ECLI:NL:RBAMS:2026:3486

ECLI:NL:RBAMS:2026:3486

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 11-03-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer 26-000059
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Beslissing artikel 7 Wet DNA, ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht

Zittingsplaats Amsterdam

parketnummer: 13-112566-22

raadkamernummer: 26-000059

datum: 11 maart 2026

beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,

woonplaats kiezend op het kantoor van mr. P.D.M. van Oers;

[adres] ,

hierna te noemen: veroordeelde.

Procedure

Het bezwaarschrift is op 22 mei 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Per abuis is de akte pas opgemaakt op 2 januari 2026.

De rechtbank heeft op 11 maart 2026 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.

De rechtbank heeft de officier van justitie, mr. P. van Laere, in raadkamer gehoord.

Veroordeelde is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen. De advcoaat van de veroordeelde, mr. P.D.M. van Oers, is wel in raadkamer verschenen maar zij was niet gemachtigd om namens veroordeelde het woord te voeren.

Bezwaar

Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde.

Veroordeelde stelt dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, nu redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.

In het bezwaarschrift is namens veroordeelde, kort weergegeven, het volgende aangevoerd.

Cliënt is veroordeeld voor witwassen en dit misdrijf valt gelet op zijn aard onder de uitzonderingsgrond. Daarnaast is cliënt sinds het misdrijf niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie en is het onwaarschijnlijk dat hij in aanraking zal komen met (ernstige) feiten die kunnen worden opgespoord door middel van DNA. Nu het redelijkerwijs niet aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van cliënt van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten, is de DNA-afname disproportioneel en wordt er een ongeoorloofde inbreuk gemaakt op zijn recht op privacy (artikel 8 EVRM).

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA.

Beoordeling

Bij vonnis van 17 januari 2023 is veroordeelde door de politierechter in deze rechtbank veroordeeld ter zake van witwassen.

De rechtbank is bevoegd.

Nu het bezwaar reeds op 22 mei 2023 is ingediend (waarna de akte pas op 2 januari 2026 is opgemaakt), is het bezwaar tijdig en op de juiste wijze ingediend. Veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv.

De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven, aan dit vereiste voldoet.

De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden, waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde.

Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf 'aard van het misdrijf' op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing vervolging en berechting van strafbare feiten. In het onderhavige geval is veroordeelde veroordeeld voor witwassen. De rechtbank is van oordeel, zoals reeds overwogen in diverse uitspraken, ook voor de opheldering van dergelijke misdrijven DNA-onderzoek van betekenis kán zijn.

De maatstaf 'bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd' hangt samen

met de persoon van veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Blijkens de wetsgeschiedenis moet dan gedacht worden aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die het misdrijf in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstige lichamelijke beperkingen, ook nooit meer zal kunnen begaan. Of, en in welke mate bijzondere omstandigheden aan de orde zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan de rechter betrekken of, mede gelet op de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd en de leeftijd van veroordeelde ten tijde van het misdrijf, sprake is van een gering recidivegevaar. Daarvoor kan ook van belang zijn of aanwijzingen bestaan voor eerder gepleegde relevante misdrijven (Hoge Raad 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:626).

Hetgeen namens veroordeelde is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een uitzonderingssituatie. Veroordeelde is eerder veroordeeld voor strafbare feiten en ook na de veroordeling van 17 januari 2023 is hij in aanraking gekomen met politie en justitie. Naar het oordeel van de rechtbank kan verder niet worden gesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde. Hoewel met de afname van het celmateriaal van veroordeelde een inbreuk op zijn recht op privacy (artikel 8 EVRM) wordt gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat deze inbreuk geoorloofd is omdat aan alle wettelijke criteria voor het maken van een inbreuk op dit recht is voldaan. Van bijzondere omstandigheden die dat in onderhavige zaak anders zouden maken is, naar het oordeel van de rechtbank, niet gebleken.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie en dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door

mr. A.A. Spoel, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.

Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.A. Spoel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?