RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/764888 / HA ZA 25-585
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
gedaagde in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. N.E. Koelemaij,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
te [plaats] ,2. [gedaagde 2],
te [woonplaats] ,3. [gedaagde 3],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
eisers in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ,
hierna samen te noemen: [gedaagde 2] c.s.,
advocaat: mr. W.F. Hendriksen.
1. Korte samenvatting
[gedaagde 2] c.s. hebben [eiser] bijgestaan als advocaat in een strafzaak. [eiser] stelt dat [gedaagde 2] c.s. in strijd hebben gehandeld met hun verplichtingen jegens [eiser] als consument en dat zij verschillende beroepsfouten hebben gemaakt, onder andere door het adviseren van een verkeerde processtrategie. [eiser] vordert terugbetaling van wat hij heeft betaald aan [gedaagde 1] voor hun werk en voor het inschakelen van derden. [gedaagde 2] c.s. zijn het hier niet mee eens en vorderen, voor het geval [eiser] in deze procedure gelijk zou krijgen, dat [eiser] alsnog wordt veroordeeld tot volledige betaling van hun facturen.
De rechtbank beslist dat [gedaagde 2] c.s., in strijd met het consumentenrecht, een oneerlijk kostenbeding hebben gehanteerd. [eiser] is door [gedaagde 2] c.s. onvoldoende voorgelicht over wat de bijstand door [gedaagde 2] c.s. in de procedure zou gaan kosten. Daarom komt de overeenkomst met [gedaagde 1] gedeeltelijk te vervallen. De overeenkomsten met betrekking tot ingeschakelde derden komen geheel te vervallen. Dit heeft tot gevolg dat [gedaagde 1] aan [eiser] een bedrag terug moet betalen van € 95.453,50 inclusief btw. De rechtbank beslist verder dat [gedaagde 2] c.s. met het advies over de processtrategie geen beroepsfout hebben gemaakt. Ook is niet komen vast te staan dat [gedaagde 2] c.s. excessief hebben gefactureerd of dat declaraties ten onrechte zijn ‘opgeplust’. Wel zijn er twee andere beroepsfouten gemaakt. [gedaagde 2] c.s. hebben [eiser] onvoldoende op de hoogte gehouden over de gemaakte kosten en hebben in strijd met de afspraken andere medewerkers van het kantoor ingeschakeld. Dit leidt echter niet tot toewijzing van (aanvullende) schadevergoeding. Tot slot is niet komen vast te staan dat, naast [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ook in persoon onrechtmatig hebben gehandeld. Die vordering wordt dan ook afgewezen.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiser] , met producties 1 t/m 44;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] c.s. tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie, met producties 1 t/m 28;
- de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie van [eiser] , met producties 45 t/m 51;
- de akte overlegging producties van [eiser] , met producties 52 t/m 70;
- de akte overlegging productie van [eiser] met productie 71;
- de akte overlegging producties van [gedaagde 2] c.s., met producties 29 t/m 31;
- het tussenvonnis van 1 oktober 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte overlegging producties van [gedaagde 2] c.s., met producties 32 t/m 41 en
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 februari 2026 en de daarin genoemde processtukken.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
[eiser] is verdachte in een strafzaak. Daarin wordt hij ervan verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan het plegen van een zedendelict.
[eiser] is in deze strafzaak door verschillende advocaten bijgestaan. De onderhavige procedure heeft betrekking op de bijstand die [eiser] heeft gekregen van [gedaagde 2] c.s. in de periode van augustus 2022 - februari 2024.
Op 19 augustus 2022 hebben [gedaagde 2] c.s. een opdrachtbevestiging toegestuurd aan [eiser] . Samengevat staat daarin het volgende vermeld:
dat [gedaagde 2] in veel gevallen in teamverband werkt, wat kan betekenen dat, naast de behandelend advocaat, ook andere advocaten werkzaam zijn in het dossier,
dat de tarieven van de advocaten variëren al naar gelang hun ervaring en specialistische kennis tussen de € 250,- en € 650,- (excl. 8% kantoorkosten en excl. 21% btw). Voor de juridisch en wetenschappelijk medewerkers geldt een uurtarief van € 175,-,
dat [gedaagde 2] c.s. werken op basis van voorschotnota’s en dat met [eiser] een eerste voorschotbedrag is afgesproken van € 65.340,- (incl. 8% kantoorkosten en 21% btw),
dat [eiser] een borg zal betalen van € 65.340,- (incl. 8% kantoorkosten en 21% btw), voor het geval hij te zijner tijd niet bij machte zou zijn een volgende voorschotnota te voldoen.
Op deze opdrachtbevestiging zijn de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] van toepassing verklaard.
Per e-mail van 23 augustus 2022, gericht aan [gedaagde 3] , heeft [eiser] op de opdrachtbevestiging gereageerd. Daarin stelt [eiser] , onder andere, de volgende vragen:
“(…) wie gaat mijn dossier behandelen binnen u kantoor, voor mij is het van uiterst belang dat er zelf bemoeienis is van mr [gedaagde 2] en u alsmede dat mr. [gedaagde 2] en u zelf de zittingen doen. Gelet op de totaal vooraf te betalen som van ad € 130.680 euro lijkt mij dat we daarop op voorhand goede afspraken over dienen te maken en deze ook als zodanig vast te leggen.
- Ten aanzien van het totaal vooraf te factureren bedrag van ad € 130.680 euro hebben we het telefonisch ook kort gehad over de totaal kosten voor het dossier. Ik heb bij u aangegeven dat koste wat kost alles uit dit dossier (ook in eerste aanleg) moet worden gehaald omdat dit alles is waar ik voor sta en er enorme belangen zijn voor mij en onze bedrijven en ook bij een negatieve uitspraak voor mij in 1e aanleg dit enorme gevolgen kan hebben. Kosten nog moeite wil ik dus hierop besparen dat moge duidelijk zijn. Wel zal ik ook naar mijn compagnon ongeveer iets moeten aangeven nu het voorschot bedrag al ad 130.680 euro zou ik graag willen weten of dit dan het totaal bedrag behelst of dat u op voorhand al weet dat gelet op de omvang van het dossier en de belangen deze kosten overschreden zullen worden. In ons telefoongesprek gaf u aan dat u daar nog op terug zou komen maar dat mogelijk deze kosten nog overschreden zouden worden. Als dat in mijn belang is en als het zinvol is laat het dan duidelijk zijn dat wij kosten nog moeite zullen sparen, maar zou u mij een richting kunnen geven op het totaal voor de zittingen in 1e aanleg etc ? Dat het een grove inschatting is of een richting is voor mij afdoende overigens.
Ik wil vooraf gelet op mijn belangen en gelet op al het geld welke vooraf al betaal moet worden aan u kantoor goede afspraken maken en ook enigszins enige inzicht in de totaal kosten, hetgeen mij ook overeenkomstig de bedragen niet vreemd voorkomt (…)”
Hierop heeft [gedaagde 3] dezelfde dag als volgt gereageerd:
“(…) 1. Indien wij met de werkzaamheden aanvangen, zullen drie mensen op uw zaak werken, Prof. [gedaagde 2] , Mr. [naam 1] en ondergetekende. Er zal een verdeling van werkzaamheden plaatsvinden en van overlap zal nauwelijks sprake zijn (bijv. intern overleg over de strategie of over de bevindingen van deskundigen). 2. Alle werkzaamheden zullen vooraf met u worden besproken en ook het eventueel inschakelen van deskundigen. Let wel: dit valt buiten het voorschot dat voor onze werkzaamheden zal worden voldaan. 3. De afspraken worden altijd na overleg schriftelijk vastgelegd. Dit geldt voor alle clientèle van het kantoor. Aangezien u eerder client bent geweest van ons kantoor, kunt u dit verifiëren. 4. Vooraf is het niet in te schatten welke werkzaamheden dienen te worden verricht, hetgeen mede afhankelijk is van de onderzoeksvragen en eigen onderzoeken die zouden moeten leiden tot een mogelijke vrijspraak, alsmede van de tussentijds met u te maken keuzes. 5. Iedere maand krijgt u een overzicht van de gewerkte uren. Zo houdt u het overzicht. 6. U betaalt voor de werkzaamheden een voorschot van € 50.000 ex kantoorkosten en btw 7. U betaalt separaat een borg. Die wordt niet benut indien daartoe geen aanleiding is. (…)”
[eiser] heeft vervolgens op 25 augustus 2022 de opdrachtbevestiging getekend aan [gedaagde 2] c.s. geretourneerd.
