RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/369828-24 (zaak A) en 13/228678-23 (zaak B)
Datum uitspraak: 7 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 maart 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovengemelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. De zaken worden hierna als zaak A (13/369828-24) en zaak B (13/228678-23) aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.R. Bons en van wat de raadsvrouw van verdachte mr. E.M.C. van Nielen naar voren heeft gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
Zaak A
een beroep of gewoonte maken van het door middel van een geautomatiseerd werk aanbieden van huurwoningen tegen betaling met het oogmerk om zonder levering zich van die betaling te verzekeren, in de periode van 17 januari 2023 tot en met 15 oktober 2024 in Amsterdam, Almere en/of De Meern, althans in Nederland. Subsidiair is dit ten laste gelegd als het meermalen plegen van oplichting;
Zaak B
oplichting door [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag door valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich voor te doen als een bonafide makelaar en/of verhuurder en in contact te treden met bovengenoemde personen, hen een huurcontract toe te sturen voor een woning en te verzoeken om een geldbedrag over te maken, in de periode van 24 januari 2023 tot en met 30 januari 2023 in Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het in zaak A primair en zaak B ten laste gelegde kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van zaak B
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast.
Het dossier bevat drie aangiftes, waarin aangevers hebben verklaard dat zij hebben gereageerd op een advertentie op de website van Kamernet. Zij kregen contact met een persoon die belde met het nummer + [nummer] en de naam [naam] gebruikte. [naam] liet de aangevers tijdens een videobelgesprek de woning zien. Vervolgens stuurde [naam] een huurcontract waarna aangevers het huurbedrag van € 645,- moesten overmaken naar [rekeningnummer] op naam van [verdachte] . Nadat aangevers het geldbedrag hadden overgemaakt, konden zij geen contact meer met [naam] krijgen. Aangeefster [slachtoffer 2] is naar de woning gegaan voor de sleuteloverdracht, maar daar bleek dat het appartement niet te huur was. Uit onderzoek blijkt dat bovengenoemd bankrekeningnummer op naam staat van verdachte. Verdachte heeft na te zijn geconfronteerd met de aangifte van [slachtoffer 2] verklaard dat hij weet waar het over gaat en dat hij kamers verhuurde.
Bewijsoverweging ten aanzien van zaak B
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte bovengenoemde aangevers heeft opgelicht. Verdachte heeft de aangevers bewogen tot afgifte van een geldbedrag door het aannemen van een valse hoedanigheid. Verdachte heeft zich namelijk voorgedaan als bonafide verhuurder via Kamernet. Hij heeft het hierbij doen voorkomen alsof hij woningen te huur had, die in werkelijkheid niet te huur waren. Verdachte liet vervolgens tijdens een videobelgesprek een woning aan aangevers zien, waarna hij hen een huurcontract stuurde en verzocht om geld over te maken. De levering van de beloofde huurwoningen bleef hierna uit.
Ten aanzien van zaak A
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich in de periode van 17 januari 2023 tot en met 15 oktober 2024 schuldig heeft gemaakt aan een gewoonte maken van het door middel van een geautomatiseerd werk verhuren van woningen tegen betaling met het oogmerk om zonder levering zich van de betaling van de huur te verzekeren.
