RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/077465-26
Datum uitspraak: 7 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 16 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 9 maart 2022 door de onderzoeksrechter van de Rechtbank in eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en aangevuld bij EAB-formulier van 13 januari 2026, en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 maart 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. L.E. Versluis, advocaat in Rotterdam.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een bevel tot aanhouding bij verstek van 9 maart 2022 van de onderzoeksrechter van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. Dit bevel heeft kenmerk 2021/053.
Gelijktijdig met het onderhavige EAB heeft de rechtbank een EAB van 13 januari 2026 van het Federaal Parket, België, behandeld onder parketnummer 13-011618-26. In de uitspraak van heden in die zaak heeft de rechtbank geoordeeld dat het EAB van 13 januari 2026 moet worden beschouwd als aanvulling op het onderhavige EAB. Het zal in deze uitspraak verder worden aangeduid als het EAB-formulier.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4. Instemming van de Verenigde Arabische Emiraten voor verderlevering
Inleiding
De opgeëiste persoon is op 29 januari 2026 door de autoriteiten van de Verenigde Arabische Emiraten aan Nederland uitgeleverd ten behoeve van zijn vervolging in een in Nederland aanhangige strafzaak (met parketnummer 02-338575-22). Nu de feiten waarop het EAB berust zouden zijn begaan vóór die uitlevering, is op grond van artikel 14 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten inzake uitlevering van 29 augustus 2021 (hierna: het Verdrag) voor de zogenoemde ‘verderlevering’ van de opgeëiste persoon aan België door Nederland instemming vereist van de Verenigde Arabische Emiraten.
Bij brief van 29 januari 2026 is namens de Minister van Justitie en Veiligheid via diplomatieke kanalen bij het Ministerie van Justitie van de Verenigde Arabische Emiraten het volgende verzoek gedaan:
Onder verwijzing naar het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten inzake uitlevering (Abu Dhabi, 29-08-2021), heb ik hierbij de eer uw toestemming te vragen voor verdere uitlevering van:
[de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1996.
Met het uitleveringsverzoek van de officier van justitie te Breda van 19 oktober 2023, heeft Nederland uw autoriteiten formeel om uitlevering van de heer [de opgeëiste persoon] verzocht, in verband met opzetwitwassen. Op 29 januari 2026 werd de heer [de opgeëiste persoon] door de Verenigde Arabische Emiraten feitelijk aan Nederland uitgeleverd.
Met een Europees Aanhoudingsbevel van 13 januari 2026 heeft België aan Nederland verzocht om de heer [de opgeëiste persoon] aan België over te leveren, met het oog op de invoer, uitvoer en vervoer van verdovende middelen en leidinggeven aan een criminele organisatie. Het gaat hierbij om feiten die zijn gepleegd tussen 2019 en 2021, en derhalve gepleegd vóórdat uitlevering door de Verenigde Arabische Emiraten aan Nederland plaatsvond.
Graag vraag ik hierbij op grond van artikel 14 van het bilaterale Verdrag om toestemming van uw autoriteiten voor de verdere uitlevering van de heer [de opgeëiste persoon] aan België.
Bij bericht van 16 februari 2026 is door de centrale autoriteit van de Verenigde Arabische Emiraten, vertegenwoordigd door het Ministerie van Justitie aldaar, als volgt gereageerd:
Betreft: verzoek tot aanvulling van de procedures inzake een uitleveringsverzoek
De verdachte: [de opgeëiste persoon] – Nederlandse nationaliteit
(...)
Onder verwijzing naar de nota van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden nr. 020/2026 d.d. 2 februari 2026, inhoudende het verzoek van de Nederlandse justitiële autoriteiten om toestemming tot voortzetting van de uitleveringsprocedure met betrekking tot bovengenoemde persoon aan het Koninkrijk België, overeenkomstig artikel 14 van het tussen de Verenigde Arabische Emiraten en het Koninkrijk der Nederlanden gesloten Verdrag inzake uitlevering betreffende doorlevering aan een derde staat, delen wij u mede dat de centrale autoriteit, vertegenwoordigd door het Ministerie van Justitie, geen bezwaar heeft tegen de voortzetting van de uitleveringsprocedure met betrekking tot bovengenoemde persoon aan het Koninkrijk België, overeenkomstig artikel 14 van het tussen de Verenigde Arabische Emiraten en het Koninkrijk der Nederlanden gesloten Verdrag inzake uitlevering betreffende doorlevering
aan een derde staat.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft betoogd dat de instemming voor de verderlevering niet is gegeven voor dit EAB. In het verzoek van de Nederlandse autoriteiten wordt namelijk verwezen naar het EAB van 13 januari 2026. Er is dus geen instemming gevraagd of verleend voor dit EAB uit 2022. Zonder instemming is verderlevering naar België niet toegestaan.
