RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/337948-25
Datum uitspraak: 8 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] ,
thans gedetineerd te: [naam PI] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 25 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. Modder, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door en namens de benadeelde partijen De Eilanders Restaurants B.V., De Pizzabakkers Group B.V., [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en door hun advocaat, mr. D.M. Rupert, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 25 maart 2026 – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
feit 1 primair: poging tot het teweegbrengen van brandstichting en/of ontploffing in vereniging op 3 september 2025 te Amsterdam;
feit 1 subsidiair: medeplichtigheid aan poging tot het teweegbrengen van brandstichting en/of ontploffing in vereniging op 3 september 2025 te Amsterdam;
feit 2: het in vereniging voorhanden hebben van een geïmproviseerde explosieve constructie in de periode van 2 september 2025 tot en met 3 september 2025 te Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en
geldt als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde. De rol van verdachte bij de feiten is van voldoende gewicht om van medeplegen te kunnen spreken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor de gehele tenlastelegging, vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs dat verdachte bij de feiten betrokken was.
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van het dossier het volgende vast.
In de nacht van 2 op 3 september 2025 hield de politie live toezicht op een pand van De Pizzabakkers aan de [adres] , naar aanleiding van eerdere explosies bij panden van De Pizzabakkers. Omstreeks 01:30 uur zag de politie een persoon voor het pand staan en iets aan de deur hangen, terwijl hij bezig was met een aansteker. Toen de politie deze persoon sommeerde te blijven staan, rende hij weg. Deze persoon werd uiteindelijk aangehouden en bleek [naam verdachte 1] te zijn.
[naam verdachte 1] heeft verklaard dat hij via Snapchat was benaderd door twee hem onbekende personen met de opdracht een tas met een explosief aan de deur van het pand van De Pizzabakkers te hangen en daarvan een foto te maken met een aansteker erbij. In de avond van 2 september 2025 moest [naam verdachte 1] naar het Waterlooplein in Amsterdam komen. Daar ontving hij van twee jongens de tas met het explosief erin en een masker. Vervolgens is hij naar de Plantage Kerklaan gefietst, heeft hij de tas aan de deur van de Pizzabakkers gehangen en een aansteker naast de tas gehouden om een foto te maken.
Aan de deur van het pand werd na de aanhouding van [naam verdachte 1] een papieren tas aangetroffen. In de tas bevonden zich drie transparante PET-flessen met daarin een brandbare vloeistof, aan elkaar vastgebonden met ducttape. Tussen de flessen waren drie stuks professioneel vuurwerk van het type 'Super Cobra 6' aan elkaar bevestigd. Het explosief is onderzocht en valt volgens de verbalisant vanwege het vernietigende karakter van een dergelijke explosieve constructie aan te merken als een wapen in de zin van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie. Het explosief is ook forensisch onderzocht op sporen. Op de ducttape werd DNA aangetroffen dat matcht met [naam verdachte 2] en op een van de flessen zat een vingerafdruk van verdachte.
Uit onderzoek van de telefoon van [naam verdachte 1] blijkt dat hij op 2 september 2025 om 21:10 uur is gebeld door een telefoonnummer eindigend op * [nummer] . Op dat moment maakte zijn telefoon verbinding met een cell-id in de omgeving van het Waterlooplein in Amsterdam. De politie vermoedt dat het nummer * [nummer] in relatie staat tot het afhalen van de explosieven door [naam verdachte 1] en doet onderzoek naar dat nummer. Daaruit blijkt dat het nummer * [nummer] op datzelfde moment gebruik maakte van een zogenoemde ‘indoor-cell’ op het Weesperplein in Amsterdam, gelegen in de directe omgeving van het Waterlooplein. Uit de OV-chipkaartgegevens van [naam verdachte 2] blijkt dat hij op 2 september 2025 om 21:13 uur een poortje op het metrostation Waterlooplein is gepasseerd.
Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2
Het nummer * [nummer] staat blijkens Ciot-bevraging op naam van verdachte. Bij zijn aanhouding op 10 december 2025 werd een iPhone 16 bij hem aangetroffen, waaraan dit nummer was gekoppeld. In de telefoon wordt het eerder genoemde gesprek met [naam verdachte 1] van 21:10 uur ook gezien. Daarnaast worden foto’s en social media-accounts van verdachte aangetroffen en uit de historische verkeersgegevens volgt dat met dit telefoonnummer regelmatig contact is geweest met het telefoonnummer dat op naam staat van de moeder van verdachte. Uit een tapgesprek van 19 september 2025 volgt verder dat de gebruiker van het telefoonnummer aangeeft ‘thuis’ te zijn, terwijl de telefoon op dat moment verbinding maakt met een zendmast in de omgeving van het woonadres van verdachte.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte de gebruiker was van het telefoonnummer * [nummer] . De rechtbank acht daarnaast bewezen dat verdachte ook ten tijde van het delict de gebruiker was van dit telefoonnummer en dat hij degene is geweest met wie [naam verdachte 1] in de avond voorafgaand aan zijn aanhouding om 21:10 uur contact had. Hoewel verdachte op de zitting heeft verklaard dat de bij hem gevonden telefoons onder zijn vrienden rouleren en dat niet bewezen kan worden dat hij ook op dat moment de gebruiker van deze telefoon was, heeft hij deze stelling op geen enkele wijze geconcretiseerd of onderbouwd. De enkele omstandigheid dat mogelijk ook andere gekoppelde Apple-ID’s in de iPhone zijn aangetroffen, is daartoe in elk geval onvoldoende.
Uit de in de telefoon aangetroffen berichten, waarop hierna nader wordt ingaan, blijkt naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat verdachte steeds degene is geweest die de telefoon gebruikte en blijkt juist niet dat een ander of anderen deze telefoon eveneens gebruikte(n). Zo zijn de berichten afkomstig van of gericht aan verdachte, wordt in de gesprekken niet aangegeven of geverifieerd of een ander dan verdachte op dat moment de telefoon gebruikte en lijkt er bij de andere partij aan de gesprekken geen twijfel te zijn dat dat verdachte is.
Dat betekent dat de rechtbank vaststelt dat het verdachte is geweest die op 2 september 2025 om 21:10 uur met [naam verdachte 1] heeft gebeld en dat verdachte, [naam verdachte 1] en [naam verdachte 2] op dat moment in de omgeving van de door [naam verdachte 1] genoemde ontmoetingsplek, het Waterlooplein, aanwezig waren. De telefoon van [naam verdachte 1] maakte immers verbinding met de cell-id aan het Waterlooplein, terwijl de telefoon van verdachte op dat moment een indoor-cell aanstraalde aan het Weesperplein. Hoewel er ongeveer een kilometer afstand ligt tussen het Weesperplein en het Waterlooplein, kan op basis van de indoor-cell worden vastgesteld dat de telefoon zich in de ondergrondse metro-omgeving van dit gebied bevond. Vanaf metrostation Weesperplein is het metrostation Waterlooplein binnen één minuut met de metro bereikbaar, hetgeen bevestigt dat verdachte zich in de directe omgeving van het Waterlooplein bevond.
Ook ander bewijs wijst naar de betrokkenheid van verdachte bij de feiten.
Op de bij verdachte aangetroffen iPhone 16 zijn zes afbeeldingen van een Google Maps-locatie aangetroffen, waarbij het filiaal van De Pizzabakkers aan de Plantage Kerklaan was ‘vastgezet’. Daarnaast zijn er twee afbeeldingen van nieuwsberichten aangetroffen die betrekking hadden op de explosies bij De Pizzabakkers op de Plantage Kerklaan. Verder zijn er gegevens aangetroffen waaruit blijkt dat verdachte medeverdachte [naam verdachte 2] kent. Het bij de politie bekende nummer van [naam verdachte 2] staat namelijk in zijn telefoon opgeslagen en met dit nummer wordt regelmatig contact onderhouden. De dag voor het tenlastegelegde (2 september 2025) wordt er zeventien keer tussen hen gebeld en op het moment dat verdachte screenshots maakt van de locatie van de Pizzabakkers is hij aan het bellen met (de telefoon van) [naam verdachte 2] . Tot slot zijn verdachte en [naam verdachte 2] samen te zien op diverse afbeeldingen op de iPhone 16.
