ECLI:NL:RBAMS:2026:3492

ECLI:NL:RBAMS:2026:3492

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 31-03-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer 13-022786-26
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Overlevering. EAB Polen t.b.v. de tenuitvoerlegging van drie in Polen opgelegde straffen. M.b.t. één van de vonnissen blijft onduidelijkheid bestaan in het kader van de toetsing aan art. 12 OLW, ondanks dat het IRC deze punten met gerichte en duidelijke vragen meermaals heeft getracht op te helderen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om nogmaals (dezelfde) vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Overlevering deels geweigerd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-022786-26

Datum uitspraak: 31 maart 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 23 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 25 augustus 2025 door the Regional Court in Poznań, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren op [geboortedag] 1975 in [geboorteplaats] (Polen),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

nu gedetineerd [detentieadres],

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 maart 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F. Vortman, advocaat te Hardenberg en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek de gevangenhouding bevolen.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt de volgende beslissingen:

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van:

Deze vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde veroordelingen A, B en C.

Deze veroordelingen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.

4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW en genoegzaamheid

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd omdat niet is voldaan aan artikel 12 OLW. Er wordt in het EAB verwezen naar oproepingen conform artikel 133 van het Poolse wetboek van strafvordering. Dat is niet voldoende voor artikel 12 OLW mede in het licht van jurisprudentie van de Nederlandse Hoge Raad over oproepingen. De Poolse autoriteiten hadden bewijzen moeten aanleveren dat de oproepingen daadwerkelijk aan de opgeëiste persoon zijn verstuurd. Daarnaast heeft de raadsman ten aanzien van vonnis C betoogd dat onduidelijk is hoe deze procedure is verlopen gelet op de vele pagina’s aanvullende informatie uit de e-mailwisseling tussen het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) en de Poolse autoriteiten. Er is sprake geweest van een her-classificatie en een aanpassing van de straf, terwijl onduidelijk is wat er op welke zitting precies inhoudelijk is behandeld en of de opgeëiste persoon voor die zittingen daadwerkelijk een oproeping heeft gehad.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van vonnis A en B op het standpunt gesteld dat kan worden afgezien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Uit het dossier volgt dat de opgeëiste persoon in die procedures tijdens het verhoor een adresinstructie heeft gekregen, een adres heeft opgegeven en is opgeroepen op de opgegeven adressen. Bewijzen van die oproepingen hoeven niet te worden geleverd door de uitvaardigende justitiële autoriteit.

Ten aanzien van vonnis C heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. Het IRC heeft meermaals vragen gesteld om te achterhalen hoe deze procedure is verlopen. Uit de aanvullende informatie van 19 februari 2026, 27 februari 2026 en 5 maart 2026 volgt dat er eerst een veroordeling was met kenmerk II K 167/23. Deze veroordeling ziet op de feiten 15 en 16 uit het EAB waarvoor een straf van twee jaar en zes maanden is opgelegd. Bij beslissing van 30 oktober 2023 met kenmerk II Ko 1335/23 is een straf van zes maanden teruggebracht tot 30 dagen. Dit hield verband met de omzetting van een misdrijf in een overtreding en zou gaan om een feit waarbij sprake was van een schade van 550 Poolse Zloty. Dat feit is niet terug te vinden in het EAB. Ten aanzien van dit feit ontbreekt dus een omschrijving. Vervolgens is ex officio een procedure gestart waarbij deze eerdere beslissingen zijn samengevoegd, eindigend in de beslissing met kenmerk II K 556/23 van 30 januari 2024 (met een hearing op diezelfde dag). Hoewel in de aanvullende informatie wordt meegedeeld dat hierbij geen beoordelingsbevoegdheid bestond, was hiervan wel sprake omdat bij dit samenvoegingsvonnis de straf is aangepast naar twee jaar en vier maanden. Voor deze hearing is de opgeëiste persoon opgeroepen op een eerder opgegeven adres. Het is echter de vraag of een eerdere adresinstructie zich ook kan uitstrekken over een later ex officio ingesteld proces. De officier van justitie heeft aldus geconcludeerd dat op verschillende punten de gegevens ten aanzien van vonnis C niet rond zijn, hoewel hier al meermaals navraag naar is gedaan.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van drie vonnissen terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de processen die tot die beslissingen hebben geleid, en die – kort gezegd – zijn gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.

Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd voor de drie vonnissen.