Daarnaast berust de instemming van de Verenigde Arabische Emiraten op onjuiste en misleidende informatie vanuit Nederland, waardoor deze ongeldig is. In het verzoek namens de Minister van Justitie en Veiligheid is immers het EAB van 13 januari 2026 vermeld. Hierdoor lijkt het om een nieuwe zaak te gaan en kon door de autoriteiten in de Verenigde Arabische Emiraten niet worden onderkend dat het om dezelfde feiten gaat waarvoor de uitlevering naar België eerder is geweigerd door de rechtbank in Dubai. Het uitvaardigen van het EAB in 2026 lijkt erop gericht te zijn bij de Verenigde Arabische Emiraten de indruk te wekken dat er ten tijde van het uitvaardigen van het EAB voor de daarin genoemde feiten een verdragsbasis bestond met België. Dat is niet het geval, aangezien het EAB is uitgevaardigd vóór de inwerkingtreding van het uitleveringsverdrag tussen België en de Verenigde Arabische Emiraten op 1 november 2022.
De raadsvrouw heeft ter onderbouwing van dit standpunt stukken overgelegd waaruit blijkt dat de Belgische autoriteiten op 12 september 2023 een verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon door de Verenigde Arabische Emiraten hebben ingediend in verband met de vervolging voor strafbare feiten (promoten van verdovende middelen via een georganiseerde criminele groep), welk verzoek afgewezen is door een rechtbank in Dubai op 23 oktober 2025.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdenking van de strafbare feiten in dit EAB en het EAB van 13 januari 2026 hetzelfde is. De instemming zoals gegeven op 16 februari 2026 moet ruim gelezen worden en geldt dus ook voor dit EAB.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt.
Artikel 14 van het Verdrag luidt als volgt:
Uitgezonderd in de gevallen voorzien in artikel 13, eerste lid, onderdelen a en b, van dit Verdrag kan de verzoekende Partij niet zonder de instemming van de aangezochte Partij de persoon die aan haar is uitgeleverd en die door een derde partij wordt gezocht wegens strafbare feiten gepleegd vóór deze uitlevering, niet [sic] aan een derde partij uitleveren. De aangezochte Partij kan overlegging van de in artikel 6 van dit Verdrag bedoelde documenten en informatie verzoeken.
In het artikel staat dus dat instemming van de aangezochte partij met de verderlevering kan worden gevraagd voor strafbare feiten die vóór de uitlevering zijn begaan. Het artikel bepaalt niet hoe uitgebreid en op welke wijze deze feiten moeten zijn omschreven en of het verzoek tot instemming gekoppeld moet zijn aan, bijvoorbeeld, een specifiek EAB. Uit de laatste volzin van het artikel kan worden opgemaakt dat het aan de aangezochte partij is om, wanneer hierover onduidelijkheid bestaat, nadere documentatie of informatie op te vragen.
In het verzoek van het Nederlandse Ministerie van Justitie is opgenomen dat de instemming met verderlevering is vereist vanwege een Belgisch verzoek tot overlevering met het oog op de strafrechtelijke vervolging voor invoer, uitvoer en vervoer van verdovende middelen en het leidinggeven aan een criminele organisatie in de periode tussen 2019 en 2021, onder verwijzing naar het EAB-formulier van 13 januari 2026. De rechtbank stelt vast dat de omschrijving van de verdenking in het EAB en in het EAB-formulier van 13 januari 2026 in essentie ziet op dezelfde strafbare feiten, waarbij het EAB-formulier een actualisatie bevat van de verdenking gelet op de stand van het strafrechtelijk onderzoek in 2026. Dit volgt ook uit de toelichting door de Federaal Magistraat van het Federaal Parket België in een e-mail van 23 februari 2026 aan de officier van justitie waarin zij schrijft dat de vervolgde misdrijven dezelfde zijn en dat slechts de uiteenzetting in 2026 veel uitgebreider is dan in 2022. De summiere samenvatting van de strafbare feiten in het Nederlandse verzoek om instemming voor verderlevering van de opgeëiste persoon omvat in ieder geval zowel de omschrijving van de feiten in het EAB als de nadere specificatie daarvan in het EAB-formulier van 13 januari 2026.
