RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
raadkamernummer: 25-032583
datum: 11 maart 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. A. Vehab;
[adres] ,
hierna te noemen: klager, tevens beslagene.
Feiten
Uit de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 Sv blijkt dat op 25 september 2025 in het strafrechtelijk onderzoek tegen klager in beslag is genomen: een geldbedrag van in totaal € 1.900,- (goednummers 6714602 en 6714604) (hierna: het geldbedrag). Op 14 januari 2026 heeft de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie een machtiging tot het leggen van conservatoir beslag ex artikel 94a Sv verleend.
Procedure
Het klaagschrift is op 17 december 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 11 maart 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft klager, zijn advocaat, mr. A. Vehab, en de officier van justitie, mr. P. van Laere, op zitting gehoord.
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag.
Door klager is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd.
Ik heb twee keer een bedrag van € 1.000,- geleend van een vriendin. Ik zou een bedrag van € 1.900,- die dag aan haar teruggeven. Daarom had ik het bij me. Ik had geen afspraak met haar gemaakt, maar ik zie haar bijna dagelijks.
Namens klager is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd.
Het inbeslaggenomen geldbedrag heeft geen criminele herkomst. Klager heeft het geld geleend van een vriendin. Uit de overgelegde transacties (bijlage 1) volgt dat zij op 21 en 28 maart 2025 een geldbedrag van € 1.000,- heeft opgenomen. Uiteindelijk is er onder klager € 1.900,- inbeslaggenomen. Dat de vriendin van klager na de inbeslagname een verklaring heeft opgesteld over de lening is niet vreemd, omdat daar toen pas de noodzaak toe bestond. Hoewel niet met zekerheid kan worden gesteld dat het inbeslaggenomen geldbedrag hetzelfde geld betreft als wat klager heeft geleend, is de wijze waarop hij aan het geldbedrag is gekomen wel legaal. Dit zegt ook iets over hoe klager met geld omgaat en dus over het inbeslaggenomen geld. Ook de coupures wijzen niet op een illegale herkomst. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat het geldbedrag zal worden verbeurd verklaard of dat aan klager een geldboete zal worden opgelegd.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet, omdat het Openbaar Ministerie zal vorderen dat het geldbedrag zal worden verbeurd verklaard. Ten aanzien van het conservatoire beslag geldt dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat er een geldboete aan klager zal worden opgelegd.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd.
Het beklag is schriftelijk gedaan en ingediend binnen twee jaren na inbeslagneming. Klager is daarom ontvankelijk in het beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
Ten aanzien van het klassieke beslag (ex artikel 94 Sv)
In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van dat voorwerp zal bevelen.
Uit de stukken en hetgeen in raadkamer is besproken, is het volgende gebleken.
Op 25 september 2025 is onder klager een handelshoeveelheid drugs (vermoedelijk GHB of vloeibare MDMA) in zijn jas aangetroffen. Voordat hij kon worden gefouilleerd is hij weggerend en heeft hij zijn telefoon in het water gegooid. Uiteindelijk kon hij worden aangehouden en is er in zijn broekzak een geldbedrag van in totaal € 1.900,- aangetroffen. De rechtbank begrijpt klager zo, dat hij stelt dat het geld geen criminele herkomst heeft, omdat hij een vergelijkbaar bedrag enige tijd eerder heeft geleend van iemand. Uit het voorgaande volgt echter niet automatisch, dat het op 25 september 2025 inbeslaggenomen geld, waarmee klager stelt zijn lening te willen afbetalen, geen criminele herkomst heeft. Op grond van de omstandigheden waaronder het geld in beslag is genomen, is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het inbeslaggenomen geldbedrag zal verbeurd verklaren.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.
Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.
Ten aanzien van het conservatoire beslag (ex artikel 94a Sv)
Bij de beoordeling van een beklag van klager gericht tegen een beslag op grond van artikel 94a, eerste of tweede lid, Sv dient de rechter eerst te onderzoeken of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.
Als er sprake is van een dergelijke verdenking moet de rechter onderzoeken of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een geldboete, dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
Klager wordt - kort gezegd - verdacht van handel in harddrugs en witwassen. Dit betreffen misdrijven waarvoor een geldboete van de vierde of vijfde categorie kan worden opgelegd.
Op grond van voornoemde verdenkingen (zie overweging ten aanzien van het klassieke beslag) is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, aan klager een geldboete zal opleggen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het (conservatoir) beslag.
Het beklag zal dan ook ongegrond worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. A.A. Spoel, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager en het openbaar ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank: voor klager binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing en voor het openbaar ministerie binnen veertien (14) dagen na de dagtekening van de beslissing.