ECLI:NL:RBAMS:2026:3582

ECLI:NL:RBAMS:2026:3582

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 09-04-2026
Zaaknummer 12030880 \ EA VERZ 25-1519
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Een werknemer bij een groothandel mocht op staande voet worden ontslagen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer / rekestnummer: 12030880 \ EA VERZ 25-1519

Beschikking van 3 april 2026

in de zaak van

HANOS AMSTERDAM B.V.,

gevestigd te Utrecht,

verzoekende partij,

hierna te noemen: Hanos,

gemachtigde: mr. M.P.A. Bos,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij,

hierna te noemen: [verweerder] ,

procederend in persoon.

1. De procedure

Hanos heeft een verzoekschrift met producties ingediend, ingekomen ter griffie op 24 december 2025. [verweerder] heeft geen verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 maart 2026. Namens Hanos zijn [naam 1] (HR), [naam 2] (HR) en [naam 3] (HR) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. [verweerder] is in persoon verschenen.

De gemachtigde van Hanos heeft tijdens de zitting spreekaantekeningen overgelegd. Die spreekaantekeningen heeft hij tijdens de zitting voorgedragen. Partijen zijn daarna gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, die in het dossier zijn gevoegd.

De beschikking is bepaald op vandaag.

2. De feiten

Hanos exploiteert een groothandel in horecaproducten, waaronder bier en frisdranken.

[verweerder] is op 29 mei 2022 in dienst getreden van Hanos in de functie van orderpicker, op basis van een oproepovereenkomst. Het loon bedroeg laatstelijk € 14,94 bruto per uur. Op de oproepovereenkomst is de cao Groothandel in Horecaproducten (hierna: de cao) van toepassing verklaard.

In artikel 20 van de cao staat voor zover relevant:

2. In afwijking van artikel 7:628a van het Burgerlijk Wetboek geldt dat indien:

a. de oproepkracht binnen 24 uur voor de aanvang van de werkzaamheden wordt opgeroepen, hij niet verplicht is gehoor te geven aan een oproep; (…)

3. De opzegtermijn is voor de oproepkracht gelijk aan de oproeptermijn.

In 2025 zijn bij de Hanos-vestiging in Amsterdam, waar [verweerder] werkte, voorraadverschillen geconstateerd. Nadat in september 2025 de voorraadtellingen opnieuw niet klopten, is bij Hanos het vermoeden ontstaan dat er door werknemers grote hoeveelheden drank werd verduisterd. Hanos heeft daarom een onderzoek laten uitvoeren door een recherchebureau (hierna: het onderzoeksbureau).

Het onderzoeksbureau heeft in het kader van het onderzoek bewakingsbeelden bekeken en de voorraadtelling vergeleken met de gefactureerde orders. Daaruit is door het onderzoeksbureau geconstateerd dat er vermoedelijk vier werknemers (een chauffeur, een teamleider orderverzameling/dockopzichter, een transportplanner en een orderverzamelaar, zijnde [verweerder] ) betrokken zijn geweest bij het verduisteren van frisdrank en bier door rolcontainers in een vrachtwagen te laden zonder de daarvoor bestemde vrachtbrief.

Het onderzoeksbureau heeft, voor zover relevant, vastgesteld dat op de bewakingsbeelden van 20 september 2025 te zien is dat [verweerder] vanuit het ketelhuis rolcontainers met frisdrank en bier verzamelt vanuit het ketelhuis en dat [verweerder] op de laadvloer andere rolcontainers vult. Daarnaast heeft het onderzoeksbureau vastgesteld dat op de bewakingsbeelden van 4 oktober 2025 is te zien dat [verweerder] meerdere rolcontainers inlaadt en die rolcontainers daarna vanuit het ketelhuis naar buiten rolt. In beide gevallen is te zien dat deze containers vervolgens door de verdachte chauffeur in een vrachtwagen worden geladen.

Vervolgens heeft het onderzoeksbureau de ritdata van de betrokken chauffeur onderzocht en gesprekken gevoerd met de vier werknemers, waarvan gespreksverslagen zijn gemaakt. Op 16 oktober 2025 heeft het onderzoeksbureau afzonderlijk gesproken met de teamleider orderverzameling en de transport planner (niet zijde [verweerder] ). Beiden hebben tijdens die gesprekken, na confrontatie met een aantal bevindingen van het onderzoeksbureau, toegegeven dat zij rolcontainers met te verduisteren drank hebben klaargezet of laten klaarzetten. Zij hebben beiden verklaard dat zij daarvoor geld hebben ontvangen.

