ECLI:NL:RBAMS:2026:3457

ECLI:NL:RBAMS:2026:3457

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 09-04-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer 81/003031-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een duikvereniging voor overtreding van artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet en dood door schuld na een duikongeval waarbij een duikinstructeur is komen te overlijden door een losschietende kraan van een duikfles. De vereniging wordt vrijgesproken van overtreding van artikel 5.1 van de Arbowet en artikel 3.17 van het Arbobesluit. De rechtbank legt een geldboete van € 2.500,- op, gelet op de omstandigheden van de vereniging.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 81/003031-24

Datum uitspraak: 9 april 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[de vereniging] ,

gevestigd aan [adres] , [plaats] ,

hierna: de vereniging.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 maart 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J.J. Schutte, en van wat de vertegenwoordigers van de vereniging, mevrouw [naam vertegenwoordiger 1] (secretaris) en de heer [naam vertegenwoordiger 2] (penningmeester) en de raadsman van de vereniging, mr. J. Bedaux, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan de vereniging is – kort weergegeven – ten laste gelegd dat zij zich op 16 oktober 2022 in Amstelveen heeft schuldig gemaakt aan:

Feit 1: (i) het handelen in strijd met artikel 3 lid 1 onder a en b van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) door [slachtoffer] een duikinstructie te laten verzorgen, terwijl zij onvoldoende heeft gezorgd voor de veiligheid en gezondheid van [slachtoffer] , door er niet voor te zorgen dat een duikfles was voorzien van een passende kraan met de juiste maat schroefdraad en geen beleid te voeren waardoor een onjuiste combinatie van duikfles en kraan werd voorkomen;

(ii) het handelen in strijd met artikel 5 lid 1 Arbowet, door na te laten in een inventarisatie en evaluatie de risico’s met betrekking tot het gebruik van duikflessen schriftelijk vast te leggen;

(iii) het handelen in strijd met artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit), door na te laten ervoor te zorgen dat het gevaar te worden getroffen door voorwerpen voorkomen of beperkt werd, door onvoldoende maatregelen te nemen om te voorkomen dat duikflessen waren voorzien van een kraan met een onjuiste maatvoering, waardoor het risico ontstond dat de kraan tijdens het gebruik met kracht van de fles af zou schieten;

(iv) het handelen in strijd met artikel 6.16 Arbowet, door na te laten om deugdelijk materiaal dat in goede staat verkeert ter beschikking te stellen aan [slachtoffer] ;

Feit 2: het aanmerkelijk onvoorzichtig en/of nalatig handelen, waardoor aan haar schuld te wijten is dat [slachtoffer] bij het verrichten van een duikinstructie gebruik heeft gemaakt van een duikfles die niet was voorzien van een passende kraan met de juiste maat schroefdraad, welke duikfles aan hem ter beschikking was gesteld zonder dat binnen de vereniging daarover beleid was gevoerd, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat de vereniging zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke overtreding van de Arbowet en het Arbobesluit zoals dat onder feit 1 is tenlastegelegd. De vereniging beschikte niet over een veiligheidsbeleid met betrekking tot een onjuiste schroefdraadcombinatie van kraan en duikfles, ondanks het grote risico op ernstige ongevallen. Daarnaast ontbrak een Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (RI&E). Uit onderzoek is verder gebleken dat geen maatregelen zijn genomen om een dergelijke onjuiste maatvoering te voorkomen. Ook was sprake van duikarbeid waarbij geen deugdelijk materiaal in goede staat aan vrijwilligers ter beschikking werd gesteld. Dit terwijl de vereniging op de hoogte was, althans had moeten zijn, van het risico dat een kraan bij een onjuiste schroefdraadcombinatie met grote kracht van een duikfles kan losschieten. Dit risico was reeds geruime tijd vóór het ongeval bekend en kenbaar uit openbare bronnen. Tot slot is sprake van opzet bij de vereniging ten aanzien van het niet op orde hebben van de vereiste maatregelen uit de Arbowet en het Arbobesluit.