Omdat verdachte deze feiten heeft bekend en de raadsvrouw hiervoor geen vrijspraak heeft gevraagd, volstaat de rechtbank met het verwijzen naar de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in bijlage II bij dit vonnis.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Zaak A
Ten aanzien van feit 1 primair:
in de periode van 17 januari 2023 tot en met 15 oktober 2024 in Nederland, een gewoonte heeft gemaakt van het door middel van een geautomatiseerd werk te weten: een server van Kamernet.nl, Kamer.nl en Facebook.nl, aanbieden van goederen tegen betaling, te weten:
Via Kamernet.nl een huurwoning aan:
- [slachtoffer 4] voor een aanbetaling en/of borgstelling van € 750,
- [slachtoffer 5] voor een aanbetaling en/of borgstelling van € 1.400,
- [slachtoffer 6] voor een aanbetaling en borgstelling van € 1.400,
- [slachtoffer 7] voor een aanbetaling en borgstelling van € 1.400,
- [slachtoffer 8] voor een aanbetaling en borgstelling van € 1.500,
- [slachtoffer 9] voor een aanbetaling en/of borgstelling van ongeveer € 2.250, en
Via Kamernet.nl een huurwoning ( [adres] ) aan:
- [slachtoffer 10] voor een borgstelling van € 1.500,
- [slachtoffer 11] voor een borgstelling van € 1.200,
- [slachtoffer 12] voor een borgstelling van € 1.500, en
Via Kamer.nl een huurwoning ( [adres] ) aan:
- [slachtoffer 13] voor een aanbetaling en/of borgstelling van € 1.500, en
- [slachtoffer 14] voor een aanbetaling en/of borgstelling van € 1.500, en
Via Kamer.nl een huurwoning ( [adres] ) aan [slachtoffer 15] voor een aanbetaling en borgstelling van € 1.300, en
Via Kamernet.nl een huurwoning ( [adres] ) aan [slachtoffer 16] voor een borgstelling van € 625 en
Via Facebook.nl een huurwoning ( [adres] ) aan [slachtoffer 17] voor een aanbetaling van € 1.200 en borgstelling van € 1.200, en
Via Facebook.nl een huurwoning ( [adres] aan [slachtoffer 18] voor een aanbetaling van € 750
met het oogmerk om zonder volledige levering zich van de betaling van die goederen te verzekeren door:
- zich voor te doen als een bonafide eigenaar en/of verhuurder, en
- via Facebook.nl, Kamernet.nl en/of Kamer.nl telefonisch en/of WhatsApp (videobellen) in contact te treden met voornoemde personen en de betreffende woning te tonen, en
- voornoemde personen een huurcontract toe te sturen voor een woning, en
- voornoemde personen te bewegen tot het overmaken van bovengenoemde geldbedragen ter aanbetaling en/of als borg voor het verkrijgen van de door verdachte aangeboden woning naar zijn rekeningen;
Zaak B
in de periode van 24 januari 2023 tot en met 30 januari 2023 in Nederland, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, door telkens met voren omschreven oogmerk valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid
- zich voor te doen als een bonafide verhuurder, en
- via Kamernet en/of telefonisch en/of WhatsApp en/of videobellen in contact te treden met voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en
- voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] een huurcontract toe te sturen voor een woning en
- voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te verzoeken om geld over te maken voor een woning naar zijn, verdachtes, rekeningnummer.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Aan de proeftijd dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan fraude en oplichting. Verdachte heeft stelselmatig, gedurende een langere periode geld afhandig gemaakt van achttien benadeelden door zich voor te doen als betrouwbare verhuurder en woningen te huur aan te bieden in de wetenschap dat hij deze woningen niet aan hen beschikbaar kon stellen. De woningen werden aangeboden aan benadeelden die op het moment van contact in het buitenland verbleven en naar Amsterdam zouden komen voor studie of werk Aan hen werd via videobellen een woning getoond. Bij aankomst in Nederland bleek dat zij waren opgelicht en dat zij toch geen verblijfplek hadden. Dit heeft geleid tot veel stress en financiële schade bij de benadeelden. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij de benadeelden heeft gebruikt om er zelf financieel beter van te worden. Door de fysieke afstand waren de benadeelden kwetsbaar en daarvan heeft verdachte misbruik gemaakt. Ook neemt de rechtbank verdachte kwalijk dat hij misbruik heeft gemaakt van de krappe woningmarkt in Amsterdam.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 16 februari 2026, waaruit volgt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar niet is veroordeeld voor strafbare feiten. De rechtbank zal het strafblad van verdachte daarom niet in strafverzwarende zin meewegen.