RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-025788-26 (EAB 2)
Datum uitspraak: 7 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 28 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 juni 2023 door de Mannheim District Court, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] , alias [alias] ,
geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] (Bulgarije), alias [geboorteplaats alias] (Duitsland),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 maart 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat in Alkmaar en door een tolk in de Bulgaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
In het EAB wordt de overlevering van [alias] , geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats alias] (Duitsland). Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij niet de persoon is van wie de overlevering wordt gevraagd. De opgeëiste persoon heeft verklaard te zijn: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] (Bulgarije). De personalia die in het EAB staan, zeggen hem niets.
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en stelt op grond van de ID-staat van 24 januari 2026 (die is opgesteld toen de opgeëiste persoon in Amsterdam werd aangehouden als verdachte van vernieling) vast dat de opgeëiste persoon op basis van biometrie op die datum geïdentificeerd werd als [de opgeëiste persoon] én [alias] met de geboortedata als hierboven vermeld. Uit het rapport dactyloscopisch identiteitsonderzoek van 31 januari 2026 (dat op de zitting aan het dossier is toegevoegd) in combinatie met het mailbericht van het IRC van 27 januari 2026 blijkt dat de vingerafdrukken die door de uitvaardigende justitiële autoriteit zijn gevoegd bij de signalering op naam van [alias] en de vingerafdrukken die in Nederland zijn afgenomen van de persoon die zichzelf [de opgeëiste persoon] noemt, afkomstig zijn van één en dezelfde persoon. De rechtbank stelt op grond van deze informatie vast dat [de opgeëiste persoon] dezelfde persoon is als [alias] , de persoon waarvoor de Duitse autoriteiten de overlevering verzoeken.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van Mannheim District Court van 22 oktober 2021 met kenmerk 20 Ds 302 Js 21652/20.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog de gehele straf, minus één dag. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4. Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
7. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan Mannheim District Court, Duitsland voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. L. Sanders en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.