Ook vindt de officier van justitie bewezen dat de vereniging zich schuldig heeft gemaakt aan dood door schuld, zoals onder feit 2 is tenlastegelegd. Door op verschillende punten de Arbowet en het Arbobesluit te overtreden, heeft de vereniging aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld. Het zijn ook deze handelingen en omissies die de directe oorzaak vormden van het noodlottig ongeval en de daaropvolgende dood van [slachtoffer] , waardoor het aan haar schuld is te wijten dat het slachtoffer is overleden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de vereniging heeft bepleit dat ten tijde van het ongeval in het algemeen en in de duikwereld niet bekend was dat een onjuiste schroefdraadcombinatie van kraan en duikfles ernstige veiligheidsrisico’s met zich bracht. De vereniging hoefde daarom hiervan niet op de hoogte te zijn. Daarnaast heeft de raadsman erop gewezen dat artikel 5.1 van de Arbowet niet van toepassing is, nu de vereniging een vrijwilligersorganisatie is, en zij om die reden niet verplicht was een Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (RI&E) op te stellen. Ook artikel 3.17 van het Arbobesluit is volgens de raadsman niet van toepassing, nu dit ziet op gevaren die voortvloeien uit de arbeidsplaats zelf. Van een overtreding van artikel 6.15 van het Arbobesluit is evenmin sprake, nu de bepaling niet ziet op vrijwilligers van een duikvereniging. Gelet op het voorgaande dient de vereniging van feit 1 te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman van de vereniging bepleit dat de vereniging geen verwijt kan worden gemaakt in de zin van de Arbowet en het Arbobesluit, zodat er geen sprake is van grove of aanmerkelijke nalatigheid of onachtzaamheid. Om die reden dient de vereniging ook voor feit 2 te worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Inleiding

De [de vereniging] is opgericht op 16 oktober 1969. Het betreft een kleine vereniging, die zich kenmerkte door een actief sociaal verenigingsleven, waarbij leden wekelijks op vrijdag samenkwamen. De kernactiviteiten vonden plaats op zondagen in zwembad De Meerkamp te Amstelveen. [slachtoffer] was lid van de vereniging en gaf als vrijwilliger en hoofdinstructeur duikinstructies aan (nieuwe) leden.

Op 16 oktober 2022 vindt tijdens een dergelijke duikinstructie in zwembad De Meerkamp een ongeval plaats, waarbij [slachtoffer] komt te overlijden. Naar aanleiding hiervan is de vereniging als rechtspersoon strafrechtelijk vervolgd. Omdat de vereniging het bestuur en alle leden omvat, richt de vervolging zich op de rechtspersoon als geheel en niet (ook) op het bestuur. De vraag die voorligt aan de rechtbank, is derhalve of de vereniging als geheel een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt en dus niet of het bestuur van de vereniging een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Feiten en omstandigheden

Het ongeval dat op 16 oktober 2022 plaatsvond, is vastgelegd op camerabeelden van zwembad De Meerkamp. Uit het proces-verbaal waarin deze camerabeelden worden beschreven en uit de stills van die beelden blijkt dat [slachtoffer] een duikfles naar de rand van het zwembad bracht, waarna een explosie plaatsvond. Bij de explosie werd [slachtoffer] naar achteren geworpen, waarbij hij in een verderop staande bolderkar terechtkwam. Onderzoek heeft uitgewezen dat de kraan van de duikfles is losgeschoten, waarop de kraan met kracht tegen de borst van [slachtoffer] is gekomen. Uit het schouwrapport volgt dat [slachtoffer] is overleden aan de gevolgen van inwendige bloedingen door de impact van de losgeschoten kraan.

De betreffende duikfles is ter plaatse onderzocht door de Arbeidsinspectie. Hieruit bleek dat het schroefdraad van de kraan van het type ‘M25x2’ was. Het schroefdraad van de fles was van het type ‘G ¾’. De bij de Arbeidsinspectie werkzame verbalisant [naam verbalisaant] vermeldt dat het hem ambtshalve bekend is dat een kraan met een ‘M25x2’ schroefdraad niet op een duikfles met een ‘G ¾’ schroefdraad gemonteerd mag worden. Hij zag tevens dat het uitwendige schroefdraad, waarmee de kraan op de duikfles gemonteerd wordt, visueel beschadigd was.