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het verslag van de reclassering van 21 november 2024. Hieruit blijkt – kort samengevat – dat verdachte de feiten heeft gepleegd, omdat hij zijn baan had verloren, zijn vaste lasten niet meer kon betalen, zijn moeder financieel ondersteunde en een gokverslaving had. De voorlopige hechtenis van verdachte is op 21 november 2021 geschorst onder toezicht van de reclassering Op 17 maart 2026 heeft de reclassering een evaluatieverslag opgesteld. De reclassering ziet dat verdachte een groei heeft doorgemaakt in zijn probleemoplossend vermogen. Hij is in staat om met spanning om te gaan zonder terug te vallen in verslavings- of delictgedrag. Verdachte staat levenslang ingeschreven in het Centraal Register Uitsluiting Kansspelen, waardoor de risico’s op een gokverslaving en potentiële financiële problemen verminderd zijn. Verdachte heeft aangegeven dat hij een baan heeft en spaart om de benadeelden terug te betalen. De reclassering schat het risico op recidive in als laag. De reclassering adviseert een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte verantwoordelijkheid neemt voor hetgeen hij heeft gedaan, de feiten langer geleden zijn gepleegd, verdachte sinds november 2024 toezicht en begeleiding van de reclassering heeft in het kader van de geschorste voorlopige hechtenis en daarin positieve stappen heeft gezet. De rechtbank acht het verder belangrijk dat verdachte zijn inkomen behoudt, zodat hij niet opnieuw in financiële problemen komt en de kans op recidive wordt beperkt. Ook is verdachte dan in staat om de benadeelden terug te betalen.
Strafoplegging
De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf verder rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Die zijn doorgaans aanzienlijk lager dan de straf die de officier van justitie heeft geëist. De rechtbank zal daarom af wijken van de eis van de officier van justitie.. Alles afwegende acht de rechtbank het passend en geboden om aan verdachte een taakstraf van 180 uren op te leggen, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 90 dagen hechtenis. Daarnaast zal aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd van twee maanden.
De rechtbank is van oordeel dat in zaak B de redelijke termijn is geschonden. Verdachte is in zaak B op 2 augustus 2023 aangehouden. De rechtbank neemt dit als aanvangsdatum van de redelijke termijn nu verdachte aan zijn aanhouding de verwachting kon ontlenen dat strafvervolging tegen hem zou worden ingesteld. Een verdachte heeft recht op berechting van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van die redelijke termijn door de rechtbank moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat de omvang en complexiteit van deze zaak niet zodanig zijn dat een extra vertraging gerechtvaardigd is geweest. Dit betekent dat de zaak op 2 augustus 2025 afgerond had moeten zijn. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met 8 maanden. Deze schending is verdisconteerd in de hoogte van de taakstraf. Indien de zaak binnen redelijke termijn was berecht had de rechtbank een taakstraf opgelegd van 190 uren.
8. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
Zaak A
De vordering van [slachtoffer 8]
De benadeelde partij [slachtoffer 8] vordert € 1.500,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2024.
De vordering van [slachtoffer 14]
De benadeelde partij [slachtoffer 14] vordert € 1.500,- aan vergoeding van materiële schade en € 500,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vordering is ten aanzien van de immateriële schade betwist, omdat onvoldoende is onderbouwd dat een aantasting in de persoon heeft plaatsgevonden.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is ten aanzien van deze schade niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2024.
De vordering tot vergoeding van immateriële schade zal worden afgewezen omdat de benadeelde partij geen concrete gegevens heeft aangedragen waarmee geestelijk letsel of aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan worden vastgesteld.
De vordering van [slachtoffer 10]
De benadeelde partij [slachtoffer 10] vordert €2.615,- aan vergoeding van materiële schade en € 1.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vordering is ten aanzien van de immateriële schade ter hoogte van € 1.500,- betwist, omdat onvoldoende is onderbouwd dat een aantasting in de persoon heeft plaatsgevonden. De vordering is ten aanzien van de materiële schade ter hoogte van € 1.115,- betwist, omdat de vordering ten aanzien van dit deel niet is onderbouwd met stukken.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van materiële schade toewijzen tot een bedrag van in totaal € 1.500,- , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 september 2024. Dit deel van de vordering is niet betwist. De benadeelde partij zal in het overige deel van de gevorderde materiële schade van € 1.115 niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat dat deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd en aanhouding om nadere onderbouwing mogelijk te maken een onevenredige belasting van het strafgeding vormt.