Bijstand door [gedaagde 2] c.s.
[eiser] heeft zich in de strafprocedure op het standpunt gesteld onschuldig te zijn. Namens [eiser] hebben [gedaagde 2] c.s. primair aangevoerd dat geen sprake is geweest van seksueel contact tussen aangeefster en [eiser] ; subsidiair hebben zij gesteld dat als de rechtbank toch zou aannemen dat wel sprake is geweest van seksueel contact, het bewijs voor dwang ontbreekt. Daarbij hebben zij betoogd dat de verklaringen die [eiser] in 2019 had afgegeven bij de Franse politie, waaruit volgt dat hij erkend zou hebben dat aangeefster hem heeft gepijpt, op onrechtmatige wijze tot stand zijn gekomen en buiten beschouwing dienen te worden gelaten.
In de strafprocedure heeft de rechtbank [eiser] niet gevolgd in het betoog. In haar eindvonnis van 13 oktober 2023 verklaart de rechtbank, kort gezegd, dat wettig en overtuigend bewezen is dat (i) [eiser] aangeefster heeft gedwongen tot het ondergaan van een handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van haar lichaam door zijn penis in haar mond te brengen, waarbij [eiser] (ii) wist dat aangeefster onder invloed van alcohol was, (iii) (meermalen) voorbij is gegaan aan de verbale of non-verbale signalen van verzet en (iv) misbruik heeft gemaakt van het uit de feitelijke verhouding voortvloeiend psychisch en fysiek (gezags)overwicht: aangeefster was veel jonger en als babysitter mee naar het buitenland. Daarbij veroordeelt de rechtbank [eiser] tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en betaling van een schadevergoeding aan aangeefster.
Op verzoek van [eiser] hebben [gedaagde 2] c.s. tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Bij e-mail van 8 januari 2025 heeft [eiser] [gedaagde 2] c.s. bericht dat hij graag een gesprek wil om de zaak in eerste aanleg te analyseren en de strategie en de daarmee gepaarde kosten in het hoger beroep te bespreken.
Vervolgens heeft [eiser] [gedaagde 2] c.s. op 6 februari 2024 bericht dat hij toch besloten heeft zich in het hoger beroep te laten bijstaan door een andere advocaat. [eiser] geeft daarbij aan dat hij tot de conclusie is gekomen dat [gedaagde 2] c.s. bepaalde zaken hebben laten liggen, dan wel niet goed hebben ingeschat en voorbereid. In combinatie met de forse kosten en ‘gesteggel over nota’s’, maakt dit dat het niet goed voelt het hoger beroep met [gedaagde 2] c.s. voort te zetten, aldus [eiser] .
[gedaagde 2] c.s. hebben het dossier hierop overgedragen aan de nieuwe advocaat van [eiser] . Ten tijde van de mondelinge behandeling in deze civiele procedure was in het hoger beroep van de strafzaak nog geen eindarrest gewezen.
Facturatie
[gedaagde 2] c.s. hebben op 30 augustus 2022 een voorschotbedrag van € 65.340,- (inclusief btw) en een borg voor hetzelfde bedrag in rekening gebracht. [eiser] heeft deze bedragen betaald.
[gedaagde 2] c.s. hebben op 19 juli 2023 een factuur gestuurd voor de tot dan toe gewerkte uren minus het voorschot van in totaal € 19.872,75, en daarbij een urenspecificatie verstrekt. Bij de factuur van 19 juli 2023 zat ook een tweede voorschotnota van € 65.340,00 (inclusief btw), die [eiser] niet heeft betaald.
Daarnaast hebben [gedaagde 2] c.s. op 18 oktober 2023 een (pro forma)factuur verstrekt aan [eiser] van € 44.178,44 (inclusief btw), met daarbij eveneens een urenspecificatie voor de werkzaamheden tot dan toe. In de begeleidende e-mail van [gedaagde 3] aan de boekhouder van [eiser] staat:
“(…) Gelieve bijgaand, op verzoek van de heer [eiser] , aan te treffen een tussentijds overzicht van de gewerkte uren die zien op de periode na 19 juli 2023 tot heden. De bespreking van vandaag is daarbij nog niet opgenomen in het overzicht. (zie bijlage1).
Graag verzoek ik u vriendelijk om alsnog de tweede voorschotnota van 19 juli jl te voldoen (zie bijlage 2), waarvan reeds voor een bedrag van € 44.178,44 is gewerkt.
Graag bevestig ik u nogmaals voor de goede orde dat de betaalde borg primair niet bedoeld is om daaruit de gewerkte uren gedurende de looptijd van de zaak te voldoen, maar als buffer is betaald, dat ziet op de financiële perikelen uit het verleden. Zolang de heer [eiser] in staat is om onze nota’s te voldoen zal de borg in reserve blijven staan tot het einde van de zaak. Daarna zal de borg worden gerestitueerd. (…)”
Op 15 februari 2024 hebben [gedaagde 2] c.s. een eindfactuur gestuurd met daarbij een urenspecificatie. Het in rekening gebrachte honorarium is minder dan de betaalde borg en daarmee verrekend, waardoor [eiser] € 14.546,65 terugkrijgt.
[gedaagde 2] c.s. hebben voor de verdediging van [eiser] verschillende deskundigen ingeschakeld. In totaal is hiervoor een bedrag van € 24.787,40 in rekening gebracht bij [eiser] :
Datum factuur / betaling
Factuurnr.
Ten behoeve van
Omschrijving
Bedrag
23 september 2022
20221783
TMFI Blankers
DNA-onderzoek
€ 1.028,50
12 december 2022
2052202
Red. Forensic Consultancy
Rechtspsychologisch onderzoek
€ 2.117,50
16 februari 2023
2023-0202-01
Mr. Tadei (advocaat Frankrijk)
-
€ 3.500,-
8 mei 2023
-
Psychologisch Adviesbureau Oudejans
Rechtspsychologisch onderzoek
€ 397,70
9 mei 2023
023-0205-01
Mr. Tadei (advocaat Frankrijk)
-
€ 1.500,-
8 juni 2023
-
Psychologisch Adviesbureau Oudejans
Rechtspsychologisch onderzoek
€ 530,27
17 juli 2023
Laboratoire Azur Génétique c.q. SAS Azur Genetique
DNA-/sporenonderzoek
€ 7.200,-
31 juli 2023
20196052
Cabinet De Jongh-Dunand (advocaat Frankrijk)
-
€ 4.410,-
11 september 2023
-
Mr. Tadei (advocaat Frankrijk)
-
€ 500,-
12 september 2023
FvH12092023
Psychologie Praktijk Oosterhof
Rechtspsychologisch onderzoek
€ 3.603,43
Totaal inclusief btw
€ 24.787,40
Aansprakelijkstelling [gedaagde 2] c.s.
Bij brief van 25 juli 2024 heeft [eiser] [gedaagde 2] c.s. aansprakelijk gesteld voor het handelen in strijd met hun verplichtingen jegens [eiser] als consument en het adviseren van een verkeerde processtrategie. Daarbij heeft hij [gedaagde 2] c.s. gesommeerd om deze aansprakelijkheid te erkennen, hiervan melding te doen bij de aansprakelijkheidsverzekeraar en binnen veertien dagen een bedrag van € 240.512,51 terug te betalen aan [eiser] . [gedaagde 2] c.s. hebben op 8 augustus 2024 bericht dat de aansprakelijkheidsstelling op onbegrip stuit omdat de behandeling van de zaak steeds naar tevredenheid was. Zij hebben niet voldaan aan het terugbetalingsverzoek.
Op 17 respectievelijk 21 januari 2025 heeft [eiser] tuchtklachten ingediend tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . De uitkomst van de klachtprocedures was op het moment van de mondelinge behandeling in deze procedure nog niet bekend.
Vervolgens heeft [eiser] op 14 februari 2025 [gedaagde 2] c.s. gedagvaard en de onderhavige procedure aangespannen.