De materiaalmeester van de vereniging, de heer [naam getuige 1] , is als getuige gehoord. Hij heeft verklaard verantwoordelijk te zijn voor het onderhoud van de materialen binnen de vereniging. Voor het uitvoeren van de taken als materiaalmeester is geen specifieke training vereist. Verder heeft hij verklaard dat het binnen de duikwereld algemeen bekend is dat een kraan met een ‘M25x2’ schroefdraad en een duikfles met een ‘G ¾’ schroefdraad niet op elkaar passen. Bij het eerste contact lijken de kraan en de fles volgens getuige [naam getuige 1] te passen, maar bij het verder aandraaien ontstaat merkbare weerstand. Dit is een duidelijk signaal dat de schroefdraden niet overeenkomen. De kraan kan in dat geval alleen met behulp van gereedschap worden aangedraaid. Daardoor kan de indruk ontstaan dat er sprake is van een sluitende verbinding. Dat is echter niet het geval, omdat de kraan in zo’n situatie ook na langere tijd onverwacht kan loskomen van de fles. Binnen de vereniging is volgens getuige [naam getuige 1] geen specifiek beleid om een dergelijk verschil tussen een kraan en fles op te merken.

Uit de getuigenverklaring van de heer [naam getuige 2] , vulmeester bij [de vereniging] , blijkt dat hij ook bekend is met het feit dat een kraan met een ‘M25x2’ schroefdraad en een duikfles met een ‘G ¾’ schroefdraad niet op elkaar mogen worden gebruikt. Hij heeft daarnaast verklaard dat hij niet weet hoe hij moet controleren of het type kraan bij het type fles past.

Op de zitting heeft de secretaris van de vereniging, mevrouw [naam vertegenwoordiger 1] , verklaard dat het bestuur niet op de hoogte was van het feit dat een kraan met een ‘M25x2’ schroefdraad en een duikfles met een ‘G ¾’ schroefdraad niet op elkaar mogen worden gebruikt, noch van de daarmee gepaard gaande risico’s. Daarnaast heeft mevrouw [naam vertegenwoordiger 1] verklaard dat de specifieke fles die bij het ongeval betrokken was, eerder door een lid aan de vereniging was gedoneerd. Zij heeft verder verklaard dat zij niet weet of bij flessen die aan de vereniging gedoneerd werden op de juiste maatvoering van de daarop bevestigde kraan werd gecontroleerd. Hierover was binnen de vereniging in ieder geval geen beleid vastgesteld.

Bewijsoverweging feit 1 en feit 2

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank is op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat kan worden bewezen dat de vereniging zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde, met uitzondering van de verwijten die onder feit 1 onder (ii) en onder (iii) zijn ten laste gelegd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de vereniging geen ‘werkgever’ is zoals bedoeld in artikel 1 lid 1 of lid 2 van de Arbowet, maar dat op basis van artikel 9.5a van het Arbobesluit ‘degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn’ ook verplicht is om zich te houden aan verschillende voorschriften van de Arbowet en het Arbobesluit die gelden voor werkgevers.

Artikel 3, lid 1, aanhef en onder a en b, van de Arbeidsomstandighedenwet (i)

In artikel 3 lid 1 van de Arbowet is een algemene zorgplicht opgenomen die de werkgever verplicht een beleid te voeren, waarin de werkgever de arbeid zodanig organiseert dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op de veiligheid en de gezondheid van vrijwilligers.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van de vraag of de vereniging deze bepaling heeft overtreden vast dat de fles waarmee het ongeval heeft plaatsgevonden was voorzien van een kraan met een ‘M25x2’ schroefdraad, terwijl de duikfles een ‘G ¾’ schroefdraad had. Deze duikfles is door de vereniging verkregen via een donatie. De duikfles is vervolgens door de vereniging aan [slachtoffer] ter beschikking gesteld voor het geven van duikinstructie aan (nieuwe) leden. Uit de verklaringen van de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] blijkt dat het binnen de vereniging bekend was dat een kraan met een ‘M25x2’ schroefdraad niet mag worden gebruikt in combinatie met een duikfles met een ‘G ¾’ schroefdraad. Op enkele duik-sites blijken publicaties van vóór oktober 2022 voor te komen waarin incidenten met losschietende kranen worden beschreven. De vereniging heeft desondanks nagelaten beleid te voeren op grond waarvan de gedoneerde fles en de daarop bevestigde kraan na ontvangst op de juiste maatvoering werden gecontroleerd. Ook meer in het algemeen was binnen de vereniging geen sprake van beleid voor het controleren van duikflessen en kranen op de juiste maatvoering. Gelet op het feit dat de vereniging duikinstructies gaf met gebruik van duikflessen met perslucht onder hoge druk, mocht van de vereniging worden verwacht dat zij hiervoor een deugdelijk veiligheidsbeleid had. Binnen de vereniging was immers bekend dat er bij een onjuiste maatvoering tussen een duikfles en de daarop gemonteerde kraan een mogelijk ontploffingsgevaar bestond, dat schade aan de gezondheid van de instructeurs of andere aanwezigen had kunnen toebrengen. Op grond van het voorgaande is artikel 3 lid 1 Arbowet overtreden. De rechtbank zal dit onderdeel bewezen verklaren.

