RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/011618-26
Datum uitspraak: 7 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 2 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is gedateerd op 13 januari 2026 en vermeldt als uitvaardigende justitiële autoriteit het Federaal Parket, België en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 maart 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. L.E. Versluis, advocaat in Rotterdam.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3. Ontvankelijkheid van de officier van justitie
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het EAB niet door een bevoegde autoriteit is uitgevaardigd. Een EAB kan in België alleen worden door een onderzoeksrechter of een procureur des Konings worden uitgevaardigd, en in dit geval is het EAB uitgevaardigd door het Federaal Parket.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit EAB van het Federaal Parket een zelfstandig EAB, is waar de rechtbank een beslissing op dient te nemen. Het EAB van 9 maart 2022 (parketnummer 13/077465-26), dat gelijktijdig met dit EAB wordt behandeld en waarin eveneens gevraagd wordt om overlevering tot vervolging van (in essentie dezelfde) strafbare feiten, is opgegaan in dit EAB. Het Federaal Parket – onderdeel van het Belgische openbaar ministerie – is een rechterlijke autoriteit als bedoeld in het Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Als grondslag van het onderhavige EAB wordt zowel het eerdere EAB uit 2022, als een aanhoudingsbevel van 9 maart 2022 van een onderzoeksrechter in Brugge genoemd. Dit nationale aanhoudingsbevel is toegevoegd aan de stukken nu hieruit blijkt dat de rechter bij het uitvaardigen ervan rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de opgeëiste persoon zich in het buitenland bevond; hij schrijft immers dat er gronden zijn om zijn uitlevering te vragen. Eventuele vragen over de evenredigheidstoets door een rechter spelen in het onderhavige geval dan ook geen rol. Het Federaal Parket is in dit geval bevoegd het EAB, dat strekt tot vervolging van de opgeëiste persoon, uit te vaardigen.
De rechtbank is van oordeel dat dit EAB niet als zelfstandig EAB moet worden gezien. Hiervoor acht zij van belang dat de Federaal Magistraat bij het Federaal Parket, in een e-mail van 23 februari 2026 gericht aan de officier van justitie, de status van het EAB van 13 januari 2026 als volgt heeft toegelicht:
“(…) Ter verduidelijking
Het EAB in casu van 2026 is uiteindelijk maar de bevestiging van het EAB dat werd opgesteld in 2022 en dat op zijn beurt werd opgesteld op basis van het aanhoudingsmandaat bij verstek.
(…)
Het EAB van 2026 is dus geen nieuwe titel….en mijn ambt verzoekt dan ook de overlevering op basis van de misdrijven die in het EAB van 2022 voorkomen.
Aangezien het onderzoek in 2026 reeds veel verder stond, is de uiteenzetting in 2026 dan ook veel uitgebreider. Echter de vervolgde misdrijven : inbreuken drugwetgeving en criminele organisatie zijn dezelfde.”
De rechtbank kan voornoemde toelichting niet anders lezen dan dat dit EAB moet worden gezien als een aanvulling op het EAB van 9 maart 2022 (waarover de rechtbank heden uitspraak doet in de zaak met parketnummer 13/077465-26) en niet als een zelfstandig overleveringsverzoek waar de rechtbank een aparte beslissing over dient te nemen. Dit blijkt ook uit de inhoud van beide EAB’s. In het onderhavige EAB is als grondslag het EAB uit 2022 en het daaraan ten grondslag liggende nationale aanhoudingsbevel opgenomen. Het gaat bovendien om vervolging voor dezelfde feiten, zij het dat deze in het onderhavige EAB wat uitgebreider staan omschreven. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan de vraag of het EAB door een daartoe bevoegde autoriteit is uitgevaardigd en of aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming is voldaan. Nu dit geen zelfstandig EAB betreft dient de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering op grond van artikel 23 OLW.
4. Beslissing
VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT OP het bevel gevangenhouding. Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. C.W. van der Hoek en M.J. Gauneau, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.