4. Het geschil
In conventie
[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat [gedaagde 2] c.s. volledig en hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens [eiser] voor het (i) niet naleven van de verplichtingen jegens [eiser] als consument en (ii) niet handelen met de zorg van een goed opdrachtnemer, met name door te adviseren tot ontkenning van het seksueel contact tussen [eiser] en de aangeefster, in plaats van het niet-bewezen zijn van dwang, althans (iii) een in goede justitie te bepalen verklaring voor recht;
II. [gedaagde 2] c.s. hoofdelijk veroordeelt om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 190.045,55, vermeerderd met wettelijke rente;
III. [gedaagde 2] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de door [eiser] geleden en te lijden schade ten gevolge van het handelen genoemd onder I, op te maken bij staat;
IV. [gedaagde 2] c.s. hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure, vermeerderd met wettelijke rente; en
V. [gedaagde 2] c.s hoofdelijk veroordeelt in de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.
[gedaagde 2] c.s. voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, vermeerderd met wettelijke rente.
In (voorwaardelijke) reconventie
[gedaagde 2] c.s. vorderen – samengevat – dat als de rechtbank de overeenkomst tussen partijen vernietigt en [gedaagde 2] c.s. veroordeelt tot volledige terugbetaling van de bedragen die zij van [eiser] hebben ontvangen, de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] veroordeelt om binnen twee weken na betekening van dit vonnis een bedrag van € 165.258,15 aan [gedaagde 2] c.s. te voldoen, althans een in goede justitie te bepalen redelijke vergoeding voor de door [gedaagde 2] c.s. verrichtte diensten.
[eiser] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde 2] c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde 2] c.s. in de kosten van deze procedure, vermeerderd met wettelijke rente.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling in conventie
In deze beoordeling worden de volgende vragen beantwoord: (i) heeft [eiser] te laat geklaagd, (ii) hebben [gedaagde 2] c.s. in strijd gehandeld met hun verplichtingen jegens [eiser] als consument, (iii) hebben [gedaagde 2] c.s. beroepsfouten gemaakt en (iv) zijn [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , naast [gedaagde 1] , hoofdelijk aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade?
(i) Heeft [eiser] te laat geklaagd?
[gedaagde 2] c.s. stellen zich op het standpunt dat [eiser] te laat heeft geklaagd. Artikel 4.4 van de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] bepaalt namelijk dat alle vorderingsrechten in verband met de door [gedaagde 1] verrichte werkzaamheden vervallen zodra een periode van één jaar is verstreken na de dag waarop de opdrachtgever (hier: [eiser] ) daarmee bekend werd of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. Door voor het eerst op 8 januari 2024 respectievelijk 6 februari 2024 te klagen over de dienstverlening en gang van zaken, maar de dagvaarding vervolgens pas meer dan een jaar later, op 14 februari 2025, uit te brengen, zijn de vorderingsrechten van [eiser] volgens [gedaagde 2] c.s. komen te vervallen.
De rechtbank gaat hier niet in mee. [gedaagde 2] c.s. hebben op 15 februari 2024 hun eindafrekening toegestuurd aan [eiser] . Naar het oordeel van de rechtbank was [eiser] daarmee op zijn vroegst pas op die datum voldoende op de hoogte van de omvang van een mogelijk vorderingsrecht. Het is bovendien redelijk dat [eiser] vervolgens nog enige tijd nodig heeft gehad om advies in te winnen over zijn rechtspositie, voordat hij daadwerkelijk bekend kon worden geacht met zijn rechten en bevoegdheden. [eiser] heeft [gedaagde 2] c.s. vervolgens bij brief van 25 juli 2024 aansprakelijk gesteld, zowel voor het handelen in strijd met de verplichtingen jegens [eiser] als consument, als voor het adviseren van een verkeerde processtrategie. Daarmee heeft hij [gedaagde 2] c.s. (ook als ervan wordt uitgegaan dat de termijn al op 8 januari 2024 is gaan lopen) tijdig geïnformeerd over zijn vordering. Zelfs indien zou moeten worden uitgegaan van de datum van dagvaarden (14 februari 2025) is gezien de datum waarop de slotfactuur is verstuurd (15 februari 2024) ook binnen de gestelde termijn een vordering ingesteld.
(ii) Ambtshalve toetsing informatieverplichtingen en oneerlijke bedingen
In het geval dat [eiser] als een consument moet worden aangemerkt, moet de rechtbank ambtshalve toetsen of de overeenkomsten die betrekking hebben op de werkzaamheden van [gedaagde 2] c.s., alsmede die zien op de bijstand van door [gedaagde 2] c.s. ingeschakelde derden, voldoen aan de eisen van het consumentenrecht.
Een consument is iedere persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen. Dit begrip wordt ruim uitgelegd en ingevuld aan de hand van een functioneel criterium, namelijk of de contractuele verhouding in kwestie deel uitmaakt van activiteiten die niets vandoen hebben met de uitoefening van een beroep of bedrijf. Voorts is het begrip consument een objectief begrip dat losstaat van de concrete kennis waarover de betrokkene kan beschikken of van de informatie waarover die persoon daadwerkelijk beschikt.
Op grond van bovenstaand criterium wordt [eiser] als consument aangemerkt. Tussen partijen is niet in geschil dat de werkzaamheden van [gedaagde 2] c.s. zijn verricht ten behoeve van de verdediging in een tegen [eiser] in persoon gevoerde strafrechtelijke procedure. Daarmee staat vast dat de door [gedaagde 2] c.s. verleende bijstand niets van doen heeft met de beroep- of bedrijfsactiviteiten van [eiser] . Omdat het een objectieve toets betreft, is de stelling van [gedaagde 2] c.s. dat [eiser] zelf ook juridisch onderlegd is, voor de vraag of hij als consument kwalificeert niet relevant.
Het kostenbeding is niet transparant
Ten eerste moet de rechtbank ambtshalve toetsen of een beding in de tussen [eiser] en [gedaagde 1] gesloten overeenkomst valt onder de richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn oneerlijke bedingen) en, zo ja, of dat beding oneerlijk is. Afspraken over de prijs van de werkzaamheden kwalificeren als een kernbeding. Kernbedingen hoeven alleen ambtshalve te worden getoetst op oneerlijkheid als deze niet transparant zijn (zie artikel art. 6:231 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 4 lid 2 van de richtlijn oneerlijke bedingen).
Bij de beoordeling van de transparantie van het kostenbeding is het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 12 januari 2023 van belang. In die zaak speelde de vraag of een beding in een overeenkomst voor het verrichten van juridische diensten, waarin over de kosten alleen een uurtarief is afgesproken, zonder verdere precisering voldoet aan het vereiste dat bedingen duidelijk en begrijpelijk moeten zijn geformuleerd in de zin van artikel 4 lid 2 van de richtlijn oneerlijke bedingen. Het HvJEU heeft geoordeeld dat alleen het noemen van een uurtarief de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen. Verder is overwogen dat de advocaat, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, informatie moet verstrekken die de consument in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen. Die informatie moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stelt om bij benadering de totale kosten van de diensten te schatten, zoals een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen, of een afspraak om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal al gepresteerde werkuren wordt vermeld. Wat er van een advocaat verwacht kan worden aan informatieverstrekking hangt af van de aard van de werkzaamheden. Hoe concreter de opdracht is, hoe preciezer de totale kosten door de advocaat kunnen worden geschat. Naast de richtlijn oneerlijke bedingen, vloeien deze verplichtingen ook voort uit de gedragsregels voor de advocatuur (artikel 17 lid 2 en de toelichting daarop).
De rechtbank is van oordeel dat de opdrachtbevestiging en de toelichting die daarop is gegeven in de e-mail van [gedaagde 3] van 23 augustus 2022 niet voldoen aan het transparantievereiste van artikel 6:231 sub a BW en artikel 4, lid 2 van de richtlijn oneerlijke bedingen. Daaraan legt zij de volgende overwegingen ten grondslag.
Gelet op het hiervoor genoemde arrest van het HvJEU dienden [gedaagde 2] c.s. voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst informatie te verstrekken met aanwijzingen om de totale kosten bij benadering te ramen. [gedaagde 2] c.s. hebben deze informatie niet gegeven. [eiser] wist voor het sluiten van de overeenkomst alleen dat de tarieven van de advocaten die aan zijn zaak zouden werken, zouden variëren van € 250,- tot € 650,- per uur en dat hij maandelijks een tussentijds overzicht zou ontvangen van de gewerkte uren. Daarnaast wist hij dat hij een voorschot en een borg moest betalen van ieder € 65.340,- (totaal: € 130.680,-), maar toen hij per e-mail van 23 augustus 2023 vroeg of dit een indicatie was van de totaal te verwachten kosten, kreeg hij te horen dat dat van tevoren niet kon worden ingeschat. Anders dan [gedaagde 2] c.s. stellen, is de rechtbank van oordeel dat [eiser] op basis van deze informatie geen goede inschatting kon maken van de totale kosten die hij kon verwachten.
