RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-015270-26
Datum uitspraak: 7 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 30 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 januari 2026 door de onderzoeksrechter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
gedetineerd in [de penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 maart 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB – gelezen in combinatie met het A-formulier – vermeldt een bevel tot aanhouding bij verstek van datum 6 januari 2026 van de uitvaardigende justitiële autoriteit, met kenmerk 2025/0262 - BR30.LL.112087-25.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon.
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om nadere vragen te stellen aan de Belgische autoriteiten over de rol van de opgeëiste persoon bij het strafbare feit. In de feitenomschrijving wordt slechts gesproken van een mogelijke betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het feit. Er is niet concreet omschreven wat zijn betrokkenheid zou zijn geweest. De reikwijdte van het specialiteitsbeginsel kan niet worden gewaarborgd door de huidige omschrijving. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de overlevering hierom moet worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. De pleegplaats en pleegdatum zijn duidelijk omschreven. Ook is de rol van de opgeëiste persoon bij het strafbare feit voldoende omschreven. De exacte rol van de opgeëiste persoon is niet vereist nu er sprake is van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. Het is voldoende dat de opgeëiste persoon weet waarvoor de overlevering wordt verzocht en dat is hier het geval. Daarnaast blijkt uit de feitenomschrijving dat de vrouw van het slachtoffer de opgeëiste persoon heeft herkend als een van de daders.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
In deze zaak is het volgende van belang. Het EAB vermeldt dat de overlevering wordt verzocht voor een poging tot moord in Brussel op 5 november 2025. In het A-formulier staat vermeld (in rubriek 45, mate van betrokkenheid) dat de opgeëiste persoon als dader van het strafbare feit beschouwd wordt. Hierover staat in het EAB het volgende: “Het tot dusver gevoerde onderzoek bevat namelijk elementen volgens welke minstens de verdachten [de opgeëiste persoon] en (…) betrokken zouden zijn bij feiten van poging moord dd. 05/11/2025 omstreeks 03u45, naar aanleiding van een vechtpartij waarbij een mes zou zijn gebruikt te [adres] , tweede verdieping.”
De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is van een genoegzame omschrijving van de strafbare feiten waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht en dat voldoende duidelijk is in welke mate de opgeëiste persoon hierbij betrokken zou zijn geweest. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, zodat het strafrechtelijk onderzoek nog loopt. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht, zal later in België moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende duidelijk waarvoor de overlevering wordt verzocht en is de naleving van het specialiteitsbeginsel voldoende gewaarborgd. De rechtbank wijst het verzoek om aanhouding af en verwerpt het verweer van de raadsman.
4. Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen waarom het lijstfeit “moord en doodslag, zware mishandeling” is aangekruist. Deze kwalificatie blijkt namelijk niet zonder meer uit de feitenomschrijving.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het lijstfeit in redelijkheid is aangekruist en dat de rechtbank in beginsel gebonden is aan de keuze van de uitvaardigende justitiële autoriteit om een lijstfeit aan te kruisen.
Oordeel van de rechtbank
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
moord en doodslag, zware mishandeling.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of het strafbare feit waarvoor overlevering wordt verzocht onder de hiervoor genoemde lijst valt. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden.
Op basis van wat de raadsman heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om hiervan af te wijken.. De rechtbank wijst het verzoek om aanhouding af.
5. Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
Inleiding
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen.
Bij brief van 5 maart 2026, afkomstig van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden - Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit, is voor de opgeëiste persoon de volgende detentiegarantie gegeven:
“ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Haren indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte.
Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.
3. Sanitaire en hygiëne omstandigheden
Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om nadere vragen te stellen aan de Belgische autoriteiten over de detentiegarantie. De afgegeven detentiegarantie is te algemeen van aard en benoemt niet wat de feitelijke situatie is in de gevangenis van Haren. Aan de uitvaardigende justitiële autoriteit moet gevraagd worden wat de feitelijke leefruimte (aantal vierkante meters) van de opgeëiste persoon zal worden en wat de actuele bezettingsgraad is van deze gevangenis.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich, onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 4 maart 2026, op het standpunt gesteld dat de afgegeven detentiegarantie het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de garantie van 5 maart 2026. De rechtbank is, gelet op de daarin gedane toezeggingen van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Uit de detentiegarantie van 5 maart 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon minimaal 3 m2 leefruimte zal hebben en dat wordt gegarandeerd dat hij een bed tot zijn beschikking zal hebben en niet op de grond zal hoeven slapen. De raadsman heeft niet met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens onderbouwd waarom de rechtbank nadere vragen zou moeten stellen over de detentiegarantie aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Beantwoording van de vragen die de raadsman heeft voorgesteld, is gelet op de afgegeven individuele detentiegarantie, niet nodig. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt namelijk door de individuele garantie uitgesloten voor de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden). De rechtbank wijst het aanhoudingsverzoek af.
6. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
Hieruit volgt dat de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden bevolen.
7. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 7, 49 en 50 OLW.
8. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, België, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEVEELT de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, te weten:
- Sandisk Cruzer Blade 16 Gb met goednummer: PL2300-2026013752-1875006;
- Apple iPhone (bloemetjes hoes en zuignapjes) met goednummer: PL23002026013752
1875004;
- Apple iPhone (zwart) met goednummer: PL2300-2026013752-1875005.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. L. Sanders en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.