In de iPhone 16 zijn daarnaast opvallende en belastende berichten aangetroffen. Op 23 oktober 2025 stuurt verdachte naar het bij de politie bekende nummer van [naam verdachte 2] : “(…) Maar faka met die bom, ga je nog op die tape, ik ga je bijna steunen man.” Op 13 november 2025 wordt aan verdachte gestuurd: “Broer een rechercheteam zit op die man (…) beweeg voorzichtig en maak jezelf niet heet.” In daaropvolgende gesprekken op 19 november 2025 zegt verdachte onder meer: “Maar niffo, me mattie is, me mattie is, eergister geklemd voor iets. Ik ben die gast die het gaat vermijden, het is altijd één legendary one die nooit is geklemd.” en “ (…) die man is nu geveegd, terwijl ik dat eigenlijk (…) ben.” In een ander gesprek reageert verdachte op de vraag of die man hem zal “nekken” met: “(…) hij weet helemaal niks van mij (…) hij weet niet naam, niet welke buurt niks.” Op 20 november 2025 stuurt verdachte: “(…) ik ben fuck up gegaan. Misschien ga ik ff een tijdje weg (…) mannen worden opgepakt voor dingen die ik heb gedaan (…) als ik moet banken dan is dat zo.” Op 7 december 2025 zegt verdachte: “Ik word gesurcht man (…) de federale (…) Alleen ze weten niet dat ze mij zoeken (…) Met Casinohuis met C6 man.”
Verdachte heeft in de verhoren en op zitting geen uitleg willen geven over deze berichten. De rechtbank kan de berichten dan ook niet anders interpreteren dan dat deze betrekking hebben op de tenlastegelegde feiten. De rechtbank begrijpt de berichten zo dat daarin wordt gesproken over een explosief, dat verdachte onder de radar van de politie moet blijven en de politie altijd weet te ontlopen. Ook maakt de rechtbank daaruit op dat verdachte spreekt over de medeverdachten die zijn aangehouden, terwijl hij zelf degene is die het heeft gedaan en ervan uitgaat dat [naam verdachte 1] hem niet zal verraden, omdat [naam verdachte 1] niets over verdachte weet.
Gelet op al het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte een van de twee jongens is geweest die de tas met daarin het explosief op enig moment voorhanden heeft gehad en deze tas op het Waterlooplein heeft overhandigd aan [naam verdachte 1] , die met de tas naar De Pizzabakkers moest gaan om deze aan de deur van het pand op te hangen en tot ontploffing te brengen. De verklaring van [naam verdachte 1] dat hij alleen een foto moest maken en het explosief niet tot ontploffing mocht brengen, laat onverlet dat de rechtbank er wel vanuit gaat dat een ontploffing het uiteindelijke doel was van het plaatsen van het explosief, nu het bij de andere aanslagen op De Pizzabakkers wel tot uitvoering is gekomen. De aanwezigheid van en het ingrijpen door de politie ter plaatse heeft dat in dit geval weten te voorkomen.
Gevaar voor goederen, levensgevaar, zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of bij de poging tot ontploffing brengen van het explosief gevaar voor goederen, levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel te duchten was.
De [adres] betreft een horecagelegenheid met daarboven gelegen vier verdiepingen woningen. Deze woningen waren op het tijdstip van de (beoogde) explosie bewoond. De rechtbank stelt vast dat het explosief op een doordeweekse dag rond 01:30 uur werd ontdekt, een tijdstip waarop volgens algemene ervaringsregels de kans groot is dat zowel de bewoners van de bovenliggende woningen als van de omliggende woningen thuis zijn. De rechtbank is van oordeel dat bij het gebruik van een dergelijk zwaar explosief in een dichtbebouwd deel van Amsterdam, op een tijdstip waarop doorgaans veel bewoners thuis zijn, het gevaar voor de bovenliggende en omliggende woningen en het risico op levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel voor personen in de directe omgeving van de ontploffing voorzienbaar is.
De rechtbank acht dan ook bewezen dat bij de poging tot het tot ontploffing brengen van het explosief gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was.
Medeplegen
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het handelen van verdachte kan worden aangemerkt als medeplegen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.