Artikel 6.15 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (iv)

In artikel 6.15 van het Arbobesluit wordt de werkgever verplicht om bij duikarbeid zorg te dragen voor adequate veiligheidsvoorzieningen, waaronder werkinstructies en deugdelijk materieel.

De raadsman heeft aangevoerd dat artikel 6.15 van het Arbobesluit niet van toepassing is op de vereniging, omdat deze bepaling niet ziet op arbeid verricht door vrijwilligers van een duikvereniging. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman op dit punt. Ook artikel 6.15 van het Arbobesluit valt onder het bereik van het eerdergenoemde artikel 9.5a van het Arbobesluit indien er sprake is van een arbeidsverhouding. Verder volgt uit artikel 6.13, derde lid van het Arbobesluit, dat de bepalingen van artikel 6.15, eerste lid, onder a, b en d van het Arbobesluit ook op sportduikers van toepassing zijn indien er gebruik wordt gemaakt van een Self-Contained Underwater Breathing Apparatus (SCUBA).

Door het geven van een sportduikinstructie namens de vereniging met een dergelijke SCUBA was er naar het oordeel van de rechtbank sprake van duikarbeid, waardoor artikel 6.15 van het Arbobesluit van toepassing is voor zover dit artikel ziet op het zorg dragen voor het ter beschikking stellen van deugdelijk materiaal. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vereniging aan [slachtoffer] geen deugdelijk materiaal in goede staat ter beschikking gesteld, gelet op het feit dat aan hem een duikfles met daarop een kraan met een onjuiste maatvoering is verstrekt. Op grond van het voorgaande is artikel 6.15 van het Arbobesluit overtreden. De rechtbank zal dit onderdeel bewezen verklaren.

Vrijspraak van feit 1 onder (ii) en (iii)

Van de volgende punten in de tenlastelegging wordt de vereniging vrijgesproken.

Artikel 5, lid 1, van de Arbeidsomstandighedenwet (ii)

De rechtbank stelt vast dat artikel 5.1 van de Arbowet op grond van artikel 9.5a van het Arbobesluit ook van toepassing kan zijn op organisaties waar vrijwilligers werkzaam zijn, maar enkel indien het arbeid betreft met gevaarlijke stoffen en biologische agentia. Uit artikel 1.1 van het Arbobesluit volgt dat gevaarlijke stoffen kunnen worden gedefinieerd als ‘stoffen of mengsels waaraan werknemers worden blootgesteld, die vanwege hun eigenschappen of omstandigheden gevaar voor de veiligheid of gezondheid kunnen opleveren’. Deze definitie ziet daarmee op stoffen met chemische eigenschappen of stoffen die bij blootstelling daaraan schade veroorzaken, waarop hoofdstuk 4 van het Arbobesluit van toepassing is. Hoewel een duikfles met daarin perslucht onder druk wel risico’s met zich brengt, komt dit gevaar niet zozeer voort uit de stof zelf, maar uit de fysische toestand daarvan. Daarmee valt een duikfles met perslucht niet onder de kwalificatie van een ‘gevaarlijke stof’ en is artikel 5.1 van de Arbowet niet van toepassing. De rechtbank spreekt daarom de vereniging partieel vrij van het aan haar onder punt ii ten laste gelegde, nu het voor haar niet wettelijk verplicht was om een RI&E (Risico-Inventarisatie en -Evaluatie) op te stellen.

Artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (iii)

De rechtbank zal de vereniging eveneens partieel vrijspreken van het aan haar onder punt iii ten laste gelegde, waarin de vereniging wordt verweten dat zij heeft nagelaten om het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, zoveel mogelijk te beperken dan wel te voorkomen. In artikel 3.17 van het Arbobesluit gaat het om gevaar veroorzaakt door de ruimtelijke werkomgeving van de arbeidsplaats, zoals bijvoorbeeld door machines of installaties, en niet door op de arbeidsplaats aanwezige arbeidsmiddelen. Een duikfles is naar het oordeel van de rechtbank geen onderdeel van die ruimtelijke inrichting, maar een verplaatsbaar object dat op de arbeidsplaats kan worden gebruikt. Hiermee valt de duikfles te kwalificeren als een arbeidsmiddel en gelden daarvoor de veiligheidsvoorschriften op grond van hoofdstuk 7 van het Arbobesluit. Artikel 3.17 van het Arbobesluit is daarmee niet van toepassing.

Ten aanzien van feit 2

Voor een veroordeling ter zake van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat er sprake is van een verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid en dat tussen dit gedrag en het overlijden van het slachtoffer een causaal verband bestaat. De dader moest anders handelen (verwijtbaarheid) en kon ook anders handelen (vermijdbaarheid). Een en ander wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de dader, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daartoe behoort ook de eventuele bijzondere hoedanigheid van degene aan wie het schuldverwijt wordt gemaakt. Daarvoor is het uitgangspunt dat het gedrag wordt beoordeeld aan de hand van de maatstaf ‘de normale mens’, maar er zijn gevallen waarin aan personen (of: rechtspersonen, zoals in dit geval) wegens hun bijzondere hoedanigheid hogere eisen met betrekking tot hun kennis en bekwaamheid gesteld kunnen worden dan normaal het geval is. Overigens moeten de aard en de ernst van de gevolgen van het tenlastegelegde bij de beoordeling van de mate van schuld buiten beschouwing worden gelaten, hoe tragisch dat gevolg ook is. Wel dient vast komen te staan dat tussen de gemaakte fout en de dood/het letsel voldoende oorzakelijk verband (causaliteit) bestaat, terwijl tot slot voor culpoze strafbaarheid de voorzienbaarheid nog steeds als een voorwaarde geldt.

De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen zij heeft overwogen ten aanzien van feit 1, volgt dat aan voornoemde eisen is voldaan. Er is vastgesteld dat [slachtoffer] als vrijwilliger bij de vereniging werkzaam was.

Voorts is gebleken dat de vereniging niet heeft voldaan aan de op de haar op grond van de Arbowet rustende zorgplichten, terwijl bij de vereniging bekend was dat hierdoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar vrijwilligers, waaronder [slachtoffer] , te verwachten viel. Door het nalaten van het voeren van een adequaat veiligheidsbeleid heeft [slachtoffer] een duikfles met onjuiste maatvoering gebruikt tijdens het geven van een duikinstructie, waardoor de vereniging een onaanvaardbaar veiligheidsrisico in het leven heeft geroepen. In een werkomgeving waarin gewerkt wordt met perslucht onder druk en waarin de veiligheid van instructeurs en cursisten rechtstreeks afhankelijk is van de deugdelijkheid van dat materiaal, brengt een zorgvuldige bedrijfsvoering met zich dat strikte controleprocedures worden gehanteerd. De vereniging heeft echter geen sluitend systeem ingericht ter controle van de compatibiliteit van duikflessen en kranen. Volgens de toenmalige penningmeester [naam penningmeester] werd bij de vereniging zelfs helemaal niets gedaan met de flessen, behalve het afvullen daarvan. Er werd dus niet gekeken of het type fles en de type afsluiter wel bij elkaar hoorden, dit terwijl het eenvoudig is vast te stellen omdat zowel op de fles als op de kraan het typenummer staat vermeld.

Daarmee komt de rechtbank tot het oordeel dat de vereniging de op haar rustende zorgplicht voor de veiligheid van [slachtoffer] niet is nagekomen en daarmee aanmerkelijk onachtzaam en nalatig heeft gehandeld. De vereniging had de risico’s en gevolgen die zich hebben voorgedaan toen het misging moeten voorzien en had anders moeten handelen.

Uit het schouwrapport dat is opgemaakt na het overlijden van het slachtoffer volgt dat hij is overleden door een beschadiging van vitale organen in de borstholte veroorzaakt door een hoog energetisch trauma. Het causale verband tussen het overlijden van [slachtoffer] als gevolg van de ontploffing van de duikfles en het nalaten van de vereniging is hiermee gegeven.

