RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-007071-26
Datum uitspraak: 7 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 3 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 januari 2026 door het Parket van de Procureur des Konings van Brussel, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] (België),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [de penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 maart 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. L.C. Fleskens, waarnemend voor mr. E.K.B. Bijl, beiden advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Belgische nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel van 15 juli 2025 met kenmerk BR10.L5.013658-24 - F 6369/25.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 40 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 33 maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Inleiding
Op 9 februari 2026 heeft de Substitut du procureur du Roi - Section territoriale onder andere de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“(…) "De heer [de opgeëiste persoon] werd onder voorwaarden in vrijheid gesteld (...) Onder deze voorwaarden bevonden zich onder meer de volgende: 1. effectief verblijven op het adres van zijn woonplaats, [adres 1] ; 2. deze domicilie niet wijzigen zonder voorafgaande verwittiging van de onderzoeksrechter; 3. elke adreswijziging en elke wijziging van telefoonnummer meedelen aan de onderzoeksrechter (…); 9. gevolg geven aan alle oproepingen van de politie- of gerechtelijke autoriteiten, inclusief de door hen aangestelde deskundigen.
Hij was dus verplicht elke adreswijziging mee te delen, wat hij niet heeft gedaan. Hij moest eveneens gevolg geven aan alle oproepingen, wat hij evenmin heeft gedaan. Zijn voorwaarden werden bij de regeling van de rechtspleging door de raadkamer vernieuwd en waren dus van kracht op het moment dat hij werd gedagvaard om voor de correctionele rechtbank te verschijnen.
De heer [de opgeëiste persoon] werd gedagvaard op het volgende adres: [adres 2] , omdat hij intussen op dat adres gedetineerd was onder het elektronisch toezicht in een andere zaak op het moment van zijn dagvaarding (...).”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is, maar dat kan worden afgezien van toepassing van deze weigeringsgrond. Uit de aanvullende informatie van 9 februari 2026 blijkt voldoende duidelijk dat de opgeëiste persoon een adres-instructie heeft ontvangen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Weliswaar is in de Franstalige tekst aangekruist dat de opgeëiste persoon “anderszins” daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de datum en de plaats van het proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces en ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op het proces verschijnt; uit de toelichting (die ook in de Nederlandstalige tekst is opgenomen) blijkt echter slechts dat de dagvaarding (met nota) op 20 mei 2025 door een gerechtsdeurwaarder werd gedeponeerd in de brievenbus van de opgeëiste persoon. Dit is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat de omstandigheid als bedoeld in artikel 12 onder a zich voordoet.
Gelet daarop kan de overlevering op grond artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het feit dat de strafrechtelijke procedure tegen hem liep. Uit onderdeel b) van het EAB en de aanvullende informatie van 9 februari 2026 blijkt namelijk dat de opgeëiste persoon zeven maanden in voorarrest heeft gezeten en op 17 februari 2025 onder voorwaarden is geschorst. Deze voorwaarden hielden onder meer in dat de opgeëiste persoon gevolg moest geven aan alle oproepingen van de politie- of gerechtelijke autoriteiten. De dagvaarding voor de zitting is – zo blijkt uit het EAB – op 30 mei 2025 afgeleverd. Uit de aanvullende informatie blijkt voorts dat deze naar het adres [adres 2] is verstuurd, het adres waar de opgeëiste persoon op dat moment “gedetineerd” was onder elektronisch toezicht. Op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon – als hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid - kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot brieven die op zijn elektronische detentieadres bezorgd werden. Dit terwijl zorgvuldigheid van hem verwacht mocht worden aangezien hij er redelijkerwijs rekening mee moest houden dat een zitting zou plaatsvinden. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW.
5. Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten onder e) punt I van het EAB aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten onder e) punt II niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
gegevens verwerven waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen een misdrijf omschreven in artikel 326 voor zover het feit betrekking heeft op de verkrijging van een niet-contant betaalinstrument, meermalen gepleegd;
oplichting, meermalen gepleegd.
6. Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen.
Bij brief van 11 februari 2026, afkomstig van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden - Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit, is voor de opgeëiste persoon de volgende detentiegarantie gegeven:
“ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Haren.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillend dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.
3. Sanitaire en hygiëne omstandigheden
Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de garantie van 11 februari 2026. De rechtbank is, gelet op de daarin gedane toezeggingen van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden).
7. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 140, 234 en 326 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.
9. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het parket van de Procureur des Konings van Brussel, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. L. Sanders en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.