RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
parketnummer : 13-256035-25
raadkamernummer : 25-028271
datum : 19 februari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna te noemen: verzoeker.
Procedure
Het verzoekschrift is op 4 november 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 19 februari 2026 het verzoekschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de officier van justitie, mr. J.J. Smilde, in raadkamer gehoord.
Verzoeker is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
Verzoek
Het verzoek strekt tot vergoeding van de immateriële schade die verzoeker als gevolg van ondergane verzekering heeft geleden tot een bedrag van in totaal € 480,-, bestaande uit drie dagen inverzekeringstelling (€ 390,-) waarvan hij drie dagen in beperkingen zou hebben doorgebracht (€ 90,-).
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich niet tegen het toekennen van de gevraagde vergoeding voor de drie dagen die verzoeker in verzekering is gesteld. Wel verzet de officier van justitie zich voor de gevraagde extra vergoeding in verband met beperkingen, omdat uit het dossier blijkt dat er geen beperkingen aan verzoeker zijn opgelegd.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd en het verzoek is tijdig ingediend.
De toekenning van een schadevergoeding heeft steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer leidt de rechtbank het volgende af.
Verzoeker is op 1 november 2024 aangehouden en diezelfde dag in verzekering gesteld op verdenking van poging tot doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen. Verzoeker stelt drie dagen in verzekering te hebben doorgebracht, hetgeen door het Openbaar Ministerie niet is weersproken. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat verzoeker na zijn verhoor op 3 november 2024 is heengezonden.
De officier van justitie heeft beslist verzoeker niet verder te vervolgen en heeft dat bij brief van 21 oktober 2025 aan verzoeker meegedeeld. Deze beslissing is onherroepelijk geworden.
De rechtbank acht die gronden aanwezig voor een deel van het verzochte.
De rechtbank gaat uit van de volgende data:
Bij het bepalen van het aantal dagen dat verzoeker in voorarrest heeft doorgebracht, wordt zowel de dag waarop de inverzekeringstelling is aangevangen als de dag van de invrijheidstelling naar de maatstaf van een volledige dag vergoed. Ook indien de inverzekeringstelling is aangevangen én geëindigd op een en dezelfde dag (en het voorarrest dus tot enkele uren beperkt is gebleven) wordt een vergoeding toegekend naar de maatstaf van een volledige dag.
Verzoeker heeft drie dagen zijn vrijheid moeten missen.
Uit het dossier blijkt dat er geen beperkingen aan verzoeker zijn opgelegd.
De rechtbank zal de gebruikelijke vergoeding toekennen, te weten:
- € 130,- € 130,- voor elke dag door verzoeker in verzekering doorgebracht.
Voor toekenning van hetgeen overigens is verzocht acht de rechtbank geen gronden aanwezig.
Beslissing
De rechtbank kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 390,- (zegge driehonderdnegentig euro).
Wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven door
mr. A.A. Spoel, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.
Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het gerechtshof, voor de officier van justitie binnen veertien (14) dagen en voor verzoeker binnen een maand na betekening van deze beslissing, in te stellen ter griffie van deze rechtbank.
BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING
De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van ’s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van: € 390,- (zegge driehonderdnegentig euro), ten gunste van verzoeker, door overmaking van voornoemd bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer] , ten name van [verzoeker] , onder vermelding van vergoeding 533 Sv.
Aldus gedaan op 19 februari 2026
door mr. A.A. Spoel, rechter.