De stelling van [gedaagde 2] c.s. dat [eiser] zich, vanwege de eerder door [gedaagde 2] c.s. aan hem verleende bijstand, bewust was van de werkwijze en kostenstructuur van het kantoor, maakt dit niet anders. [gedaagde 2] c.s. hebben onvoldoende onderbouwd op welke manier dit [eiser] in staat zou hebben gesteld de totale kosten voor de bijstand onder deze overeenkomst in te schatten.
Ook de stelling van [gedaagde 2] c.s. dat [eiser] zonder enig bezwaar de facturen heeft betaald, kan niet leiden tot een ander oordeel. Het gaat erom of [eiser] van tevoren, dus bij de opdrachtbevestiging, de financiële gevolgen kon overzien en dat is hier niet het geval. De mededeling van [gedaagde 2] c.s. dat daar op dat moment geen (enkele) inschatting van kon worden gegeven, overtuigt niet. Voorafgaand aan een (strafrechtelijke) procedure zal het niet steeds mogelijk zijn om een nauwkeurige raming te geven van de te verwachten financiële gevolgen van de opdrachtverlening. Dat probleem heeft het HvJEU ook onderkend in overweging 41 van genoemde uitspraak. Zonder nadere toelichting valt echter niet in te zien waarom in het geheel geen inschatting kon worden gegeven van wat een procedure als deze in eerste aanleg gemiddeld genomen kost, hoe de procedure tegen [eiser] zich daartoe verhoudt en hoe bepaalde keuzes daarop van invloed kunnen zijn, al dan niet met de toezegging dat op een bepaald moment opnieuw een schatting zou worden gemaakt en/of afspraken over het vervolg.
De rechtbank komt al met al tot de conclusie dat het kostenbeding in strijd is met het transparantievereiste.
Het kostenbeding is oneerlijk
Nu het kostenbeding niet transparant is, dient de rechtbank te beoordelen of het kostenbeding ook oneerlijk is, zoals bedoeld in artikel 6:233 onder a BW. Dit artikel bepaalt dat een beding onredelijk bezwarend (oneerlijk) is wanneer het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij (de consument). Het gaat dus om bedingen die, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoren. Het HvJEU heeft in de hiervoor genoemde uitspraak van 12 januari 2023 geoordeeld dat een niet-transparant beding niet meteen een oneerlijk beding is, maar dat het gebrek aan transparantie wel meeweegt bij de beoordeling van de (on)eerlijkheid.
Zoals hiervoor is opgemerkt, volgt uit de opdrachtbevestiging dat [eiser] een voorschot moest betalen van € 65.340,-. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [gedaagde 2] c.s. verklaard dat zij op dat moment ervan uitgingen dat dit bedrag hun werkzaamheden in eerste aanleg zou dekken. Naar eigen zeggen hield [eiser] er ook rekening mee dat hij het voorschotbedrag kwijt zou zijn. Het is echter niet gebleken dat dit bij het sluiten van de overeenkomst aan [eiser] is medegedeeld, ook niet toen [eiser] hier in zijn e-mail van 23 augustus 2022 expliciet naar vroeg. Daarbij is het genoemde bedrag van € 65.340,- ook geen maximumbedrag, zodat dit bedrag nog steeds kon worden overschreden. Dat betekent dat [eiser] op het moment van het sluiten van de overeenkomst niet het inzicht had dat nodig was om een inschatting te maken van de totale te verwachten kosten. Dit terwijl ook de gedragsregels voor de advocatuur meebrengen dat vooraf een inschatting moet worden gegeven. Een en ander betekent dat het vereiste van goede trouw niet is nageleefd en het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen hierdoor aanzienlijk is verstoord, ten nadele van [eiser] .
De rechtbank is zich ervan bewust dat [eiser] zelf (meermaals) heeft gezegd dat hij kosten noch moeite wilde besparen als dat in het belang zou zijn van zijn zaak. Dit gaf [gedaagde 2] c.s. echter geen vrijbrief om geen enkel inzicht te geven in de kosten. Integendeel, [gedaagde 2] c.s. wisten dat [eiser] acuut een nieuwe advocaat nodig had voor zijn bijstand in een reeds lopend, voor hem gevoelig strafproces. Daarnaast wisten zij ook dat [eiser] geld moest lenen om zijn bijstand te bekostigen. Tegen deze achtergrond lag het eens te meer op de weg van [gedaagde 2] c.s. om voorafgaand aan de start van de werkzaamheden zo veel mogelijk inzicht te geven in de kosten en het ook op voorhand aan te geven als bepaalde keuzes zouden leiden tot hogere kosten. Alleen onder die omstandigheden zou [eiser] de mogelijkheid hebben gehad om een reële afweging te maken of en op welke voorwaarden hij de overeenkomst met [gedaagde 1] zou willen aangaan.
Aldus is door [gedaagde 2] c.s. het vereiste van goede trouw niet nageleefd en is sprake van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomsten voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van [eiser] . Het in de opdrachtbevestiging van [gedaagde 2] c.s. opgenomen kostenbeding is dan ook oneerlijk.
Gevolgen van de oneerlijkheid
Het gevolg van de oneerlijkheid van het kostenbeding is dat [eiser] niet aan dit beding is gebonden. Als gevolg daarvan kan de onderhavige overeenkomst niet voortbestaan. De vraag is vervolgens of [eiser] hiervan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en in zijn belangen wordt geschaad, omdat de rechter in dat geval de overeenkomst moet aanvullen.
Nu [gedaagde 2] c.s. rechtsbijstand hebben verleend aan [eiser] in de strafrechtelijke procedure, komt [eiser] door het (geheel) vervallen van de overeenkomst in een situatie van rechtsonzekerheid te verkeren, omdat het [gedaagde 2] c.s. de mogelijkheid biedt om op basis van het recht op ongedaanmaking van de prestaties (artikel 6:203 lid 3 jo. 6:210 lid 2 BW) dan wel ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 lid 1 BW) een vergoeding voor de reeds verrichte diensten te vorderen. [gedaagde 2] c.s. hebben ook inderdaad in voorwaardelijke reconventie een vordering op basis van waardevergoeding dan wel ongerechtvaardigde verrijking ingesteld. Hoewel het instellen van een reconventionele vordering daarvoor niet vereist is, laat dit zien dat het risico van voornoemde rechtsonzekerheid ook hier reëel is.
Uit de hiervoor genoemde wetsartikelen volgt dat de verplichting om schade te vergoeden alleen bestaat voor zover dit redelijk is. Bij de beoordeling of schadevergoeding redelijk is, is in het onderhavige geval van belang dat [gedaagde 2] c.s. gebruik hebben gemaakt van een oneerlijk prijsbeding op grond waarvan [eiser] de kosten voordat hij de overeenkomst aanging niet goed kon schatten en hij is bevrijd van zijn betalingsverplichting. In beginsel kan niet worden aanvaard dat een partij, in dit geval [gedaagde 2] c.s., voordeel haalt uit haar onrechtmatige gedrag, noch dat zij wordt gecompenseerd voor de nadelen die door dergelijk gedrag worden veroorzaakt. Ook zou de langetermijndoelstelling van de richtlijn oneerlijke bedingen (een eind maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen) in het gedrang komen als [gedaagde 2] c.s. alsnog een vergoeding voor hun diensten zouden krijgen terwijl zij oneerlijke bedingen hanteren. Anderzijds heeft [eiser] ook baat gehad bij de verleende rechtsbijstand. Hoewel partijen in geschil zijn over de kwaliteit en waarde van de door [gedaagde 2] c.s. verleende diensten, staat voldoende vast dat er een groot aantal uren is besteed aan de bijstand van [eiser] , ook omdat [eiser] erop bleef aandringen dat alles uit de kast zou worden gehaald voor zijn verdediging (zie hierna ook onder 5.51).
