ECLI:NL:RBAMS:2026:3403

ECLI:NL:RBAMS:2026:3403

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 08-04-2026
Datum publicatie 07-04-2026
Zaaknummer AMS 25/1433
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Beroep ongegrond. Vergewisplicht bestuursorgaan advies bezwaarschriftencommissie. Terrassenbeleid. Maatwerkprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

de burgemeester van Amsterdam, verweerder

Samenvatting

Bestuursrecht

Zaaknummer: AMS 25/1433

(gemachtigde: mr. M.R. Plug),

en

(gemachtigde: mr. M. Boermans ).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 2] (vergunninghouder).

Deze uitspraak gaat over de verlening van een exploitatievergunning van een alcoholverstrekkend horecabedrijf met tijdelijk terras aan het horecabedrijf [naam 2] (hierna: [naam 2] ) van vergunninghouder. Eiser is het niet eens met de verlening van de exploitatievergunning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de exploitatievergunning.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Eiser is eigenaar van [bedrijf] , een luxueuze souvenirwinkel gevestigd op de [adres] , direct naast [naam 2] .

Op 23 september 2022 is een exploitatievergunning aan [naam 2] verleend. In het kader van het project de Oranje Loper en de plaatsing van een tijdelijke hulpbrug ter hoogte van het reguliere terras van [naam 2] , is het reguliere terras tijdelijk verplaatst naar het parkeervak ter hoogte van [adres] . Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het besluit van 31 januari 2023 is verweerder bij de verlening van de exploitatievergunning gebleven. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Hij ervaart met name overlast door de situering van het tijdelijk terras recht tegenover zijn winkel.

Met de uitspraak van 15 oktober 2024 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep gegrond verklaard omdat het besluit in strijd was met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank heeft in de uitspraak bepaald dat verweerder een nieuw besluit moest nemen waarbij in ieder geval de maatwerkprocedure uit het Terrassenbeleid moest worden gevolgd. Met het bestreden besluit van 17 januari 2025 heeft verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard onder aanvulling van de motivering.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser. De vergunninghouder en de gemachtigde van verweerder zijn niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid

Op 9 mei 2025 heeft het Stadsdeel Centrum bekend gemaakt dat verweerder op

6 mei 2025 een besluit tot wijziging van de exploitatievergunning voor [naam 2] heeft genomen. Verweerder heeft per e-mail van 25 maart 2025 aan eiser laten weten dat het gaat om een verlengingsaanvraag, waarbij er verder geen wijzigingen zijn ten opzicht van de eerder verleende exploitatievergunning. De verlenging van de laatst vergunde exploitatievergunning kan volgens eiser worden aangemerkt als een besluit dat (gedeeltelijk) in de plaats treedt van het eerdere besluit. Dat betekent dat het beroep ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege ook van toepassing is op het (voor het overige) ongewijzigde verlengingsbesluit.

De rechtbank zal zich eerst uitlaten over de vraag of het beroep in deze zaak zich op grond van artikel 6:19 van de Awb tevens uitstrekt over het besluit van verweerder van

6 mei 2025 en of eiser nog procesbelang heeft bij de beoordeling van de oude exploitatievergunning.

De rechtbank is, anders dan eiser betoogt, van oordeel dat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb nu voor de verlening van het besluit van

6 mei 2025, waarin de geldigheidsduur van de exploitatievergunning is verlengd, een nieuwe aanvraag moest worden ingediend. Wel heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank procesbelang bij zijn beroep tegen de oude exploitatievergunning behouden, nu de inhoud van de nieuwe exploitatievergunning van 6 mei 2025 niet gewijzigd is ten opzichte van de eerder verleende exploitatievergunning.