Daarvoor acht de rechtbank allereerst redengevend dat, zoals hiervoor aangegeven, verdachte samen met een medeverdachte aan [naam verdachte 1] de opdracht heeft gegeven om een Cobra op te hangen bij het bedrijfspand van De Pizzabakkers en hem daartoe ook de middelen heeft verschaft. Verdachte heeft bovendien een sturende rol gehad door [naam verdachte 1] aan te sporen het explosief op te hangen en daarbij een foto te maken met een aansteker. Zijn actieve rol blijkt verder uit de in zijn telefoon aangetroffen berichten, waarin hij onder andere schrijft dat “mannen worden opgepakt voor dingen die ik heb gedaan” en “die man is nu geveegd, terwijl ik het eigenlijk ben”. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte niet slechts een passieve rol had, maar actief heeft bijgedragen aan de uitvoering van het delict.
Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat er sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte(n) die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, waarbij de bijdrage van verdachte van voldoende gewicht is geweest. De rechtbank concludeert daarom dat het medeplegen ten aanzien van beide feiten bewezen is.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot het opzettelijk teweegbrengen van een explosie op 3 september 2025 (feit 1 primair) en het medeplegen van het voorhanden hebben van een explosief in de periode van 2 september tot en met 3 september 2025 (feit 2).
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezenverklaarde feiten hebben betrekking op hetzelfde explosief en de gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op, zodat verdachte daarvan in wezen één verwijt kan worden gemaakt.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat
verdachte:
1
op 3 september 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen bij een pand, gelegen aan de Plantage Kerklaan 12 (Pizzabakkers) ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor voornoemd pand en de nabij gelegen panden en auto's te duchten was en
- levensgevaar voor personen die zich op het moment van de ontploffing in de nabijheid van de plek waar de ontploffing zou plaatsvinden bevonden te duchten was en
- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen die zich op het moment van de ontploffing in de nabijheid of de plek waar de ontploffing zou plaatsvinden bevonden te duchten was,
met een tas met daarin een geïmproviseerde explosieve constructie, te weten een of
meerdere stukken zwaar vuurwerk (cobra 6) en drie flessen vloeistof (benzine),
naar voornoemd pand is toegegaan en aldaar voornoemde tas met daarin een geïmproviseerde explosieve constructie aan de deur heeft gehangen en daarbij een aansteker in de hand heeft gehouden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
in de periode van 2 september 2025 tot en met 3 september 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een geïmproviseerde explosieve constructie, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad.
5. Strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een
rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die
de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
7. Motivering van de straffen en maatregelen
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht, mocht een bewezenverklaring volgen, te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf en eventueel een taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen
geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van
een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de
vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing bij een pand van De Pizzabakkers in Amsterdam. Dat gebeurde in een periode dat meerdere panden van De Pizzabakkers werden geteisterd door ontploffingen. Dit soort ontploffingen vormt een maatschappelijke plaag, waarbij de vaak zeer jonge uitvoerders worden ingezet om hun slachtoffers onder druk te zetten of om wraak te nemen. Ook in dit geval werd het explosief uiteindelijk geplaatst door een jonge jongen, terwijl verdachte op afstand bleef. Dat is extra kwalijk.
Dit soort strafbare feiten veroorzaken niet alleen bij de direct getroffenen gevoelens van onveiligheid en angst, maar hebben ook een enorme impact op de omwonenden, de stad Amsterdam en de maatschappij als geheel. Brandstichtingen en explosies zijn daarnaast levensgevaarlijk. Het pand van De Pizzabakkers is gevestigd in een drukke woonwijk en er woonden mensen boven het pand waar het explosief is opgehangen en had kunnen afgaan.
De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij geen oog heeft gehad voor de schade en de angst die hij bij de directe slachtoffers en de omwonenden teweegbracht en teweeg had kunnen brengen. Het is een gelukkige omstandigheid die niet aan verdachte te danken is geweest dat het niet is gelukt het explosief aan te steken, omdat de politie vanwege de eerdere explosies aan het observeren was en daardoor tijdig kon ingrijpen.
De persoon van verdachte
In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het Uittreksel Justitiële
Documentatie (het strafblad) van verdachte van 10 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.
Ook heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies van 23 maart 2026. Hieruit volgt dat de reclassering bij een veroordeling adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met daaraan de volgende bijzondere voorwaarden gekoppeld: een meldplicht, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod, een locatiegebod en dagbesteding.