De rechtbank leest de brief van 16 februari 2026 dan ook als instemming tot verderlevering aan België voor de strafbare feiten zoals deze in dit EAB én het EAB-formulier omschreven staan. Kennelijk hebben de autoriteiten van de Verenigde Arabische Emiraten geen aanleiding gezien om naar aanleiding van de summiere omschrijving van de strafbare feiten nadere documentatie of informatie op te vragen. Het is niet aan de rechtbank om in deze afweging van de autoriteiten van de Verenigde Arabische Emiraten te treden. Het verweer wordt daarom verworpen.
Ook het betoog dat het Belgische uitleveringsverdrag met de Verenigde Arabische Emiraten eerst na het opstellen van het EAB in werking is getreden treft geen doel, alleen al omdat voor instemming voor verderlevering als bedoeld in artikel 14 van het Verdrag niet is vereist dat er een uitleveringsverdrag bestond tussen België en de Verenigde Arabische Emiraten.
5. Strafbaarheid
In het EAB-formulier van 13 januari 2026 is, anders dan in het EAB, voor feit A een lijstfeit aangekruist en voor feit B ingevuld dat de dubbele strafbaarheid moet worden getoetst. Nu de strafbare feiten waarvoor de Belgische autoriteiten de opgeëiste persoon in België willen vervolgen, in het EAB-formulier van 13 januari 2026 nader zijn gespecificeerd, zal de rechtbank dit EAB-formulier aanhouden met betrekking tot de beoordeling van de strafbaarheid van de feiten.
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit A aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB en het EAB-formulier van 13 januari 2026 volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van dit feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit B in het EAB-formulier van 13 januari 2026 niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
6. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit, maar heeft ter zitting aangegeven geen beroep te doen op artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank zal daarom de overlevering niet afhankelijk maken van een terugkeergarantie.
7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW
8. Artikel 11 OLW; artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU (hierna het Handvest)
Het EAB, aangevuld bij EAB-formulier van 13 januari 2026, ziet op feiten die geacht worden in “Knokke, Lommel, Antwerpen, Rotterdam, Eindhoven, andere plekken in België en Nederland, Brazilië, Spanje, Dubai, Duitsland, Zwitserland, de Seychellen, Polen en elders in de wereld” te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgronden van artikel 13, eerste lid, onder a en onder b, OLW van toepassing zijn en heeft verzocht van toepassing van deze weigeringsgronden af te zien. Ten aanzien van 13, eerste lid, onder a, OLW heeft de officier van justitie aangevoerd dat het onderzoek is aangevangen in België, de bewijsmiddelen zich daar bevinden, de verdovende middelen in België zijn ingevoerd, de opgeëiste persoon en de medeverdachten daar worden vervolgd, en het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens is de opgeëiste persoon voor deze feiten te vervolgen.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van artikel 13, eerste lid, onder a, OLW
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond, in een geval als het onderhavige, is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequaat positie bevindt;
- voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals:
- de aard en kenmerken van het strafbare feit, en in het bijzonder, de eventuele internationale dimensie daarvan of de omstandigheid dat het feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie;
- de plaats waar de nadelen van het feit zich verwezenlijken;
- de locatie van de slachtoffers;
- de beschikbaarheid en nabijheid van bewijs en getuigen;
- en de staat waarin de strafprocedure zich bevindt in de uitvaardigende lidstaat en, in voorkomend geval, in de uitvoerende lidstaat.