Op 18 oktober 2025 heeft het onderzoeksbureau met [verweerder] gesproken. In het gesprekverslag staat dat [verweerder] , onder meer, het volgende heeft verklaard:

Je krijgt een pickbon en die spullen moet je klaarzetten. (…) Ja, je moet altijd de producten scannen. (…) Nee, er zijn geen uitzonderingen. Je moet altijd scannen en je hebt altijd een opdrachtbon. (…) U vraagt naar zaterdag 4 oktober 2025. Ik heb gewoon gescand en er was een opdrachtbon. Echt waar. U vraagt in opdracht van wie ik die producten heb gescand omdat er geen opdracht was tot het scannen van de producten. Ik heb geen opdracht gekregen en er is een bon van. U zegt nogmaals dat ik geen bon, dus geen opdracht had voor het picken van de producten op 4 oktober 2025. Niemand heeft mij de opdracht gegeven. (…) Ik heb gewoon de producten gescand en ik heb daarvoor een opdrachtbon gehad.

Van het onderzoek is een onderzoeksrapport opgemaakt. Het onderzoeksbureau heeft in het onderzoeksrapport geconcludeerd dat [verweerder] meerdere rolcontainers heeft ingeladen met goederen waarvan uit de achterliggende voorraadbeheerdata is gebleken dat die op dat moment niet besteld waren. Verder is geconcludeerd dat [verweerder] de scanprocedure verkeerd heeft uitgevoerd ( [verweerder] heeft wel gescand maar niet de order bevestigd) en dat hij de rolcontainers heeft klaargezet, waarna deze zijn ingeladen door de chauffeur.

Hanos heeft [verweerder] bij brief van 28 oktober 2025 op staande voet ontslagen. Hanos heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [verweerder] op verschillende data in september en oktober ongebruikelijk grote hoeveelheden van verschillende soorten drank (frisdrank en bier) zonder order (pickbon) en zonder deze producten te scannen en/of in te voeren in een rolcontainer heeft geplaatst en aan de chauffeur heeft overhandigd.

[verweerder] heeft de kantonrechter niet binnen de daarvoor geldende termijn verzocht om vernietiging van het ontslag.

3. Het verzoek en het verweer

Hanos verzoekt, kort gezegd, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, om [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 2.089,99 bruto, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 oktober 2025, en de kosten van deze procedure.

Hanos legt aan haar verzoek ten grondslag dat [verweerder] aan Hanos een dringende reden heeft gegeven om hem op staande voet te ontslaan. Daarom moet [verweerder] volgens Hanos de in artikel 7:677 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedoelde vergoeding betalen. [verweerder] had niet voor 1 december 2025 kunnen opzeggen en daarom bedraagt de vergoeding 1,1 maandsalaris, aldus Hanos.

[verweerder] voert verweer. Hij betwist dat hij de drankvoorraad heeft verduisterd. Alle producten zijn steeds gescand en er was wel een opdrachtbon, zo betoogt [verweerder] .

4. De beoordeling

Het gaat in deze zaak met name om de vraag of [verweerder] door zijn opzet of schuld een dringende reden voor ontslag aan Hanos heeft gegeven. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat het geval. [verweerder] moet daarom de gefixeerde schadevergoeding betalen. Omdat sprake is van een oproepovereenkomst waarvan de oproeptermijn bij cao is ingekort, bedraagt die vergoeding het loon over één dag. Dat wordt hierna uitgelegd.

De gefixeerde schadevergoeding

Artikel 7:677 lid 2 en 3 onder a BW bepaalt dat de partij die door opzet of schuld aan de wederpartij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst per direct op te zeggen, als de wederpartij van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, aan de wederpartij een vergoeding moet betalen. Deze vergoeding wordt ook wel de gefixeerde schadevergoeding genoemd.

Uit artikel 7:686a lid 4 BW volgt dat de bevoegdheid om te verzoeken om betaling van de gefixeerde schadevergoeding twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd vervalt. Het verzoekschrift van Hanos is op 24 december 2025 ter griffie ingekomen. Dat is binnen de geldende vervaltermijn. Het verzoek is dan ook tijdig ingesteld.

Dringende reden

Om te beoordelen of [verweerder] de gefixeerde schadevergoeding aan Hanos moet betalen, zal eerst moeten worden beoordeeld of [verweerder] aan Hanos een dringende reden voor ontslag heeft gegeven. Naar het oordeel van de kantonrechter kunnen de gedragingen van [verweerder] worden beschouwd als een dringende reden. Daarvoor is het volgende redengevend.

In artikel 7:677 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat ieder van partijen bevoegd is om de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden onverwijld op te zeggen, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij (ontslag op staande voet). In de wet is bepaald dat voor een werkgever als ‘dringende reden’ kunnen worden aangemerkt zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die tot gevolg hebben dat de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:678 lid 1 BW). Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, zijn alleen de in de ontslagbrief opgegeven redenen maatgevend en moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Tot deze omstandigheden behoren onder meer de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals diens leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet. Ook als de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.