Adolescentenstrafrecht
Omdat verdachte ouder is dan 18 jaar maar nog niet de leeftijd van 23 jaar heeft
bereikt, kan volgens de wet het adolescentenstrafrecht (ASR) toegepast worden. Hierbij kan
een straf uit het jeugdstrafrecht worden opgelegd, indien daar aanleiding toe bestaat. Door de reclassering is geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen, aangezien verdachte functioneert volgens zijn kalenderleeftijd en er geen sprake is van een verstandelijke beperking. De reclassering heeft een welbespraakte jonge man gezien die verbaal sterk is en goed voor zichzelf kan opkomen.
De rechtbank neemt dit advies over, nu naar het oordeel van de rechtbank geen redenen zijn gebleken om af te wijken van de hoofdregel van berechting volgens het volwassenenstrafrecht.
De op te leggen straf
De rechtbank houdt rekening met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en zoekt aansluiting bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hieruit volgt dat het uitgangspunt bij een bewezenverklaring van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar is. De rechtbank komt echter niet tot een bewezenverklaring van het voltooide delict, maar tot een bewezenverklaring van een poging. Het vertrekpunt voor de strafoplegging is in dat geval twee derde deel van het oriëntatiepunt voor het voltooide delict. Het uitgangspunt voor het voorhanden hebben van een explosief in de openbare ruimte is een gevangenisstraf van vijftien maanden.
De rechtbank houdt verder rekening met de eendaadse samenloop van de bewezenverklaarde feiten.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank is van oordeel dat zowel aan de maatschappij als aan verdachte een signaal moet worden gegeven dat dergelijke gedragingen zwaar worden opgenomen. Daarom is een gevangenisstraf de enige passende straf. De rechtbank acht het wel van belang dat daarbij een voorwaardelijk strafdeel wordt opgelegd. Het voorwaardelijke strafdeel dient als stok achter de deur en heeft tot doel verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan het plegen van strafbare feiten schuldig te maken. Bovendien kan de reclassering daarmee verdachte passende begeleiding bieden.
Alles overwegende legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van dertig maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan vijftien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Aan het voorwaardelijk deel worden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden gekoppeld.
8. Ten aanzien van de benadeelde partijen
De vorderingen van de benadeelde partijen De Pizzabakkers Group B.V. en De Eilanders Restaurants B.V.
Er zijn vorderingen tot schadevergoeding ingediend door de benadeelde partijen, te weten De Pizzabakkers Group B.V. en De Eilanders Restaurants B.V.
De vuurwerkbom is opgehangen aan de deur tussen [adres] en [adres] . Dit betreft officieel één adres, het is een doorgebroken pand. De hoofdhuurder van het pand is De Pizzabakkers Group B.V., de franchisegever. De Eilanders Restaurants B.V. is de exploitant van De Pizzabakkers en heeft aan de rechterkant van het pand een afhaalvestiging. Er zijn dus twee bedrijven op dit adres gevestigd.
Als toelichting voor de vorderingen tot schadevergoeding heeft de advocaat van de benadeelde partijen aangevoerd dat mede door de handelingen van verdachte de burgemeester van Amsterdam het pand heeft gesloten van 12 september tot en met 24 november 2025. Daardoor moesten de medewerkers van het hoofdkantoor noodgedwongen thuiswerken. De begroting voor 2026 is sterk naar beneden aangepast en er zijn vier contracten van medewerkers niet verlengd. Op dit moment liggen alle expansie-activiteiten stil, terwijl er eigenlijk gepland was vier of vijf nieuwe De Pizzabakkers-restaurants te openen in 2026. De Pizzabakkers Group B.V. vordert hoofdelijke veroordeling van verdachte tot vergoeding van € 281.743,- aan materiële schade (bedrijfsschade), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De Eilanders Restaurants B.V. vordert hoofdelijke veroordeling van verdachte tot vergoeding van € 364.047,- aan materiële schade (bedrijfsschade) en € 5.445,- aan proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De Eilanders Restaurants B.V. heeft nog drie vestigingen van De Pizzabakkers in Amsterdam en ten gevolge van de daad van verdachte is er weliswaar geen schade aan het pand ontstaan maar is er wel financiële schade. Mede ten gevolge van en na deze mislukte aanslag heeft de burgemeester van Amsterdam de vier panden gesloten op 12 september 2025, waarbij de vestiging Overtoom pas op 5 februari 2026 weer geopend werd. De verzekering dekt deze bedrijfsschade inclusief gederfde inkomsten niet, waardoor de kosten op de verdachte worden verhaald.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat de behandeling van die vorderingen een onevenredige belasting oplevert voor het strafproces.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren, primair vanwege zijn bepleite vrijspraak, subsidiair omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting oplevert voor het strafproces.