De rechtbank acht daarom bewezen dat het aan de schuld van [de vereniging] is te wijten dat [slachtoffer] is komen te overlijden. De rechtbank acht feit 2 dan ook bewezen.

4. Waardering van het bewijs

De rechtbank acht bewezen dat de vereniging:

Feit 1

op 16 oktober 2022 te Amstelveen, als degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn, opzettelijk, handelingen heeft verricht en heeft nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop rustende bepalingen, immers heeft zij, verdachte, opzettelijk, op het adres [adres] , zijnde een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, door [slachtoffer] , arbeid laten verrichten, bestaande die arbeid uit — zakelijk weergegeven — het geven/verzorgen van een introductieduik/duikinstructie, terwijl niet was/werd voldaan aan:

( i) het bepaalde in artikel 3 lid 1, aanhef en onder a en b, van de Arbeidsomstandighedenwet, immers heeft zij onvoldoende gezorgd voor de veiligheid en de gezondheid van de bij haar werkzame vrijwilliger(s) inzake alle met de arbeid verbonden aspecten en daartoe onvoldoende beleid gevoerd dat was gericht op zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden, waarbij zij, gelet op de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening, niet in acht heeft genomen:

( a) dat de arbeid zodanig werd georganiseerd dat daarvan geen nadelige invloed uitging op de veiligheid en gezondheid van de vrijwilliger(s), terwijl dit redelijkerwijs wel van haar kon worden gevergd; en

( b) dat de gevaren en risico’s voor de veiligheid of de gezondheid van de vrijwilliger(s) zoveel mogelijk in eerste aanleg bij de bron daarvan werden voorkomen of beperkt, en/of naar de mate waarin dergelijke gevaren en risico’s niet bij de bron konden worden voorkomen of beperkt, daartoe voldoende andere doeltreffende maatregelen getroffen, terwijl dit redelijkerwijs wel van haar kon worden gevergd, immers heeft zij er niet voor gezorgd dat een duikfles die binnen de vereniging werd gebruikt voorzien was van een passende kraan met de juiste maat schroefdraad en/ heeft zij niet een beleid gevoerd waardoor onjuiste combinaties van duikflessen en kranen werden voorkomen en

(iv) het bepaalde in artikel 6.15 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers is door haar nagelaten om in geval van duikarbeid, met inachtneming van de stand van de techniek en rekening houdende met de specifiek te verrichten arbeid, aan de bij haar werkzame vrijwilliger deugdelijk materieel dat in goede staat verkeert ter beschikking te stellen, immers heeft zij op 16 oktober 2022 aan [slachtoffer] een duikfles ter beschikking gesteld waarop een kraan met een onjuiste/andere maatvoering was bevestigd, en terwijl daardoor, naar zij wist, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die [slachtoffer] te verwachten was;

Feit 2

op 16 oktober 2022 te Amstelveen, aanmerkelijk onachtzaam ennalatig, althans met aanmerkelijke verwaarlozing van de in dezen geboden zorgvuldigheid, heeft gehandeld en heeft nagelaten, immers, heeft zij, verdachte, bij het verrichten van werkzaamheden, te weten het geven/verzorgen van een duikinstructie/introductieduik (in een pand aan de [adres] te Amstelveen),

- nagelaten ervoor te zorgen dat de duikfles die binnen de vereniging werd gebruikt voorzien was van een passende kraan met de juiste maat schroefdraad en

- binnen de vereniging niet een beleid gevoerd waardoor een onjuiste combinatie van een duikfles en een kraan werd voorkomen en

- aan [slachtoffer] een duikfles ter beschikking gesteld waarop een kraan met een onjuiste maatvoering was bevestigd,

met als gevolg dat op 16 oktober 2022 het slachtoffer, de heer [slachtoffer] , bij het verplaatsen van een duikfles is geraakt door de kraan die van deze duikfles is afgeschoten, waardoor het aan de schuld van haar, verdachte, te wijten is dat die [slachtoffer] als gevolg daarvan is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De vereniging is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5. Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. Strafbaarheid van de vereniging

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de vereniging uitsluit. De vereniging is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vereniging ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 25.000,-.

De rechtbank overweegt op dit punt als volgt.