Verduistering voorraad

Het onderzoeksbureau heeft in het rapport geconcludeerd dat er op 17, 20 en 22 september 2025 en op 4 oktober 2025 rolcontainers met grote hoeveelheden frisdrank en bier in een vrachtwagen zijn geladen, terwijl daarvoor geen bestelling was geplaatst. Volgens het rapport heeft [verweerder] daar op 20 september 2025 en 4 oktober 2025 een rol in gehad. [verweerder] heeft niet betwist dat hij de persoon is die op de bewakingsbeelden te zien is. [verweerder] heeft desgevraagd aan de onderzoekers aangegeven dat hij op 4 oktober 2025 alle producten gescand heeft en dat er een orderbon (ook wel: opdrachtbon of pickbon) was, maar uit het rapport in combinatie met de verklaringen van de twee andere orderpickers blijkt naar het oordeel van de kantonrechter voldoende dat er voor de ingeladen dranken geen bestelling was geplaatst.

In het rapport zijn tabellen opgenomen waarin per onderzochte dag is vermeld welke en hoeveel producten er bij de voorraadtelling ontbraken. Daarnaast zijn er tabellen opgenomen waarin per onderzochte dag is vermeld welke en hoeveel producten in de rolcontainers zonder orderbon zijn gedaan. Daaruit blijkt dat de ontbrekende producten grotendeels overeenkomen met de niet bestelde producten. Ten aanzien van de op 20 september en 4 oktober 2025 ingeladen rolcontainers is op 16 oktober 2025 met betrekking tot de verdenking van verduistering een bekennende verklaring afgelegd door de teamleider en de transportplanner. Daarnaast is uit de ritdata gebleken dat de chauffeur op 20 september 2025 voor 20 minuten en op 4 oktober 2025 voor 17 minuten is gestopt op een plek die ver buiten het gebied lag waar de chauffeur hoorde te rijden en zonder dat er een reden was om daar te stoppen. Daaruit volgt naar het oordeel van de kantonrechter voldoende dat er voor de ingeladen dranken geen bestelling bij Hanos was geplaatst en er dus geen sprake was dat [verweerder] handelde op basis van een orderbon.

Uit het onderzoeksrapport volgt dat [verweerder] de producten waarvoor geen orderbon was in rolcontainers heeft verzameld en op de laadvloer (dock) heeft geplaatst, en dat op de beelden te zien is dat de transportplanner die een bekennende verklaring heeft afgelegd daarbij aanwezig was. Het onderzoeksbureau heeft ten aanzien van de verzamelde producten geconcludeerd dat [verweerder] de producten wel heeft gescand, maar dat hij de order niet heeft bevestigd (of deze achteraf heeft laten invoeren). Dit terwijl uit de verklaring van de teamleider blijkt dat, bij eventuele problemen met het scannen, aan de teamleider wordt gevraagd om de order achteraf handmatig in te voeren. Het had op de weg van [verweerder] gelegen om die constateringen gemotiveerd te weerspreken of daarvoor een geloofwaardige verklaring te geven, maar dat heeft hij onvoldoende gedaan. Hij heeft slechts gesteld en herhaald dat er een orderbon was, dat hij niets verkeerd gedaan heeft en dat niemand hem opdracht heeft gegeven, en dat is in dit geval onvoldoende. Naar het oordeel van de kantonrechter kan dan ook worden vastgesteld dat [verweerder] heeft meegewerkt aan het verduisteren van de drankvoorraad.

Zoals [verweerder] verklaard heeft, weet hij dat er altijd een opdrachtbon moet zijn. Toch heeft hij de producten waarvoor geen opdrachtbon was verzameld en klaargezet voor de chauffeur. Dit maakt dat sprake is van verduistering in dienstbetrekking. Die gedraging vormt in beginsel een dringende reden. Dat er omstandigheden zijn die maken dat geen sprake is van een dringende reden, is onvoldoende gebleken. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verweerder] dan ook een dringende reden aan Hanos gegeven om zijn arbeidsovereenkomst per direct te beëindigen.

Opzet of schuld

Hanos lijkt ervan uit te gaan dat het bestaan van een dringende reden voldoende is voor het verschuldigd zijn van de gefixeerde schadevergoeding. Ook in de ontslagbrief wordt het bestaan van ‘een dringende reden’ als grondslag genoemd voor de gefixeerde schadevergoeding. Uit de tekst van artikel 7:677 lid 2 en 3 onder a BW volgt echter dat het bestaan van een dringende reden op zich niet voldoende is voor de aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding. Daarvoor is namelijk vereist dat die dringende reden door opzet of schuld is gegeven. Er zal dan ook beoordeeld moeten worden of het ontstaan van de dringende reden is veroorzaakt door opzet of schuld van [verweerder] .