Het oordeel van de rechtbank
De benadeelde partijen zullen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen. De behandeling van de vorderingen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat zowel het causale verband als de hoogte van de vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. Dat komt omdat de vorderingen verband houden met meerdere ontploffingen bij meerdere panden van de B.V.’s en meerdere besluiten tot sluiting van panden van die B.V.’s door de gemeente. Het causaal verband tussen de door verdachte gepleegde bewezenverklaarde feiten en de geleden schade staat onvoldoende vast om de vorderingen nu (gedeeltelijk) toe te kunnen wijzen. De benadeelde partijen kunnen hun vorderingen geheel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vorderingen van de benadeelde partijen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4]
De benadeelde partijen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] vorderen ieder hoofdelijke veroordeling van verdachte tot vergoeding van € 5.000,- aan immateriële schade, vanwege de ontstane angstgevoelens, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen redelijk zijn en dienen te worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partijen in hun vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het bestaan van een aantasting van de persoon op andere wijze niet is aangetoond.
Het oordeel van de rechtbank
In het geval dat geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals hier aan de orde is, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend als de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De benadeelde partijen hebben een dergelijke schending of aantasting niet voldoende onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is ook geen sprake van een situatie waarin de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de gevolgen voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat sprake is van een persoonsaantasting. Daarbij speelt een rol dat de explosieve constructie aan de deur van een bedrijfspand is gehangen waar de benadeelde partijen niet aanwezig waren. De rechtbank zal de benadeelde partijen in hun vordering niet-ontvankelijk verklaren omdat nadere onderbouwing of bewijslevering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partijen kunnen zich wenden tot de burgerlijke rechter.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47, 55, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde:
medeplegen van opzettelijk brand stichten of een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:
handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die
straf in mindering zal worden gebracht.
Bepaalt dat 15 (vijftien) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zullen
worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen indien de veroordeelde zich voor het einde van de
proeftijd schuld maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen indien de veroordeelde gedurende de
proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
- Meldplicht
Veroordeelde blijft zich gedurende de proeftijd melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
- Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Veroordeelde verblijft gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt in Wonen Met Kansen op het adres [adres] , of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering.
- Contactverbod
Veroordeelde zoekt of heeft gedurende zijn proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met de medeverdachten [naam verdachte 1] , geboren op [geboortedatum] , en [naam verdachte 2] , geboren op [geboortedatum] .
- Locatiegebod (met elektronisch toezicht)
Veroordeelde is gedurende de schorsingsperiode op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. Het locatiegebod geldt op de volgende dagen en tijden: bij de start dient veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding 12 uur op het verblijfadres te zijn. Op doordeweekse dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 22 uur en op dagen in het weekend 20 uur.
Het huidige verblijfadres is [adres] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft.
Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt.
Tevens is het zo dat veroordeelde voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering.
- Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk
en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in art. 14e, zesde lid, van het Wetboek van strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in art. 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in art. 14e, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Verklaart de benadeelde partij De Eilanders Restaurants B.V. niet-ontvankelijk in haar vordering. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Verklaart de benadeelde partij De Pizzabakkers Group B.V. niet-ontvankelijk in haar vordering. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Verklaart de benadeelde partij [naam 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Verklaart de benadeelde partij [naam 2] niet-ontvankelijk in haar vordering. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Verklaart de benadeelde partij [naam 3] niet-ontvankelijk in zijn vordering. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Verklaart de benadeelde partij [naam 4] niet-ontvankelijk in haar vordering. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.C. Langendoen, voorzitter,
mrs. K.A. Brunner en B.J. Blok, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Groot, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 april 2026.