De vordering tot vergoeding van immateriële schade zal worden afgewezen omdat de benadeelde partij geen concrete gegevens heeft aangedragen waarmee geestelijk letsel of aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan worden vastgesteld.
De vordering van [slachtoffer 5]
De benadeelde partij [slachtoffer 5] vordert € 1.400,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2024.
De vordering van [slachtoffer 4]
De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert € 750,- aan vergoeding van materiële schade en € 750,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vordering is ten aanzien van de immateriële schade betwist, omdat onvoldoende is onderbouwd dat er een aantasting in de persoon heeft plaatsgevonden.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is ten aanzien van deze schade niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2024.
De vordering tot vergoeding van immateriële schade zal worden afgewezen omdat de benadeelde partij geen concrete gegevens heeft aangedragen waarmee geestelijk letsel of aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan worden vastgesteld.
De vordering van [slachtoffer 18]
De benadeelde partij [slachtoffer 18] vordert € 750,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 september 2024.
De vordering van [slachtoffer 13]
De benadeelde partij [slachtoffer 13] vordert € 2.469,53 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vordering is tot een bedrag van € 969,53 betwist. De vordering is ten aanzien van de het aangeschafte beddengoed (€ 80,-) betwist, omdat het causaal verband tussen deze schade en het ten laste gelegde feit onvoldoende is onderbouwd. De vordering is ten aanzien van het verblijf in het hostel (€ 889,53) betwist, omdat dit deel van de vordering niet is onderbouwd met stukken.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van materiële schade toewijzen tot een bedrag van in totaal € 1.500,- , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2024. Dit deel van de vordering is niet betwist. De vordering tot vergoeding van het beddengoed zal worden afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met de bewezenverklaarde feiten. De benadeelde partij zal in de vordering tot vergoeding van de hostelkosten niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en aanhouding om nadere onderbouwing mogelijk te maken een onevenredige belasting van het strafgeding vormt.
De vordering van [slachtoffer 17]
De benadeelde partij [slachtoffer 17] vordert € 2.800,- aan vergoeding van materiële schade en € 500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede € 1.169,- aan proceskosten.
De vordering is met betrekking tot de materiële schade tot een bedrag van € 400,- betwist, omdat de vordering ten aanzien van dit deel niet is onderbouwd met stukken.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van materiële schade toewijzen tot een bedrag van in totaal € 2.400,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2024. Dit deel van de vordering is niet betwist. De benadeelde partij zal in het overige deel van de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en aanhouding om nadere onderbouwing mogelijk te maken een onevenredige belasting van het strafgeding vormt.
De vordering tot vergoeding van immateriële schade zal worden afgewezen omdat de benadeelde partij geen concrete gegevens heeft aangedragen waarmee geestelijk letsel of aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan worden vastgesteld.
De benadeelde partij zal in de vordering tot vergoeding van proceskosten niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en aanhouding om nadere onderbouwing mogelijk te maken een onevenredige belasting van het strafgeding vormt. De rechtbank weegt hierbij mee dat dit deel van de vordering gelet op de omschrijving daarvan geen proceskosten betreffen, maar andersoortige materiële kosten waarvoor geen onderbouwing is gegeven.
De vordering van [slachtoffer 16]
De benadeelde partij [slachtoffer 16] vordert € 650,- aan vergoeding van materiële schade en
€ 3.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vordering is betwist. De vordering is ten aanzien van de materiële schade betwist, omdat er geen bankafschrift is overgelegd. De vordering is ten aanzien van de immateriële schade betwist, omdat onvoldoende is onderbouwd dat er een aantasting in de persoon heeft plaatsgevonden.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van materiële schade toewijzen tot een bedrag van in totaal € 625, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 februari 2023. De rechtbank acht namelijk bewezen dat [slachtoffer 16] bovengenoemd bedrag heeft overgemaakt aan verdachte. De overige gevorderde materiële schade zal worden afgewezen.
