gesteld in de jaarrekening 2023. In het door de Belastingdienst overgelegde overzicht van openstaande schulden is immers sprake van schulden uit 2020 en 2021. Niet betwist wordt dat deze schulden nog niet zijn voldaan, dus valt niet in te zien waarom deze niet in de jaarrekening van 2023 zijn opgenomen. Met de Belastingdienst is de rechtbank dan ook van oordeel dat de jaarrekening geen juist beeld geeft van de daadwerkelijke financiële situatie van [verweerder] . Met het overleggen van de jaarrekening over 2023 heeft [verweerder] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er geen andere schulden meer aanwezig zijn. Gelet op het voorgaande is het bestaan van de steunvordering dan ook onvoldoende gemotiveerd betwist en is summierlijk gebleken van een steunvordering.
Wat de toestand van te hebben opgehouden te betalen betreft wordt het volgende overwogen. [verweerder] heeft meerdere grote schulden. Niet is gebleken dat [verweerder] over voldoende actief beschikt om deze schulden te betalen. Uit de overgelegde jaarrekening blijkt niet van voldoende substantieel actief. Bovendien is ter zitting gebleken dat de onderneming niet meer actief is en dus geen inkomsten genereert. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat [verweerder] verkeert in een toestand dat zij heeft opgehouden te betalen.
De rechtbank heeft acht geslagen op de artikelen 1, 2, 4, 6 en 14 van de Faillissementswet.
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van verordening (EU) 2015/848 van het Europees parlement en de raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen, nu het centrum van de voornaamste belangen van [verweerder] in Nederland ligt.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het faillissementsverzoek toewijzen.
4. De beslissing
De rechtbank:
- verklaart [verweerder] voornoemd in staat van faillissement;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. C.H. Rombouts, rechter in deze rechtbank, en tot curator mr. W.P.Y. Overgoor, 1070 AD Amsterdam, postbus 75181;
- geeft aan de curator last tot het openen van de aan gefailleerde gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. de Vos en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026 te 11:00 uur.