De rechtbank ziet hierin grond om de overeenkomst voor een gedeelte aan te vullen, zodanig dat [eiser] een bedrag verschuldigd blijft voor de door [gedaagde 2] c.s verrichtte diensten in het strafproces. Het staat de rechtbank niet vrij om de overeenkomst aan te vullen met haar eigen beoordeling van wat daarvoor een redelijke vergoeding zou zijn. Het HvJEU heeft expliciet overwogen dat daarvan een onvoldoende afschrikwekkende werking zou uitgaan naar ondernemers. Dat betekent dat de rechtbank aansluiting zal zoeken bij wat partijen zelf hebben gezegd. [eiser] heeft tijdens de zitting verklaard dat hij er bij het sluiten van de overeenkomst rekening mee hield dat de totale kosten van [gedaagde 2] c.s. overeen zouden komen met het voorschotbedrag van € 65.340,-. Gelet op het feit dat [gedaagde 2] c.s. hebben erkend dat ook zij op dat moment hiervan uitgingen, komt dit bedrag de rechtbank redelijk voor, zodat het door [eiser] te betalen bedrag wordt vastgesteld op € 65.340,- inclusief btw. Naar het oordeel van de rechtbank is deze uitkomst voldoende doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend, omdat het neerkomt op betaling van de helft van het in rekening gebrachte loon.
Voor de vordering van [eiser] tot terugbetaling van hetgeen door hem is betaald, betekent dit het volgende. Op basis van de door [eiser] en [gedaagde 2] c.s. overgelegde facturen stelt de rechtbank vast dat [eiser] in totaal een bedrag van € 136.006,10 aan [gedaagde 2] c.s. heeft betaald voor de door hen verrichte werkzaamheden. Dat bedrag is als volgt opgebouwd (zie ook hiervoor onder 3.14-3.17):
Datum
Factuurnr.
Omschrijving
Bedrag
30 augustus 2022
1000007090
[eiser] / OM III - 2153
Voorschotten
€ 65.340,-
30 augustus 2022
1000007091
[eiser] / OM III - 2153
Voorschotten; Borg – deel 1
€ 39.204,-
-
-
[eiser] / OM III - 2153
Voorschotten; Borg – deel 2
€ 26.136,-
19 juli 2023
1000007227
[eiser] / OM III - 2153
Honorarium / kantoorkosten / verschotten minus voorschotten
€ 19.872,75
15 februari 2024
1000007323
[eiser] / OM III - 2153
Honorarium / kantoorkosten minus voorschotten (borg)
Eindafrekening (creditnota)
€ -14.546,65
Totaal (inclusief btw)
€ 136.006,10
Ter toelichting het volgende. Voor het tweede deel van de borg ontbreekt een factuur. Partijen zijn het erover eens dat de borg uiteindelijk helemaal is betaald en de rechtbank heeft het betaalde bedrag zodoende in het overzicht hierboven opgenomen. In de door partijen overgelegde producties zitten twee facturen gedateerd 19 juli 2023 met hetzelfde factuurnummer, maar met verschillende bedragen. Tijdens de zitting is hier geen duidelijkheid over gekomen. De rechtbank gaat uit van de door [eiser] overgelegde factuur, nu vaststaat dat hij deze heeft ontvangen. Voor wat betreft de onder 3.16 vermeldde factuur van 18 oktober 2023 van € 44.178,44 is voldoende komen vast te staan dat dit een pro forma factuur is die alleen aan [eiser] is versterkt om hem inzicht te geven in de kosten die tot dan toe nog niet waren gefactureerd. Dit bedrag is dan ook niet door [eiser] betaald. Ook de tweede voorschotfactuur van € 65.340,- die aan [eiser] op 19 juli 2023 is gestuurd (zie 3.15), is niet door [eiser] betaald. Een en ander is tijdens de mondelinge behandeling aan partijen voorgelegd en niet (voldoende) gemotiveerd door hen weersproken. Dat betekent dat aan [eiser] een bedrag moet worden terugbetaald van € 136.006,10 – € 65.340,00 = € 70.666,10 inclusief btw.
De werkzaamheden van door [gedaagde 2] c.s. ingeschakelde derden
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, dient de vraag of sprake is van een oneerlijk kostenbeding niet alleen te worden beantwoord voor de facturen van [gedaagde 2] c.s., maar ook voor de facturen die bij [eiser] in rekening zijn gebracht voor het inschakelen van derden. De overwegingen die zijn opgenomen onder 5.7, 5.8 en 5.14 hiervoor zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.
In de opdrachtbevestiging van [gedaagde 2] c.s. wordt over het inschakelen van derden niets vermeld. In de e-mail van 22 augustus 2023 schrijft [gedaagde 3] dat het inschakelen van deskundigen steeds vooraf met [eiser] zal worden besproken en dat de kosten daarvan vallen buiten het voorschot voor de werkzaamheden van [gedaagde 2] c.s.
Op basis van deze afspraak stelt de rechtbank vast dat het inschakelen van derden geen onderdeel was van de bij aanvang van de overeenkomst tussen [gedaagde 2] c.s. en [eiser] gemaakte prijsafspraken, maar dat daarvoor, op initiatief van [gedaagde 2] c.s., steeds afzonderlijke overeenkomsten tot stand kwamen. Dit betekent dat voor elke door [gedaagde 2] c.s. ingeschakelde derde moet worden beoordeeld of het betreffende kostenbeding transparant en eerlijk was.
De kostenbedingen zijn niet transparant
Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten die zijn opgenomen in het overzicht onder 3.18 alle betrekking hebben op door [gedaagde 2] c.s. ingeschakelde derden.
De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van deze kosten niet voldaan is aan het transparantievereiste van artikel 6:231 sub a BW en artikel 4, lid 2 van de richtlijn oneerlijke bedingen. Uit de door partijen overgelegde stukken blijkt weliswaar dat [eiser] op de hoogte was van het inschakelen van deze derden, maar daaruit valt niet op te maken dat de kosten hiervan van tevoren ook met [eiser] zijn besproken. Hierdoor is niet gebleken dat [eiser] , voorafgaand aan het geven van de opdracht, een inschatting kon maken van de totale kosten die hij kon verwachten.
De kostenbedingen zijn oneerlijk
Nu de kostenbedingen die betrekking hebben op door [gedaagde 2] c.s. ingeschakelde derden niet transparant zijn, dient de rechtbank te beoordelen of deze ook oneerlijk zijn, zoals bedoeld in artikel 6:233 onder a BW.
Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval. Zoals hiervoor is overwogen, hebben [gedaagde 2] c.s. niet inzichtelijk gemaakt dat zij [eiser] van informatie hebben voorzien op basis waarvan hij de kosten voor het inschakelen van deze derden kon inschatten. Dit terwijl zij de expliciete toezegging hadden gedaan het inschakelen van derden steeds vooraf met [eiser] te bespreken en zij zich ervan bewust waren dat [eiser] geld moest lenen om zijn bijstand in deze voor hem gevoelige strafzaak te bekostigen (zie ook 5.16 hiervoor). Deze omstandigheden samengenomen maken dat [gedaagde 2] c.s. ook ter zake van het inschakelen van derden het vereiste van goede trouw niet hebben nageleefd, en dat sprake is van een aanzienlijke verstoring van de rechten en plichten ten nadele van [eiser] .
Gevolgen van de oneerlijkheid
In lijn met haar overwegingen onder 5.18 en 5.19 hiervoor, is de rechtbank van oordeel dat ook ten aanzien van de kosten van door [gedaagde 2] c.s. ingeschakelde derden het risico bestaat dat [gedaagde 2] c.s. alsnog aanspraak maken op een redelijke vergoeding, als de rechtbank bepaalt dat de overeenkomsten voor het inschakelen van deze derden niet kunnen voortbestaan. Weliswaar is de voorwaardelijke reconventionele vordering van [gedaagde 2] c.s. alleen gericht op vergoeding van de door [gedaagde 2] c.s. verrichte bijstand, maar dat staat er niet aan in de weg dat zij op een later moment alsnog vergoeding kan vorderen van deze kosten. Deze vordering zou echter geen kans van slagen hebben, omdat ongedaanmaking of schadevergoeding alleen mogelijk is voor zover dat redelijk is.
In dit geval is het niet redelijk om een vergoeding van de waarde van de prestaties toe te kennen, omdat [gedaagde 2] c.s. gebruik hebben gemaakt van een oneerlijk prijsbeding en niet kan worden aanvaard dat een partij economisch voordeel haalt uit haar onrechtmatig gedrag of dat zij wordt gecompenseerd voor de nadelen die door dat gedrag worden veroorzaakt (zie ook 5.20). Anders dan het geval is ten aanzien van de kosten voor de door [gedaagde 2] c.s. verleende bijstand, hebben partijen ten aanzien van de kosten voor het inschakelen van derden geen inzicht gegeven in wat zij redelijke kosten hadden gevonden. Ook is het zo dat partijen bij het aangaan van de opdrachten om derden in te schakelen in het geheel niet hebben gesproken over de kosten, waardoor iedere houvast ontbreekt om nu vast te stellen waar partijen destijds redelijkerwijs van uitgingen. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, staat het haar niet vrij om de overeenkomsten aan te vullen met haar eigen beoordeling van wat een redelijke vergoeding voor de verleende diensten zou zijn. De rechtbank kan daarom niet anders dan vaststellen dat een eventueel in de toekomst in te stellen vordering door [gedaagde 2] c.s. ter zake deze facturen niet zal slagen. Het niet voorbestaan van de overeenkomst brengt [eiser] dan ook niet in een zodanig onzekere situatie dat dit uiterst nadelig voor hem is, zodat aanvulling van de overeenkomst achterwege blijft.