De vordering tot vergoeding van immateriële schade zal worden afgewezen omdat de benadeelde partij geen concrete gegevens heeft aangedragen waarmee geestelijk letsel of aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan worden vastgesteld.
De vordering van [slachtoffer 11]
De benadeelde partij [slachtoffer 11] vordert € 1.800,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vordering is met betrekking tot de materiële schade tot een bedrag van € 600,- betwist, omdat de vordering ten aanzien van dit deel niet is onderbouwd met stukken.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van materiële schade toewijzen tot een bedrag van in totaal € 1.200,- , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 september 2024. Dit deel van de vordering is niet betwist. De benadeelde partij zal in het overige deel van de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en aanhouding om nadere onderbouwing mogelijk te maken een onevenredige belasting van het strafgeding vormt.
De vordering van [slachtoffer 12]
De benadeelde partij [slachtoffer 12] vordert € 1.961,86 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank voor het deel van € 1.500,- niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom (in zoverre) worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2024. De vordering ten aanzien van de hostelkosten zal worden afgewezen, omdat de benadeelde partij voor die periode de kosten voor de huur al vergoed krijgt. Toewijzing van de hostelkosten zou dan leiden tot een dubbele schadevergoeding.
De vordering van [slachtoffer 9]
De benadeelde partij [slachtoffer 9] vordert € 3.891,60 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vordering ten aanzien van de hostelkosten van € 891,60 is betwist, omdat de benadeelde partij ook genot heeft gehad van het verblijf in het hostel.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van materiële schade toewijzen tot een bedrag van in totaal € 3.000,- , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juli 2024. Dit deel van de vordering is niet betwist. De benadeelde partij zal in het overige deel van de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en aanhouding om nadere onderbouwing mogelijk te maken een onevenredige belasting van het strafgeding vormt.
Kosten en schadevergoedingsmaatregel
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken.
In het belang van de hiervoor genoemde benadeelde partijen wordt, als extra waarborg voor betaling aan hen, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
Zaak B
De vordering van [slachtoffer 3]
De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert € 750,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vordering is tot een bedrag van € 105,- betwist, omdat de benadeelde de volledige huur van zijn oude kamer heeft genoten, waardoor er geen schade meer is.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van materiële schade toewijzen tot het bedrag van € 750,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2023. De benadeelde partij heeft voldoende onderbouwd dat hij extra kosten van € 105 aan huur heeft moeten maken door het ten laste gelegde feit.
De vordering van [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 1.399,- aan vergoeding van materiële schade en € 4.750,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vordering is tot een bedrag van € 890,- betwist. De huurkosten zijn niet toewijsbaar, omdat de benadeelde partij de volledige huur heeft genoten, waardoor er geen schade meer is. De belkosten zijn onvoldoende onderbouwd en de kosten voor het installeren van de app Kamernet staan niet in rechtstreeks verband met het ten laste gelegde feit. De vordering ten aanzien van de immateriële schade is betwist, omdat onvoldoende is onderbouwd dat een aantasting in de persoon heeft plaatsgevonden.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van materiële schade toewijzen tot een bedrag van in totaal € 645,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2023. Dit deel van de vordering is niet betwist. De benadeelde partij zal in de vordering ten aanzien van de kosten voor het installeren van de app van kamernet, de huurkosten en de belkosten niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en aanhouding om nadere onderbouwing mogelijk te maken een onevenredige belasting van het strafgeding vormt.
De vordering tot vergoeding van immateriële schade zal worden afgewezen omdat de benadeelde partij geen concrete gegevens heeft aangedragen waarmee geestelijk letsel of aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan worden vastgesteld.