De rechtbank stelt vast dat, gelet op de omstandigheden die de officier van justitie heeft genoemd, de veronderstelling dat de feiten geheel of gedeeltelijk in Nederland zijn gepleegd onvoldoende aanleiding vormt om deze weigeringsgrond toe te passen. De rechtbank ziet dan ook af van toepassing van deze weigeringsgrond.
Ten aanzien van artikel 13, eerste lid, onder b, OLW
Op grond van artikel 13, eerste lid, onder b, OLW kan de rechtbank de overlevering weigeren, indien het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geheel buiten het grondgebied van de uitvaardigende staat (in dit geval België) zijn gepleegd, terwijl naar Nederlands recht geen vervolging zou kunnen worden ingesteld indien de feiten buiten Nederland zouden zijn gepleegd.
Uit de feitomschrijving in het EAB, zoals aangevuld in het EAB-formulier, volgt dat zowel de feiten onder A als de feiten onder B gedeeltelijk in België hebben plaatsgevonden, zodat de weigeringsgrond van artikel 13, eerste lid, onder b, OLW niet van toepassing is.
Uit de stukken zoals door de raadsvrouw ingebracht, blijkt dat reeds enige tijd in België, bij de rechtbank van Eerste Aanleg West- Vlaanderen, afdeling Brugge, een strafrechtelijke procedure loopt tegen de opgeëiste persoon en meerdere medeverdachten, waarin de opgeëiste persoon terecht staat voor de feiten die in het EAB genoemd worden. In het kader van die strafzaak hebben reeds diverse zittingen plaatsgehad en is op de zitting van 5 januari 2026 de zaak voor vonnis gesteld op 30 maart 2026. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat sprake is van onjuiste informatieverstrekking over de zittingen in België en schending van het aanwezigheidsrecht van de opgeëiste persoon. In de e-mail van 23 februari 2026 van de Federaal Magistraat bij het Belgische Federaal Parket aan de officier van justitie staat dat de opgeëiste persoon op de zitting steeds werd vertegenwoordigd door zijn raadsman. Dat is een feitelijk onjuiste mededeling. Uit de door haar overgelegde zittingsbladen blijkt volgens de raadsvrouw namelijk dat de Belgische raadsman op 15 september 2025 weliswaar aanwezig was, maar uitdrukkelijk heeft verzocht om afsplitsing van de zaak omdat de opgeëiste persoon zich in uitleveringsdetentie in de Verenigde Arabische Emiraten bevond en daarom niet aanwezig kon zijn. Ook verklaarde de Belgische raadsman geen mandaat te hebben om namens de opgeëiste persoon te pleiten. Vervolgens is hij niet verschenen op de zittingen van 18 september 2025, 12 november 2025 en 15 december 2025. Daarmee is het aanwezigheidsrecht van de opgeëiste persoon in de Belgische strafzaak geschonden. Hij heeft meermaals via zijn Belgische raadsman aangegeven aanwezig te willen zijn bij de behandeling van zijn strafzaak. Dit verzoek is telkens afgewezen, waardoor de opgeëiste persoon zonder dat het aan hem te wijten was, niet aanwezig heeft kunnen zijn op de zittingen. Dit is een voltooide schending van artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest. De overlevering is daarom op grond van artikel 11 OLW niet toelaatbaar.
De rechtbank heeft geen algemeen gevaar aangenomen dat verdachten in België worden blootgesteld aan het risico op schending van het recht op een eerlijk proces. De raadsvrouw heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens verstrekt die duiden op een dergelijk gevaar en ook ambtshalve zijn dergelijke gegevens niet bekend bij de rechtbank. Nu er geen algemeen gevaar is aangenomen, komt de rechtbank ook niet toe aan de vraag of sprake is van individueel gevaar dat in het geval van de opgeëiste persoon zijn recht op een eerlijk proces is geschonden. Het verweer wordt daarom verworpen.
9. Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet.
Bij brief van 3 maart 2026 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit is de volgende garantie gegeven:
1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Brugge indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.
3. Sanitaire en hygiëne omstandigheden
Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de
gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie.
De rechtbank is, gelet op deze individuele garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden hiermee voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden).
10. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
11. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 140 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
12. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter van de Rechtbank in eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge (België) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, zoals aangevuld bij EAB-formulier van 13 januari 2026.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. C.W. van der Hoek en M.J. Gauneau, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.