De ernst van de feiten

Het ongeval dat op 16 oktober 2022 in zwembad De Meerkamp heeft plaatsgevonden, waarbij het slachtoffer [slachtoffer] om het leven is gekomen, was noodlottig en tragisch. Niemand heeft dit gewild. De rechtbank is hierboven tot het oordeel gekomen dat het overlijden van [slachtoffer] de vereniging wel valt aan te rekenen. Het veiligheidsbeleid van de vereniging schoot tekort en dit heeft er uiteindelijk toe kunnen leiden dat een onjuiste combinatie tussen een duikfles en een daarop gemonteerde kraan is ontstaan en voorafgaand aan het ongeval niet is opgemerkt. Hiermee is het aan de vereniging toe te rekenen dat een onaanvaardbaar en potentieel levensgevaarlijk veiligheidsrisico in het leven werd geroepen, dat zich op 16 oktober 2022 heeft verwezenlijkt.

De omstandigheden van de vereniging

De vereniging bestond ten tijde van het ongeval uit ongeveer zestig leden en drie bestuursleden. Het ongeval van 16 oktober 2022 heeft feitelijk het einde ingeluid van de vereniging. Op de Algemene Ledenvergadering van 20 oktober 2023 is besloten om de vereniging te ontbinden. In afwachting van de uitkomst van deze strafzaak zijn de bestuursleden van de vereniging hiertoe echter nog niet overgegaan.

Op dit moment heeft de vereniging geen leden meer en ontplooit zij geen activiteiten meer. Zij wordt enkel nog in stand gehouden door de twee bestuursleden die op de zitting aanwezig waren. Zij hebben op de zitting toegelicht dat er nog een beperkt bedrag van ongeveer € 2.900,- in de verenigingskas resteert.

De rechtbank heeft gezien dat de vereniging niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

De op te leggen straf

In het kader van de strafoplegging stelt de rechtbank voorop dat het opleggen van een straf niet kan wegnemen dat de nabestaanden het gemis van hun partner, vader en zoon hun leven lang met zich mee zullen dragen. Uit de op de zitting door de partner en de kinderen van het slachtoffer voorgelezen slachtofferverklaringen is ook gebleken hoe groot dit gemis voor hen is. Hierin hebben zij op invoelbare en liefdevolle wijze een beeld geschetst van een betrokken partner en vader, met een grote passie voor de natuur en de duiksport. Naast het diepe leed voor de nabestaanden heeft de rechtbank ook oog voor de impact van het overlijden van het slachtoffer op de (bestuurs)leden van de destijds kleine en hechte duikvereniging.

De rechtbank acht gelet op alle omstandigheden passend dat aan de vereniging een geldboete wordt opgelegd. Daarbij houdt de rechtbank rekening met het feit dat de vereniging meteen na het tragische ongeluk adequate maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat het risico zich nogmaals zou voordoen. Daarnaast heeft de vereniging ook vrijwel direct de Nederlandse Onderwatersport Bond (NOB) ingelicht, die naar aanleiding daarvan een flink aantal publicaties over dit onderwerp heeft gedaan en cursussen heeft georganiseerd waarin (onder andere) op het belang van een correcte match tussen een duikfles en de daarop gemonteerde kraan wordt gewezen.

Nu de vereniging bovendien ontbonden zal worden na afloop van deze strafzaak en de door de officier van justitie geëiste geldboete daarmee naar alle waarschijnlijkheid nooit volledig zal worden voldaan, zal de rechtbank bij de strafoplegging van de eis afwijken. De rechtbank acht een (symbolische) geldboete ter hoogte van € 2.500,- passend en geboden en zal dit aan de vereniging opleggen. ,. Daarbij overweegt de rechtbank uitdrukkelijk dat zij tot een significant hogere geldboete zou zijn gekomen als de vereniging nog operatief was als duikvereniging.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 55 en 307 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten,

de artikelen 3, 8, 16, 32 van de Arbeidsomstandighedenwet

en de artikelen, 6.13, 6.15 en 9.5a van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

9. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat de vereniging het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de vereniging meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt de vereniging daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1

overtreding van het bepaalde bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon

Feit 2

aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart de [de vereniging] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de vereniging tot een geldboete van € 2.500,- (tweeduizendvijfhonderd euro).

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.M. Berkhout, voorzitter,

mrs. A.H.E. van der Pol en A.K. Glerum, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. L. Eisses en J.M. Bos, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.M. Berkhout

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?