Hanos heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat [verweerder] aan Hanos een dringende reden voor ontslag heeft gegeven, maar daarbij niet gesteld dat en op grond waarvan de dringende reden te wijten is aan opzet of schuld aan de zijde van [verweerder] . Hanos heeft slechts het relevante wetsartikel geciteerd, maar dat acht de kantonrechter in dit geval voldoende. Hoewel Hanos dus niet met zoveel woorden heeft gesteld dat de dringende reden is veroorzaakt door opzet of schuld van [verweerder] , kan dit afgeleid worden uit de hiervoor besproken gestelde feiten en omstandigheden op grond waarvan is vastgesteld dat [verweerder] heeft meegewerkt aan het verduisteren van de drankvoorraad. Dit betekent dat de in het geding vastgestelde feiten de vordering kunnen dragen en [verweerder] de gefixeerde schadevergoeding aan Hanos moet betalen.

De oproeptermijn en opzegtermijn

De gefixeerde schadevergoeding is gelijk aan het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging door [verweerder] had behoren voort te duren (artikel 7:677 lid 2 en 3 onder a BW). Volgens Hanos is dat in dit geval 1,1 maand, omdat [verweerder] een opzegtermijn had van één maand en pas tegen het einde van de maand kon opzeggen, maar zij wordt daarin niet gevolgd.

[verweerder] had namelijk een arbeidsovereenkomst waarvan de omvang niet is vastgelegd (oproepovereenkomst) en daarvoor geldt dat de opzegtermijn voor de werknemer gelijk is aan de oproeptermijn (artikel 7:672 lid 5 jo artikel 7:628a lid 2 en 4 BW). De oproeptermijn is in artikel 20 lid 2 onder a van de cao, in overeenstemming met artikel 7:628a lid 4 BW, verkort tot 24 uur. In artikel 20 lid 3 van de cao is bepaald dat de opzegtermijn voor de oproepkracht gelijk is aan de oproeptermijn. [verweerder] kon de arbeidsovereenkomst dan ook met een termijn van 24 uur opzeggen en dat hoefde niet tegen het einde van de maand. Dit betekent dat de gefixeerde schadevergoeding één werkdag bedraagt.

Dat [verweerder] in werkelijkheid een vaste arbeidsomvang had, zoals Hanos ter zitting aanvankelijk heeft verklaard, is onvoldoende gebleken. Dit is door [verweerder] betwist. Hanos heeft niet gesteld welke uren [verweerder] werkte, dat hij een vast inkomen had of waaruit verder zou moeten blijken dat er geen sprake was van een oproepovereenkomst. Hanos heeft ter zitting weliswaar verklaard dat zij alle oproepkrachten overeenkomstig artikel 7:276 lid 5 BW jaarlijks een aanbod doet voor een vaste arbeidsomvang en dat zij laatstelijk op 26 mei 2025 een vaste arbeidsomvang aan [verweerder] heeft aangeboden, maar tevens moeten erkennen dat [verweerder] dit aanbod uitdrukkelijk niet heeft aanvaard omdat hij zijn flexibiliteit wilde houden.

Omdat niet duidelijk is hoeveel uren [verweerder] gemiddeld per dag werkte, zal de kantonrechter bij de begroting van het dagloon aansluiten bij de werkuren die uit de cao volgen. In artikel 21 lid 2 van de cao is bepaald dat de normale arbeidstijd gemiddeld 40 uur per week bedraagt. Uitgaande van een werkweek van vijf dagen, betekent dit dat er per dag gemiddeld acht uur werd gewerkt. Bij een bruto uurloon van € 14,94, bedraagt de gefixeerde schadevergoeding dan ook € 115,92 bruto. Dit bedrag is een schadevergoeding die is berekend op basis van het brutoloon, maar het is geen terugbetaling van door [verweerder] genoten loon uit dienstbetrekking. Het bedrag wordt dan ook als een nettobedrag toegewezen.

De verzochte wettelijke rente over de gefixeerde schadevergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 28 oktober 2025.

De proceskosten

Hoewel het verzoek tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding is toegewezen, is de toegewezen vergoeding aanzienlijk lager dan verzocht is. Daarbij komt dat het zeer de vraag is of Hanos als zij de juiste arbeidsomvang aan haar verzoek ten grondslag had gelegd zou zijn overgegaan tot een gerechtelijke procedure en [verweerder] de kans ontnomen is om ter voorkoming van een procedure dit – veel lagere – bedrag te betalen. De kantonrechter ziet dan ook aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [verweerder] om aan Hanos te betalen € 115,92, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf 28 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling,

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. Ploeger, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E. Zwart da Silva Palma, griffier, op 3 april 2026.

64183

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.P. Ploeger

Griffier

  • mr. M.E. Zwart da Silva Palma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?