Vonnis A en B – feiten 1 t/m 14 De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren voor de vonnissen A en B. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit het EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit volgt dat de opgeëiste persoon tijdens de preparatory proceedings is gehoord en is gewezen op zijn rechten en verplichtingen om iedere adreswijziging door te geven. De oproepingen voor deze procedures zijn vervolgens gestuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. Hierbij overweegt de rechtbank dat zij op basis van het vertrouwensbeginsel dient uit te gaan van de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie en dat onderliggende stukken met betrekking tot deze oproepingen niet verstrekt hoeven te worden. Daarnaast overweegt de rechtbank – gelet op het verweer – dat bij de toetsing aan artikel 12 OLW de wettelijke bepalingen en jurisprudentie ten aanzien van oproepingen in Nederlandse strafzaken niet relevant zijn. De opgeëiste persoon was dus op de hoogte van de verdenking en heeft er rekening mee moeten houden dat strafrechtelijke procedures zouden volgen. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij deze processen, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Dit maakt dat het toestaan van de overlevering voor de vonnissen A en B geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De verweren worden verworpen.

Vonnis C – feiten 15 en 16 De rechtbank ziet – conform het standpunt van de officier van justitie – bij vonnis C geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Uit het EAB en de aanvullende informatie van 19 februari 2026, 27 februari 2026 en 5 maart 2026 volgt dat – zoals al geschetst door de officier van justitie – onduidelijk blijft onduidelijk hoe de straf van twee jaar en zes maanden (II K 167/23 ) plus een aanpassing van een straf van zes maanden in 30 dagen (II Ko 1335/23) geleid heeft tot een verzamelvonnis van twee jaar en vier maanden (II K 556/23). Daarnaast is onduidelijkheid blijven bestaan over de vraag of er bij de laatste procedure (II K 556/23) sprake is geweest van beoordelingsbevoegdheid. Wanneer het proces dat tot deze beslissing heeft geleid zekerheidshalve wel getoetst wordt aan artikel 12 OLW, kan uit het dossier niet worden afgeleid dat de opgeëiste persoon hiervan wist of had moeten weten aangezien dit proces niet op zijn verzoek maar ex officio is gestart. De rechtbank overweegt in dit kader dat het opgeven van een adres in een onderliggende procedure niet (zonder meer) betekent dat de opgeëiste persoon er ook na het wijzen van dat onderliggende vonnis rekening mee moest houden dat naar dat adres een oproep voor een ex officio verzamelvonnis-procedure zou worden gezonden. Uit de aanvullende informatie volgt ook niet dat de in de onderliggende procedure(s) verstrekte adresinstructie zich ook uitstrekte over een verzamelvonnis-procedure.De rechtbank overweegt dat het IRC voorgaande punten met gerichte en duidelijke vragen meermaals heeft getracht op te helderen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om nogmaals (dezelfde) vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Al met al kan de rechtbank onder deze omstandigheden niet vaststellen dat overlevering voor vonnis C geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt. De overlevering wordt daarom geweigerd voor dit vonnis.

5. Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten (1 tot en met 14) niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

(poging tot) diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermaals gepleegd.

6. Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk moet worden verklaard gelet op artikel 11 OLW. De detentieomstandigheden in Polen schieten ernstig tekort. Zeker nu de opgeëiste persoon lange gevangenisstraffen moet ondergaan in Polen, leidt overlevering tot een mensonwaardige behandeling.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat er geen algemeen reëel gevaar bestaat dat veroordeelde gedetineerden in penitentiaire inrichtingen in Polen onmenselijk of vernederend worden behandeld. De raadsman heeft ook geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit zou kunnen volgen dat er wel een algemeen reëel gevaar bestaat voor het tenuitvoerleggings-regime in Polen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer.

7. Slotsom

De rechtbank stelt ten aanzien van vonnis A (II K 785/22 – betrekking hebbend op de feiten 1 tot en met 7) en vonnis B (II K 218/22 – betrekking hebbend op de feiten 8 tot en met 14) vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, dat verder geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en dat geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering voor die feiten toe.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van vonnis C (II K 556/23 – betrekking hebbend op de feiten 15 en 16) de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd voor deze feiten.

8. Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 45, 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Poznań, Polen, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen, opgelegd bij vonnis A (II K 785/22 – betrekking hebbend op de feiten 1 tot en met 7) en vonnis B (II K 218/22 – betrekking hebbend op de feiten 8 tot en met 14).

WEIGERT de overlevering voor zover het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf opgelegd bij vonnis C (II K 556/23 – betrekking hebbend op de feiten 15 en 16).

Deze uitspraak is gedaan door

mr. M. Westerman, voorzitter,

mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 31 maart 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Westerman

Griffier

  • mr. A.T.P. van Munster

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?