ECLI:NL:RBAMS:2026:3394

ECLI:NL:RBAMS:2026:3394

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 08-04-2026
Datum publicatie 07-04-2026
Zaaknummer 25/5001
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Wht, niet overnemen private schuld, niet opeisbaar voor 2 juni 2021, beroep op hardheidsclausule slaagt niet, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

de minister van Financiën, verweerder.

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 25/5001

(gemachtigde: mr. R.S. Pot),

en

1. Deze uitspraak gaat over het overnemen en betalen van private schulden in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is aangemerkt als gedupeerde ouder ten gevolge van de kinderopvangtoeslagenaffaire. Deze toeslagenaffaire heeft geleid tot verschillende herstelregelingen om gedupeerde ouders te compenseren voor de fouten. Onderdeel van de hersteloperatie toeslagen is dat de overheid de private schulden van een gedupeerde ouder kan overnemen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de schulden van eiseres niet hoefde over te nemen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres is een gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagenaffaire en heeft een aanvraag ingediend voor overname van schulden. [bank 1] ( [bank 1] ) heeft deze aanvraag namens verweerder met een besluit van 24 maart 2025 afgewezen.

Met het bestreden besluit van 23 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder daarbij gebleven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres heeft zich middels een schuldenlijst bij [bank 1] aangemeld om in aanmerking te komen voor overname van haar schulden. Eiseres heeft daarbij opgegeven een schuld van € 613,30 bij [stichting] en een schuld van € 310,- bij [bank 2] te hebben.

Verweerder heeft geweigerd om de schulden over te nemen omdat deze niet opeisbaar zijn geworden vóór 1 juni 2021. Daarmee voldoen de schulden niet aan de voorwaarden van artikel 4.1, tweede lid, onder b, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Verweerder licht toe dat in de wetsgeschiedenis bij de Wht als toelichting is gegeven dat alleen op 1 juni 2021 opeisbare betalingsachterstanden op geldschulden worden overgenomen, niet de toekomstige betalingstermijnen. Het is namelijk niet het doel om ouders volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen. Ook niet als deze verplichtingen

voortvloeien uit de kinderopvangtoeslagenaffaire. Verweerder wijst erop dat causaliteit tussen schulden en de kinderopvangtoeslagenaffaire geen rol speelt bij de beoordeling of een schuld in aanmerking komt voor overname.

Eiseres voert aan dat zij eerst een lening/krediet had dat passend was bij haar inkomen. Door de acties van de Belastingdienst is eiseres genoodzaakt geweest om meer geld uit dat krediet op te nemen dan zij van plan was en bij haar inkomsten en uitgavenpatroon paste. De kredietschuld is enkel blijven bestaan vanwege de vorderingen van de Belastingdienst. Eiseres wijst erop dat gedupeerden zich in allerlei bochten hebben moeten wringen om het hoofd boven water te houden. Degenen die zich als wanbetaler hebben opgesteld zijn nu feitelijk beter af, aangezien hun schulden worden kwijtgescholden. Dit terwijl eiseres zo goed en zo kwaad als het kon wel aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan, daardoor in armoede heeft geleefd en met een restschuld is blijven zitten. Eiseres doet een beroep op de hardheidsclausule. Eiseres zit al jaren met een schuld. Volgens eisers zou [bank 1] haar schuld moeten overnemen, om daarmee duidelijk te maken dat de overheid erkent dat eiseres door acties van die overheid in de problemen is gekomen.

Overwegingen

4. De rechtbank onderkent dat grote verschillen kunnen ontstaan in de groep gedupeerden: enerzijds zij die alles op alles hebben gezet om opeisbare schulden te voldoen en op hulp moeten wachten en anderzijds zij die daar niet in zijn geslaagd en wiens schulden volledig worden overgenomen. De beroepsgrond van eiseres slaagt echter niet. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) uitdrukkelijk heeft overwogen volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wht dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen dat alleen op 1 juni 2021 daadwerkelijk bestaande én opeisbare achterstanden worden overgenomen. De Afdeling heeft daarbij gewezen op het doel van de regeling dat is gericht op het bieden van een nieuwe start aan gedupeerde ouders door hen in bepaalde gevallen te vrijwaren van incassomaatregelen. Alleen wanneer een schuld opeisbaar is en niet wordt voldaan kan, al dan niet met tussenkomst van een deurwaarder, tot incassomaatregelen worden overgegaan. De Afdeling overweegt dat de wetgever nadrukkelijk heeft beoogd verschil te maken tussen ouders die op 1 juni 2021 wel en ouders die toen (nog) niet in een situatie van opeisbare schulden, betalingsachterstanden en dientengevolge mogelijke incassomaatregelen terecht zijn gekomen. De Afdeling concludeert dat de mogelijke gevolgen voor gedupeerde ouders van het vereiste van opeisbaarheid in de afweging van de wetgever bij de totstandkoming van artikel 4.1 van de Wht welbewust onder ogen zijn gezien en daarmee zijn verdisconteerd. Met de bewuste en gemotiveerde keuze voor de overname van alleen die schulden die vóór 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden, heeft de wetgever voorzien dat niet alle gedupeerde ouders die in financiële moeilijkheden verkeren door de gevolgen van de kinderopvangtoeslagproblematiek met deze schuldenregeling van hun schulden afkomen. Daaronder kunnen ook ouders vallen zoals eiseres die onder lastige omstandigheden veel moeite hebben gedaan om het ontstaan van achterstanden en schulden te voorkomen en die het als gevolg van de toeslagenproblematiek financieel moeilijk hebben.

In wat eiseres naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank geen feiten en omstandigheden die tot een andere uitleg nopen dan die de Afdeling geeft. De wetgever heeft met zoveel woorden onder ogen gezien dat deze voorwaarde in de wet tot situaties kan leiden die onrechtvaardig kunnen aanvoelen. Het begrip opeisbaarheid in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht is publiekrechtelijk van aard en door de wetgever is in de Wht hieraan bewust de hierboven weergegeven inhoud gegeven.

Niet is gebleken dat sprake is van feiten en omstandigheden die toepassing van de hardheidsclausule van artikel 9.1, tweede lid, van de Wht zouden rechtvaardigen. Voor toepassing van de hardheidsclausule moeten omstandigheden naar voren worden gebracht waaruit kan worden afgeleid dat er thans sprake is van bijzondere omstandigheden en eiseres in een zodanige (financiële) noodsituatie, althans in een zodanige schrijnende situatie verkeert, dat van een onbillijkheid van overwegende aard sprake zou zijn als de schuld niet wordt gecompenseerd. De rechtbank is van oordeel dat dergelijke bijzondere omstandigheden in dit geval niet zijn gebleken. Uit hetgeen op de zitting is besproken volgt dat de huurachterstand bij [stichting] elke maand meeschuift, zodat daarvoor vooralsnog geen risico op incasso is. De schuld bij [bank 2] lost eiseres maandelijks af met een bedrag van € 16,-. De rechtbank acht het begrijpelijk dat eiseres door de afbetaling van deze schuld andere aankopen moet laten, maar eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voortbestaan van deze schuld haar daadwerkelijk belemmert om een nieuwe start te maken.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid vanmr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.Z. Achouak el Idrissi

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?