ECLI:NL:RBAMS:2026:3440

ECLI:NL:RBAMS:2026:3440

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 10-03-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer 10766545 \ CV EXPL 23-13928
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Overeenkomst op afstand. Meerdere essentiële informatieplichten geschonden. Sanctie. Hoofdsom gekort met 60%. Proceskostencompensatie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 10766545 \ CV EXPL 23-13928

Vonnis van 10 maart 2026

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCRIPTIEMASTER B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eisende partij,

gemachtigde: Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij,

niet verschenen.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 oktober 2025- de akte van eisende partij.

Gedaagde partij heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet gereageerd op de akte van eisende partij.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij, kort gezegd, in de gelegenheid gesteld zich (nader) uit te laten over:

de wijze waarop de overeenkomst is gesloten,

hoe is voldaan aan de informatieplichten,

de transparantie van het beding over de prijs,

de toepasselijkheid c.q. het hanteren van algemene voorwaarden,

de (on)eerlijkheid van de bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd, en

de gevolgen van eventuele vernietiging van deze bedingen voor het geval ze als oneerlijk worden aangemerkt.

Eisende partij heeft bij akte toegelicht dat gedaagde partij zich via de website heeft aangemeld voor het verkrijgen van scriptiebegeleiding. Als op één van de tarieven wordt geklikt, wordt de klant weer naar de aanvraagpagina geleid, omdat eerst een gratis adviesgesprek wordt gevoerd. Dat gesprek wordt telefonisch gevoerd. Daarna verstuurt eisende partij een bevestiging van wat is afgesproken en wordt gevraagd de offerte digitaal te accorderen. Dat gebeurt per e-mail. De offerte en de algemene voorwaarden worden als bijlage meegestuurd. De offerte is op 19 oktober 2022 aan gedaagde partij verstuurd en is door gedaagde partij op 20 oktober 2022 digitaal voor akkoord geaccordeerd. Door het versturen van een offerte waarmee gedaagde partij akkoord is gegaan, waarbij een vast bedrag is geoffreerd en ook exact dat bedrag in rekening is gebracht, is het beding over de prijs transparant, aldus eisende partij.

Gelet op de gestelde wijze van totstandkoming van de overeenkomst, is sprake van een overeenkomst op afstand. Eisende partij sluit immers regelmatig (of altijd) overeenkomsten, doordat een klant de website bezoekt en kosteloos een adviesgesprek en offerte aanvraagt, waarmee expliciet moet worden ingestemd. Daar is de website op ingericht.

Eisende partij stelt dat gedaagde partij met de offerte heeft ingestemd, maar van instemming door gedaagde partij is niet gebleken. De e-mail aan gedaagde partij, met daarin de offerte en de algemene voorwaarden, is niet in het geding gebracht, noch de reactie van gedaagde partij waarbij zij daarmee akkoord gaat. Eisende partij overlegt uitsluitend een voorbeeld van een dergelijke e-mail. Op de situatie van gedaagde partij toegespitst overlegt eisende partij een enkele schermafdruk uit haar systeem, waarin zij zelf heeft ingevuld dat gedaagde partij de offerte heeft geaccepteerd.

Ondanks dat van expliciete instemming door gedaagde partij niet is gebleken, zal de kantonrechter, nu het een verstekzaak betreft, uitgaan van de juistheid van de stelling van eisende partij op dit punt.

Nu de prijs voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan gedaagde partij is verstrekt, is het beding over de prijs duidelijk en begrijpelijk geformuleerd, zodat verdere toetsing aan Richtlijn 93/13 EG (hierna: de richtlijn) niet aan de orde is.