Kosten en schadevergoedingsmaatregel
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken.
In het belang van de hiervoor genoemde benadeelde partijen wordt, als extra waarborg voor betaling aan hen, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 326 en 326e van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Zaak A
Ten aanzien van feit 1 primair:
een gewoonte maken van het door middel van een geautomatiseerd werk verkopen van goederen of verlenen van diensten tegen betaling met het oogmerk om zonder volledige levering zich of een ander van de betaling van die goederen of diensten te verzekeren;
Zaak B
oplichting.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden.
Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De vordering van [slachtoffer 8]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] toe tot een bedrag van € 1.500,- (vijftienhonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 juli 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 8] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 8] aan de Staat € 1.500,- (vijftienhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (12 juli 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 15 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van [slachtoffer 14]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 14] toe tot een bedrag van € 1.500,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Wijst de vordering voor het overige af.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 14] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 14] aan de Staat € 1.500,- (vijftienhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 augustus 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 15 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van [slachtoffer 10]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10] toe tot een bedrag van € 1.500,- (vijftienhonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (25 september 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 10] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overige af.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 10] aan de Staat € 1.500,- (vijftienhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (25 september 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van vijftien dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van [slachtoffer 5]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe tot een bedrag van € 1.400,- (veertienhonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (25 juni 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 5] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 5] aan de Staat € 1.400,- (veertienhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (25 juni 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van veertien dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van [slachtoffer 4]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe tot een bedrag van € 750,- (zevenhonderdvijftig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (21 juli 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 4] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat € 750,- (zevenhonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (21 juli 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van zeven dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van [slachtoffer 18]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 18] toe tot een bedrag van € 750,- (zevenhonderdvijftig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 september 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 18] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 18] aan de Staat € 750,- (zevenhonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 september 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van zeven dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van [slachtoffer 13]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 13] toe tot een bedrag van € 1.500,- (vijftienhonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (16 augustus 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 13] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering met betrekking tot vergoeding van het aangeschafte beddengoed af.
Bepaalt dat de benadeelde partij met betrekking tot vergoeding van de gemaakte hostelkosten niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 13] aan de Staat € 1.500,- (vijftienhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (16 augustus 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van vijftien dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van [slachtoffer 17]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 17] toe tot een bedrag van € 2.400,- (vierentwintighonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (13 oktober 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 17] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering met betrekking tot de immateriële schade af.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor de overige materiële schade niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 17] aan de Staat € 2.400,- (vierentwintighonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (13 oktober 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 24 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van [slachtoffer 16]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 16] toe tot een bedrag van € 625,- (zeshonderdvijfentwintig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (5 februari 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 16] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 16] aan de Staat € 625,- (zeshonderdvijfentwintig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (5 februari 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van zes dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van [slachtoffer 11]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11] toe tot een bedrag van € 1.200,- (twaalfhonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (24 september 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 11] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 11] aan de Staat € 1.200,- (twaalfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (24 september 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van twaalf dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van [slachtoffer 12]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 12] toe tot een bedrag van € 1.500,- (vijftienhonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 oktober 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 12] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 12] aan de Staat € 1.500,- (vijftienhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 oktober 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van vijftien dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van [slachtoffer 9]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9] toe tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 juli 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 9] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 9] aan de Staat € 3.000,- (drieduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 juli 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van dertig dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van [slachtoffer 3]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe tot een bedrag van € 750,- (zevenhonderdvijftig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 februari 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 3] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat € 750,- (zevenhonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 februari 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van zeven dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van [slachtoffer 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 645,- (zeshonderdvijfenveertig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (25 januari 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst af de gevorderde immateriële schade.
Bepaalt dat de benadeelde partij met betrekking tot de gevorderde belkosten, kosten voor kamernet het huurkosten niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 645,- (zeshonderdvijfenveertig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (25 januari 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van zes dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.H. Broesterhuizen, voorzitter,
mrs. J.M. van Hall en M. Bijleveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Buiskool, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 april 2026.