Dit heeft tot gevolg dat de betreffende overeenkomsten komen te vervallen en dat [eiser] recht heeft op terugbetaling van het bedrag van € 24.787,40, dat voor de inschakeling van derden bij [eiser] in rekening is gebracht.
(iii) Hebben [gedaagde 2] c.s. beroepsfouten gemaakt?
[eiser] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde 2] c.s. verschillende beroepsfouten hebben gemaakt. De eerste beroepsfout bestaat volgens [eiser] , kort gezegd, uit het voeren van een verkeerde processtrategie (i). Daarnaast stelt [eiser] zich op het standpunt dat [gedaagde 2] c.s. beroepsfouten hebben gemaakt door (ii) derden in te schakelen die geen zinvolle bijdrage hebben kunnen leveren, (iii) andere medewerkers dan was toegezegd te laten werken aan het strafdossier en (iv) niet integer financieel te handelen. [eiser] stelt hierdoor schade te lijden en wenst deze vergoed te zien. De rechtbank zal deze punten achtereenvolgens bespreken.
Het voeren van een onjuiste processtrategie (i): geen beroepsfout
[eiser] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde 2] c.s. in de strafprocedure een kansloze processtrategie hebben gevoerd door (a) ieder fysiek contact van [eiser] met aangeefster te bestrijden en (b) zonder enige kans van slagen in te zetten op een vormverzuim van de Franse politie (onrechtmatig verkregen bewijs). [gedaagde 2] c.s. zouden [eiser] hier ook onjuist over hebben geadviseerd. [eiser] stelt dat hij hierdoor een evident onverdedigbare verklaring heeft afgelegd bij de rechter-commissaris, waardoor, ook in hoger beroep, zijn geloofwaardigheid ernstig en mogelijk onherstelbaar is aangetast.
[gedaagde 2] c.s. betwisten dit. Zij stellen dat [eiser] tegenover [gedaagde 2] c.s., maar ook tegenover de reclassering en zijn voormalige advocaten, steeds heeft verklaard volledig onschuldig te zijn. Daarbij zou [eiser] zelf hebben gezegd dat geen enkele seksuele handeling met aangeefster heeft plaatsgevonden en dat de weergave van zijn verklaringen bij de Franse politie onjuist is en tot stand is gekomen onder slechte detentieomstandigheden. De gekozen processtrategie was volgens [gedaagde 2] c.s. geheel in overeenstemming met zijn eigen uitdrukkelijke wens en [eiser] zou hier zelf ook actief over hebben meegedacht. Daarbij wijzen zij erop dat zij primair weliswaar hebben ingezet op het ontkennen van enig seksueel contact, maar dat zij subsidiair – voor het geval de rechtbank zou aannemen dat er wel seksueel contact was geweest –nog steeds betoogd hebben dat het bewijs voor dwang ontbreekt. Hoewel de geloofwaardigheid van zo’n dubbel verweer ook volgens [gedaagde 2] c.s. niet optimaal is, vinden zij het onterecht om dit te bestempelen als kansloos of ‘dilemmatisch’, zoals [eiser] stelt. Kansen zijn moeilijk in te schatten en het komt vaker voor dat een niet optimaal geacht verweer toch slaagt, aldus [gedaagde 2] c.s.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. De vraag of sprake is van een beroepsfout van een advocaat moet volgens vaste rechtspraak worden beoordeeld aan de hand van het criterium of de advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. De norm die de rechtbank in dit geval hanteert is die van een ‘redelijk bekwaam en redelijk handelend strafrechtadvocaat’. Anders dan [eiser] gaat zij daarbij niet uit van een strafrechtadvocaat die gespecialiseerd is in zedenzaken zoals die waarvan [eiser] verdacht wordt. Het is namelijk niet komen vast te staan dat dit een voorwaarde was voor de bijstand door [gedaagde 2] c.s. Daarnaast heeft [eiser] niet toegelicht wat deze specialistische norm inhoudt, zodat de rechtbank over onvoldoende handvatten beschikt om hiervan uit te gaan.
Uitgaande van de gehanteerde norm is voor het aannemen van een beroepsfout vereist dat sprake is van duidelijk ondermaats optreden. Anders gezegd moet het gaan om een evidente omissie van de advocaat in de wijze waarop hij zijn cliënt heeft bijgestaan. Voor de beoordeling van een gevoerde processtrategie geldt daarbij een marginale toets. De vraag is niet of een andere processtrategie beter was geweest, maar of een redelijk bekwaam en redelijk handelend strafrechtadvocaat de door [gedaagde 2] c.s. gevoerde processtrategie ook had kunnen voeren.
De rechtbank komt tot het oordeel dat ook als zij uitgaat van de juistheid van de stelling van [eiser] dat wél sprake is geweest van seksueel contact met aangeefster, maar dat zij daartoe niet is gedwongen, én [gedaagde 2] c.s. hiervan op de hoogte waren, de door [gedaagde 2] c.s. gevoerde processtrategie geen beroepsfout oplevert. Uit de tussen [gedaagde 2] c.s. en [eiser] gevoerde correspondentie volgt namelijk dat [eiser] , bij herhaling, heeft aangegeven ‘alles op alles’ te willen zetten en daarbij kosten noch moeite te willen besparen. Dit volgt ook uit zijn commentaar op de door [gedaagde 2] c.s. opgestelde processtukken, waarin hij actief meedenkt over de argumenten en het bewijs voor de stelling dat geen sprake is geweest van seksueel contact. Daarbij heeft [eiser] zelf de wens uitgesproken DNA-onderzoek te laten doen. [gedaagde 2] c.s. hebben gemotiveerd toegelicht dat het rapport dat daaruit voortvloeide, liet zien dat het op aangeefster aangetroffen DNA ook afkomstig had kunnen zijn geweest van zijn kinderen, met wie aangeefster eerder die dag in aanraking was geweest. Daarnaast zaten er volgens [gedaagde 2] c.s. verschillende stukken in het dossier die op zijn onschuld wezen, zoals verklaringen van zijn partner en zijn medeverdachte en inconsistenties in de aangifte. Een en ander brengt mee dat de insteek van het primair ontkennen van seksueel contact en het subsidiair ontkennen van dwang mogelijk nog steeds niet zeer kansrijk was, maar evident kansloos was deze strategie naar het oordeel van de rechtbank niet. Bovendien was de gekozen strategie met [eiser] afgestemd, zodat van duidelijk ondermaats optreden geen sprake is.
Dit geldt ook voor het standpunt van [eiser] dat [gedaagde 2] c.s. zonder enige kans van slagen hebben ingezet op een vormverzuim van de Franse politie. Dit standpunt ligt in het verlengde van de hiervoor genoemde strategie en is op zichzelf gezien niet evident kansloos te noemen. Het standpunt van [eiser] dat [gedaagde 2] c.s. het genoemde vormverzuim onvoldoende hebben onderbouwd, maakt dit niet anders. Met uitzondering van de stelling dat het eerste verhoor bij de Franse politie al plaatsvond op de dag dat [eiser] werd aangehouden, waardoor onthouding van nachtrust daarop geen effect kon hebben gehad, heeft [eiser] niet concreet gemaakt welke punten [gedaagde 2] c.s. had moeten adresseren en waarom het nalaten daarvan maakt dat het verweer evident kansloos was. Dit betekent dat [eiser] onvoldoende heeft gemotiveerd dat het vormverzuimverweer evident kansloos was en dat dus niet is komen vast te staan dat sprake is van een beroepsfout.
Het inschakelen van derden (ii): geen beroepsfout
[eiser] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde 2] c.s. zowel de met hem gemaakte afspraken, als de op hen van toepassing zijnde gedragsregels voor de advocatuur hebben geschonden door derden in te schakelen die geen zinvolle bijdrage hebben kunnen leveren of daartoe zelfs niet bevoegd waren. [gedaagde 2] c.s. betwisten dit. De rechtbank oordeelt als volgt.