Voor de beoordeling van de informatieplichten moet acht worden geslagen op de informatie op de website, in de offerte en in de algemene voorwaarden. Deze informatie krijgt gedaagde partij immers verstrekt voordat akkoord wordt gegaan met de offerte. Weliswaar stelt eisende partij, onder verwijzing naar het Tiketa-arrest (ECLI:EU:C:2022:12), dat bepaalde informatie in de algemene voorwaarden mag staan, maar in dat arrest is bepaald dat in dat geval de betreffende informatie wél op duidelijke en begrijpelijke wijze ter kennis wordt gebracht aan de consument. Dat is hier niet het geval, nu essentiële informatie uitsluitend in de algemene voorwaarden van eisende partij staat, zonder dat gedaagde partij daar op duidelijke en begrijpelijke wijze op is gewezen.

Het gaat om de informatie over:

de wijze van betaling, levering, uitvoering (artikel 6:230m lid 1 onder g BW),

het ontbindingsrecht (artikel 6:230m lid 1 onder h BW),

bijkomende kosten bij uitoefening van het ontbindingsrecht (artikel 6:230m lid 1 onder i BW),

het vermelden van de betalingsverplichting (artikel 6:230v lid 3 BW).

Los van de omstandigheid dat de informatie als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 onder g, h en i BW uitsluitend is opgenomen in de algemene voorwaarden, zonder dat de consument daar op duidelijke en begrijpelijke wijze op is gewezen, is de informatie over het ontbindingsrecht ook onjuist, nu deze niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 6:230o jo. 6:230r lid 1 BW. Blijkens het bepaalde in artikel 4 van de algemene voorwaarden zijn aan ontbinding immers altijd kosten aan verbonden.

Eisende partij wijst er in haar akte op dat geen gebruik wordt gemaakt van een bestelknop als bedoeld in artikel 6:230v lid 3 BW. Hoewel dat juist is, betekent dat niet dat niet hoeft te worden voldaan aan de verplichtingen die uit dat artikellid voortvloeien. Uit deze bepaling volgt dat – met of zonder bestelknop – altijd op niet voor misverstand vatbare wijze duidelijk moet worden gemaakt dat de bestelling een betalingsverplichting inhoudt. In dit geval had eisende partij dat moeten doen bij de uitnodiging tot het akkoord gaan met de offerte. Dat is hier niet gebeurd, althans dat kan niet worden vastgesteld (zie overweging 2.4).

Nu uit het voorgaande blijkt dat eisende partij niet overeenkomstig de in de wet bepaalde wijze heeft voldaan aan de op haar rustende essentiële informatieplichten, moet hiervoor een sanctie worden opgelegd (ECLI:NL:HR:2021:1677). Voor de hoogte van deze sanctie zal de kantonrechter aansluiten bij de landelijke richtlijn ‘Sanctiemodel essentiële informatieplichten’. De sanctie komt in dit geval uit op 60%.

Aan hoofdsom wordt daarom toegewezen € 472,00 (€ 1.180,00 x 0,4).

Verder moet de kantonrechter de bedingen in de algemene voorwaarden die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd toetsen op oneerlijkheid in de zin van de richtlijn.

In de algemene voorwaarden staan geen bedingen die aan de onderhavige vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd, zodat eisende partij zich rechtsgeldig kan beroepen op de wettelijke regelingen.

Nu een lagere hoofdsom toewijsbaar is dan gevorderd, is het bedrag aan wettelijke rente te hoog berekend. Dat bedrag wordt daarom afgewezen. De wettelijke rente is toewijsbaar over de hiervoor vermelde (gesanctioneerde) hoofdsom vanaf de datum van verzuim. Deze datum heeft eisende partij in de dagvaarding gesteld: 24 november 2022.

Eisende partij vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Het gevorderde bedrag is hoger dan het bedrag dat volgt uit het Besluit bij een toewijsbare hoofdsom van € 472,00. Daarom wordt het gevorderde bedrag gematigd en toegewezen tot een bedrag van € 85,67.

Nu partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld – eisende partij zelfs in overwegende mate – wordt aanleiding gezien de proceskosten te compenseren.

3. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 472,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag, met ingang van 24 november 2022, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 85,67 aan buitengerechtelijke kosten,

compenseert de proceskosten en bepaalt dat partijen ieder hun eigen kosten dragen,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.

991

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?