Vergewisplicht

Eiser vraagt zich af in hoeverre het advies van de bezwaarschriftencommissie van 6 december 2024 een onafhankelijk advies is. In dat verband merkt hij op dat de secretaris van de bezwaarschriftencommissie, mevrouw [naam 1] , dezelfde persoon is die het bezwaar heeft behandeld en de beslissing op bezwaar heeft voorbereid en opgesteld. Om die reden had uit het bestreden besluit moeten blijken dat verweerder zich van de vraag heeft vergewist of het advies van de bezwaarschriftencommissie zorgvuldig tot stand is gekomen en deugdelijk is gemotiveerd.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Als een bestuursorgaan een advies overneemt behoeft dat in de regel geen nadere toelichting. In het bestreden besluit verwijst verweerder voor de motivering naar het advies omdat zij het advies heeft overgenomen en ten grondslag heeft gelegd aan haar beslissing. Het bestreden besluit is ook door verweerder persoonlijk ondertekend. Hiermee heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank voldoende vergewist van de zorgvuldigheid van het advies van de bezwaarschriftencommissie. Dit wordt niet anders doordat mevrouw [naam 1] het advies heeft opgesteld en het bestreden besluit heeft voorbereid en opgesteld ten behoeve van verweerder. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Terrassenbeleid

Verder voert eiser aan dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 5.6. van het Terrassenbeleid. Hieruit volgt dat horecagelegenheden op hoger gelegen verdiepingen geen recht hebben op een terras omdat zij niet voldoen aan de eis dat een terras uitsluitend recht voor de gevel van het horecabedrijf mag worden geplaatst. Verweerder miskent volgens eiser dat [naam 2] niet op de begane grond is gevestigd maar op een hoger gelegen verdieping ligt. [naam 2] komt daarom niet in aanmerking voor een terrasvergunning. Dat sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid, die afwijking van het beleid rechtvaardigt is niet gebleken. Maatwerk is niet bedoeld om in alle gevallen waarin sprake is van strijd met het beleid alsnog een terrasvergunning te verlenen. Dat sprake is van voldoende toezicht op het terras vanuit de bel-etage is eiser in elk geval niet gebleken.

De rechtbank overweegt dat eiser met dit standpunt miskent dat de maatwerkprocedure uit het Terrassenbeleid bedoeld is voor uitzonderlijke situaties en als uitzondering op de algemene regels voor het verlenen van een vergunning voor een terras. Zoals deze rechtbank eerder in de uitspraak van 15 oktober 2024 heeft geoordeeld was een nadere vaststelling door verweerder ten aanzien van de uitzonderlijke situatie niet vereist voor het terras van [naam 2] . Uit het Terrassenbeleid volgt immers dat er in ieder geval sprake is van een uitzonderlijke situatie waarbij de maatwerkprocedure kan worden gestart als direct aan de overzijde van het horecabedrijf geen plaats is voor een terras, maar schuin aan de overzijde wel. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit terecht de maatwerkprocedure heeft toegepast en heeft getoetst aan paragraaf 5.13 van het Terrassenbeleid. Aan de hand van vier criteria heeft verweerder bepaald of er maatwerk moet worden geleverd, ongeacht of er sprake is van strijd met een algemene regel uit het Terrassenbeleid zoals artikel 5.6.

De vier maatwerkcriteria uit het Terrassenbeleid zijn: toezicht op het terras vanuit de horecazaak, verkeersveiligheid, het woon- en leefklimaat en het meest doelmatige gebruik van de openbare ruimte. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat aan de vier criteria voor het verlenen van maatwerk en daarmee het verlenen van een vergunning voor het tijdelijke terras wordt voldaan. Zo heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat het toezicht op het terras voldoende gewaarborgd is. Er staan bij [naam 2] weliswaar tafels en stoelen bij het raam, maar daarachter is voldoende ruimte voor het personeel om het terras te overzien zonder daarbij de aanwezige klanten te hinderen. Het personeel hoeft daarvoor ook niet tegen het raam aan te staan. Ook heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat wordt voldaan aan de overige drie criteria van de maatwerkprocedure. De verkeersveiligheid is niet in het geding nu dit terras, evenals het oorspronkelijke terras, aan de overzijde van de eenrichtingsweg gelegen is en de snelheid maximaal 30 km/u bedraagt. Verder zijn er onvoldoende redenen om aan te nemen dat de aanwezigheid van het terras, op de tijdelijke locatie, tot een nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat zal leiden en is er sprake van het meest doelmatige gebruik van de openbare ruimte. Tot slot overweegt de rechtbank dat de nadelen van het tijdelijke terras die eiser ervaart omtrent het niet correct opslaan van het terrasmeubilair en het afval een handhavingskwestie is. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.H. Waller

Griffier

  • mr. J.C.M. Schilder

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?