Het inschakelen van derden voor het verrichten van, bijvoorbeeld, DNA- of rechtspsychologisch onderzoek, kan een nuttige bijdragen leveren aan de verdediging. Het vonnis van de rechtbank in de strafzaak wijst erop dat het in opdracht van [eiser] uitgevoerde DNA-onderzoek dat ook is geweest. Zoals volgt uit 5.39 hiervoor, hebben [gedaagde 2] c.s. aan de hand van dit onderzoek beargumenteerd dat het DNA-materiaal dat op aangeefster was aangetroffen, ook afkomstig kon zijn geweest van de kinderen van [eiser] . Dat de rechtbank het genoemde DNA-spoor vervolgens niet heeft meegenomen in haar beoordeling, kan erop duiden dat het gevoerde verweer is geslaagd.
Voor zover de onderzoeken, voor het overige, niet tot de gewenste resultaten hebben geleid, betekent niet dat het doen verrichten van de onderzoeken bij voorbaat kansloos was en dus niet gevraagd had mogen worden. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit de overgelegde correspondentie volgt dat [eiser] steeds toestemming heeft gegeven voor het inschakelen van de derden die het hier betreft. Voor zover [eiser] heeft willen aanvoeren dat hij hier (toch) geen toestemming voor heeft gegeven, of dat het onderzoek verder is gegaan dan waarmee hij had ingestemd, heeft hij dat standpunt niet voldoende geconcretiseerd.
Uitbesteding van werkzaamheden aan andere medewerkers (iii): wel een beroepsfout, geen schade
[eiser] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde 2] c.s. de met [eiser] gemaakte afspraken en gedragsregels hebben geschonden door werk aan het strafdossier uit te besteden aan andere, onervaren medewerkers, zoals mr. [naam 2] . Niet [gedaagde 2] , maar mr. [naam 2] was degene die bij het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris aanwezig was. Daarnaast blijkt volgens [eiser] uit de urenspecificaties dat [gedaagde 2] zelf maar een paar uur heeft besteed aan dossierstudie en het opstellen van de pleitnota voor de mondelinge behandeling; mr. [naam 2] deed de rest.
[gedaagde 2] c.s. betwisten niet dat, naast [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , ook andere medewerkers aan het strafdossier hebben gewerkt, zoals mr. [naam 2] . Anders dan [eiser] stelt, was zij volgens [gedaagde 2] c.s. echter geen onervaren stagiaire. Daarbij wijzen [gedaagde 2] c.s. erop dat mr. [naam 2] steeds onder begeleiding van mr. [gedaagde 2] heeft gewerkt. Hierbij werden door [gedaagde 2] ook stukken aan haar gedicteerd, zoals het pleidooi. Dat dat niet blijkt uit de urenspecificaties, komt omdat [gedaagde 2] c.s. nooit dubbel schrijven. In andere woorden: als [gedaagde 2] en mr. [naam 2] samen aan het dossier werkten, werden alleen de kosten van mr. [naam 2] in rekening gebracht. Alles aldus [gedaagde 2] c.s.
De rechtbank oordeelt als volgt. In de e-mail van 23 augustus 2022 heeft [eiser] expliciet gevraagd wie zijn dossier gaat behandelen. Hierop heeft [gedaagde 3] gereageerd dat [gedaagde 2] , mr. [naam 1] en zijzelf degenen zijn die aan de zaak zouden werken. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat hierover later andere afspraken zijn gemaakt. Dat betekent dat [eiser] erop mocht vertrouwen dat alleen [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [naam 1] aan zijn dossier zouden werken, en dat de inzet van mr. [naam 2] in strijd is met de afspraken die hierover zijn gemaakt. Dat levert een beroepsfout op en een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst.
In beginsel dient de schade die [eiser] hierdoor lijdt, te worden vergoed. [eiser] heeft echter niet toegelicht welke schade hij door de inzet van mr. [naam 2] heeft geleden. Zo heeft hij niet toegelicht wat er volgens hem zou zijn gebeurd als hij bij het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris niet zou zijn bijgestaan door mr. [naam 2] , maar door [gedaagde 2] , [gedaagde 3] of [naam 1] . Gelet op de door [gedaagde 2] c.s. gegeven toelichting zijn er ook geen concrete aanwijzingen dat door de inzet van mr. [naam 2] meer kosten in rekening zijn gebracht dan als de werkzaamheden alleen door [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [naam 1] waren verricht. Dat betekent dat – hoewel sprake is van een beroepsfout – [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierdoor mogelijk schade heeft geleden. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is daarom geen plaats.
Niet integer financieel handelen (iv): wel een beroepsfout, schade al verdisconteerd
[eiser] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde 2] c.s. niet integer financieel hebben gehandeld door (a) geen maandelijkse verantwoording af te leggen over de gewerkte uren, (b) tijdsspecificaties achteraf ‘op te plussen’ en (c) excessief te declareren. [gedaagde 2] c.s. betwisten dit. De rechtbank oordeelt als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] bij de facturen van 19 juli 2023 en 15 februari 2024 urenspecificaties heeft ontvangen. Daarnaast is niet in geschil dat [eiser] een pro forma-factuur heeft ontvangen van 18 oktober 2023, waarbij eveneens een urenspecificatie is verstrekt. Dat [eiser] daarnaast ook op andere momenten van [gedaagde 2] c.s. urenspecificaties heeft ontvangen, is niet komen vast te staan. [gedaagde 2] c.s. hebben ter zitting aangegeven dat zij [eiser] bij ieder kantoorbezoek een overzicht hebben getoond, maar zij hebben ook verteld dat zij dit niet kunnen bewijzen. [eiser] ontkent dat hij bij kantoorbezoeken overzichten heeft gezien. Dit brengt mee dat het standpunt van [eiser] dat hij, in strijd met de gemaakte afspraken, geen maandelijkse urenspecificatie heeft ontvangen, onvoldoende gemotiveerd door [gedaagde 2] c.s. is betwist. De rechtbank gaat dan ook ervan uit dat [eiser] alleen op 19 juli 2023, 18 oktober 2023 en 15 februari 2024 urenspecificaties heeft ontvangen, terwijl partijen hadden afgesproken dat [eiser] iedere maand een overzicht van de gewerkte uren zou krijgen. Overigens volgt ook uit de gedragsregels voor de advocatuur dat [gedaagde 2] c.s. verplicht waren om periodiek specificaties te verstrekken. Het gevolg hiervan is dat [eiser] niet goed zicht heeft gehad op de kosten van de procedure. Dit levert een beroepsfout op en een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst.
Dat [gedaagde 2] c.s. daarnaast ook een beroepsfout hebben gemaakt door declaraties ‘op te plussen’, is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Weliswaar zijn er kleine verschillen tussen de tijdspecificaties van 18 oktober 2023 (pro forma-factuur) en 15 februari 2024 (eindfactuur) (in totaal: 280 minuten), maar deze zijn naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig dat kan worden aangenomen dat [gedaagde 2] c.s. hebben gefraudeerd. [gedaagde 2] c.s. hebben ter zitting toegelicht dat de uren van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] door een secretaresse worden ingevoerd, maar voor het versturen van de factuur nog een keer door hen worden gecontroleerd. Voor zover daarin onjuistheden staan, worden die op dat moment aangepast, wat betekent dat tussen de urenuitdraai en definitieve factuur kleine verschillen kunnen bestaan. Deze verklaring komt de rechtbank niet onaannemelijk voor.
Ook in de stelling dat [gedaagde 2] c.s. een beroepsfout hebben gemaakt door excessief te declareren, wordt [eiser] niet gevolgd. [gedaagde 2] c.s. hebben gemotiveerd toegelicht dat op verschillende punten veel tijd is gaan zitten in de verdediging van [eiser] . Zo was volgens [gedaagde 2] c.s. sprake van een ontkennende verdachte, die heel stellig was dat hij in detentie was mishandeld en onder politiedwang had verklaard. Zoals hiervoor is overwogen, volgt uit de met [gedaagde 2] c.s. gevoerde correspondentie daarnaast dat [eiser] alles op alles wilde zetten om tot vrijspraak te komen en daarbij kosten noch moeite wilde besparen. Ook blijkt hieruit dat [eiser] zelf graag onafhankelijk tegenonderzoek wilde. Deze omstandigheden samengenomen maken dat in zijn algemeenheid niet gezegd kan worden dat [gedaagde 2] c.s. excessief hebben gedeclareerd.
