ECLI:NL:RBAMS:2026:3438

ECLI:NL:RBAMS:2026:3438

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 26-03-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer 10846873 \ CV EXPL 23-15675
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Schadeherstel auto. Niet kan worden vastgesteld dat voorafgaand aan de werkzaamheden is geïnformeerd over de (bij benadering te verwachten) prijs. Niet transparant en oneerlijk prijsbeding. Afwijzing vordering.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 10846873 \ CV EXPL 23-15675

Vonnis van 26 maart 2026

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GOMES SCHADECENTRUM B.V.,

gevestigd te Aalsmeer,

eisende partij,

gemachtigde: M. Verheij,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

niet verschenen.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 oktober 2025,- de akte van eisende partij.

Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij niet gereageerd op de akte van eisende partij.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij, kort gezegd, in de gelegenheid gesteld zich (nader) uit te laten over:

de wijze waarop de overeenkomst is gesloten,

hoe is voldaan aan de informatieplichten,

de transparantie van het beding over de prijs,

de toepasselijkheid c.q. het hanteren van algemene voorwaarden,

de (on)eerlijkheid van de bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd, en

de gevolgen van eventuele vernietiging van deze bedingen voor het geval ze als oneerlijk worden aangemerkt.

Eisende partij vordert betaling van twee facturen, één betreffende een verschuldigd eigen risico bij schadeherstel, waarvan de verzekeraar van gedaagde partij het schadeherstel heeft vergoed (uitgezonderd het eigen risico) en één betreffende een ander schadeherstel die buiten de verzekering viel. Het laatstgenoemde schadeherstel betrof een linker buitenspiegel, waarbij partijen hebben afgesproken dat gedaagde partij aanvankelijk zelf zou zoeken naar een (tweedehands) buitenspiegel, die eisende partij zou monteren. Uiteindelijk is gedaagde partij niet geslaagd in het vinden van een buitenspiegel, zodat eisende partij een nieuwe buitenspiegel heeft gemonteerd voor gedaagde. De afspraken over de buitenspiegel zijn steeds mondeling gemaakt, bij de intake voor de schade. Eisende partij stelt dat de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing zijn en dat zij hieraan heeft voldaan. Eisende partij heeft de algemene voorwaarden overgelegd en zich op het standpunt gesteld dat de bedingen over buitengerechtelijke kosten en rente in lijn zijn met de wettelijke bepalingen daarover en daarom niet oneerlijk zijn.

Uit de gegeven toelichting volgt niet dat eisende partij, voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst, gedaagde partij heeft geïnformeerd over de (bij benadering te verwachten) prijs daarvan. Eisende partij stelt in dat verband slechts in algemene zin dat afspraken over het herstel mondeling zijn gemaakt. Dat is onvoldoende concreet. Het had dan ook op de weg van eisende partij gelegen om haar toelichting over de transparantie van het prijsbeding voldoende concreet te maken en zo nodig te onderbouwen, bijvoorbeeld door een verklaring van de betreffende medewerker die met gedaagde partij heeft gesproken over de in rekening te brengen prijs/eigen risico. De enkele stelling dat de opdracht van tevoren met gedaagde partij is besproken volstaat zonder voldoende concretisering of onderbouwing van de daarvoor te betalen prijs niet. Geoordeeld wordt dan ook dat het beding over de prijs niet transparant is en om die reden op oneerlijkheid moet worden getoetst.

Nu zonder concretisering of onderbouwing niet kan worden vastgesteld dat de (bij benadering te verwachten) prijs, zoals blijkt uit de factuur, voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op duidelijke en begrijpelijke wijze aan gedaagde partij is verstrekt, wordt het prijsbeding als oneerlijk aangemerkt. Gedaagde partij heeft de economische gevolgen van het sluiten van de overeenkomst immers niet goed kunnen inschatten.

Dat betekent, gelet op artikel 6 lid 1 van Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn), dat gedaagde partij niet aan het prijsbeding is gebonden en dat als gevolg daarvan de onderhavige overeenkomst niet kan blijven voortbestaan. De vraag is vervolgens of gedaagde partij hiervan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en in zijn belangen wordt geschaad, omdat de kantonrechter in dat geval de overeenkomst moet aanvullen (zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954).

Nu eisende partij de overeengekomen werkzaamheden heeft uitgevoerd, heeft gedaagde partij in die zin geen belang bij voortbestaan van de overeenkomst. Wel komt gedaagde partij door het vervallen van de overeenkomst in een situatie van rechtsonzekerheid te verkeren, nu het eisende partij de mogelijkheid biedt om op basis van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 lid 1 BW) een vergoeding voor de reeds verrichte werkzaamheden te vorderen (ECLI:EU:C:2023:14, overweging 62).

In die wetsartikelen is bepaald dat ongedaanmaking of de verplichting om schade te vergoeden alleen mogelijk is voor zover dit redelijk is. In dit geval is het niet redelijk om een vergoeding van de waarde van de prestatie in de plaats te laten treden van het ongedaan maken van de prestatie dan wel gedaagde partij tot schadevergoeding te verplichten, nu gebruik is gemaakt van een oneerlijk prijsbeding. Als gevolg daarvan heeft gedaagde partij die waarde voordat hij de overeenkomst aanging juist niet kunnen inschatten, waardoor hij is bevrijd van zijn betalingsverplichting (ECLI:EU:C:2023:14, punt 58). Ook zou de lange termijn doelstelling van artikel 7 lid 2 van de richtlijn – een eind maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen – in het gedrang komen wanneer eisende partij alsnog een vergoeding voor de diensten zou kunnen krijgen terwijl een oneerlijk prijsbeding wordt gehanteerd.

Een eventueel in de toekomst in te stellen vordering door eisende partij op een andere grond dan de overeenkomst zal dan ook niet slagen. Het niet voortbestaan van de overeenkomst brengt gedaagde partij daarom niet in een zodanig onzekere situatie dat dit uiterst nadelig is voor hem, zodat aanvulling van de overeenkomst niet nodig is.

De vordering wordt op grond van het voorgaande afgewezen.

Eisende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij begroot op nihil.

3. De beslissing

De kantonrechter

wijst de vordering af,

veroordeelt eisende partij in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.

991

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?