Gevolgen
[gedaagde 2] c.s. hebben een beroepsfout gemaakt door geen maandelijkse urenoverzichten te verstrekken aan [eiser] . Als zij dat wel hadden gedaan, dan was hij in staat geweest om aan de bel te trekken op het moment dat hem duidelijk werd dat er meer kosten gemaakt werden dan hij kon of wilde betalen.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, stelt de rechtbank het door [eiser] verschuldigde bedrag vast op € 65.340,- inclusief btw en dient hij het te veel betaalde terug te krijgen. Daarmee is eventuele schade als gevolg van de hiervoor vermelde beroepsfout in voldoende mate gecompenseerd. Dat betekent dat er geen kosten resteren die op grond van de schadevergoedingsregeling moeten worden vergoed.
(iv) Hoofdelijke aansprakelijkheid [gedaagde 2] c.s.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, bevatten zowel de opdrachtbevestiging van [gedaagde 2] c.s. als de overeenkomsten met door [gedaagde 2] c.s. ingeschakelde derden oneerlijke kostenbedingen. Onder de streep betekent dit dat aan [eiser] een bedrag moet worden terugbetaald van € 70.666,10 + € 24.787,40 = € 95.453,50 inclusief btw.
Tussen partijen is niet in geschil dat deze (terug)betalingsverplichting in ieder geval rust op [gedaagde 1] , als contractspartij bij de overeenkomst met [eiser] . [eiser] stelt zich echter op het standpunt dat ook [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk in deze terugbetalingsverplichting moeten worden veroordeeld. Volgens [eiser] hebben [gedaagde 2] c.s. hoofdelijk toerekenbaar onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] , zowel in hun hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde 1] , als vanwege hun feitelijke betrokkenheid bij de uitvoering van de overeenkomst. [gedaagde 2] c.s. betwisten dit. Daarnaast wijzen zij erop dat de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] de hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders, aandeelhouders en medewerkers van [gedaagde 1] uitsluiten.
De aansprakelijkheid van een vennootschap (hier: [gedaagde 1] ) neemt niet weg dat ook een bestuurder en/of feitelijk handelend persoon aansprakelijk kan zijn. In beide gevallen geldt dat daarvoor vereist is dat hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. In het geval van bestuurdersaansprakelijkheid geldt bovendien dat vast moet komen te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.
[gedaagde 2] c.s. hebben een oneerlijk kostenbeding gehanteerd door [eiser] niet van de informatie te voorzien die hem van tevoren in staat zou hebben gesteld in te schatten wat de totale kosten van de bijstand van [gedaagde 2] c.s. zouden zijn, alsmede die van door hen ingeschakelde derden. Daarnaast hebben zij beroepsfouten gemaakt door hem ook tussendoor niet van maandelijkse urenspecificaties te voorzien, zoals dat wel was overeengekomen. Als feitelijk betrokkenen waren [gedaagde 2] en [gedaagde 3] degenen die bij machte waren dit te doen. Het is echter niet gebleken dat zij opzettelijk regelgeving hebben overtreden en [eiser] hiermee bewust hebben willen benadelen. Daarmee is dit handelen of nalaten op zichzelf genomen onvoldoende om aan te nemen dat hen persoonlijk ook een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Artikel 2 van de algemene voorwaarden staat daarnaast eraan in de weg medewerkers van [gedaagde 1] persoonlijk aansprakelijk te stellen voor een eventuele fout. Een dergelijke afspraak is, ook wanneer zij is opgenomen in de algemene voorwaarden, in beginsel niet onredelijk bezwarend. Dat betekent dat, anders dan [eiser] stelt, deze algemene voorwaarde niet vernietigbaar is.
Tussenconclusie
De vorderingen jegens [gedaagde 1] worden toegewezen tot een bedrag van € 95.453,50 inclusief btw. De vorderingen jegens [gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden afgewezen.
Schadestaat
Het verzoek van [eiser] tot verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt afgewezen. Zowel de schade die [eiser] heeft geleden door schending van de richtlijn oneerlijke bedingen, als de schade die hij heeft geleden ten gevolge van het niet integer financieel handelen van [gedaagde 2] c.s. heeft de rechtbank in deze procedure beoordeeld en gewaardeerd op de hoogte van het voorschot van € 65.340,-. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [eiser] schade heeft geleden door het uitbesteden van werk aan andere medewerkers. Verwijzing naar de schadestaat dient dan ook geen doel.
Wettelijke rente
[eiser] vordert wettelijke rente vanaf de dag dat [gedaagde 1] in verzuim is, te weten 9 augustus 2024. Op grond van artikel 6:82 BW treedt het verzuim in wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft.
[eiser] heeft [gedaagde 2] c.s. bij brief van 25 juli 2024 in gebreke gesteld en daarbij een termijn gegeven van 14 dagen vanaf de dag volgend op die waarop de ingebrekestelling bij [gedaagde 2] c.s. is bezorgd, waarbinnen zij alsnog konden nakomen. [gedaagde 1] heeft niet betwist dat de ingebrekestelling op 25 juli 2024 bij haar is bezorgd. Dat betekent dat de door [eiser] gestelde termijn voor nakoming liep tot en met 9 augustus 2024 en dat [gedaagde 1] op grond van 6:82 BW vanaf 10 augustus 2024 in verzuim is.
Anders dan [eiser] stelt, volgt uit de brief van [gedaagde 2] c.s. van 8 augustus 2024 niet dat zij niet gingen betalen, maar dat zij eerst opheldering wilden voordat op de inhoud kon worden ingegaan. Dat betekent dat [eiser] uit deze mededeling nog niet kon afleiden dat [gedaagde 2] c.s. in de nakoming van de verbintenis tekort zou schieten, zodat het verzuim niet al op 8 augustus 2024 is ingetreden op grond van artikel 6:83 aanhef en onder c BW.
Gelet op het voorgaande wordt de wettelijke rente toegewezen over het bedrag van € 95.453,50 vanaf 10 augustus 2024 tot aan de datum van volledige betaling.
Proceskosten
[gedaagde 1] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] betalen. De totale proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
150,00
- griffierecht
€
2.723,00
- salaris advocaat
€
5.127,50
(2,5 punten × € 2.051,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
8.189,50
De vorderingen die [eiser] tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] heeft ingesteld, worden afgewezen. [eiser] wordt daarom als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] veroordeeld. Omdat [gedaagde 2] c.s. gezamenlijk en met dezelfde advocaat hebben geprocedeerd en tezamen één bedrag aan griffierecht hebben betaald, worden de proceskosten van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] vastgesteld op nihil.
6. De beoordeling in (voorwaardelijke) reconventie
In de conventie is al geoordeeld wat het gevolg is van het buiten toepassing laten van het oneerlijke beding: de rechtbank heeft redenen gezien om de overeenkomst voor een deel aan te vullen, waardoor [eiser] een bedrag verschuldigd blijft voor de door [gedaagde 2] c.s. verrichtte diensten in zijn strafzaak. Daardoor hebben [gedaagde 2] c.s. geen belang meer bij behandeling van hun (voorwaardelijke) reconventie. Hun (voorwaardelijke) reconventie wordt dan ook afgewezen.
De proceskosten die [eiser] heeft gemaakt in de (voorwaardelijke) reconventie moeten door [gedaagde 2] c.s. worden vergoed. Die kosten worden begroot op nihil.
7. De beslissing
De rechtbank
in conventie:
verklaart voor recht dat [gedaagde 1] aansprakelijk is jegens [eiser] voor het niet naleven van de verplichtingen uit de richtlijn oneerlijke bedingen,
verklaart voor recht dat [gedaagde 1] aansprakelijk is jegens [eiser] vanwege het niet handelen met de zorg van een goed opdrachtnemer door aan [eiser] geen maandelijkse urenspecificaties te verstrekken en andere medewerkers aan het strafdossier te laten werken dan [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [naam 1] ,
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 95.453,50, vermeerderd met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf 10 augustus 2024 tot aan de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten (inclusief nakosten) van € 8.189,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , begroot op nihil,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 7.3 tot en met 7.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in (voorwaardelijke) reconventie:
wijst de (voorwaardelijke) vorderingen af,
veroordeelt [gedaagde 2] c.s. in de proceskosten van [eiser] , begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.R. Jöbsis, mr. L. Voetelink en mr. E.A. Bavinck en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.