RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Parketnummer: 13.096012.24
[verdachte]
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/096012-24
Datum uitspraak: 10 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 juni 2025 en 27 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. van Duijn en van wat verdachte en zijn raadsman mr. E.G.S Roethof naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de verklaring op de zitting van getuige-deskundige [naam] .
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
Feit 1: het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie op 27 juli 2020 in Amsterdam;
Feit 2: het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie op 27 juli 2020 in Amsterdam;
Feit 3: het voorhanden hebben van een of meerdere vuurwapens van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie in de periode van 19 maart 2024 tot en met 25 september 2024 in Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3. Waardering van het bewijs
Inleiding
In augustus 2022 heeft er in een woning in Amsterdam een schietpartij plaatsgevonden. Ter plaatse doet de politie nader onderzoek en treft een telefoon (een iPhone 6) aan die van verdachte blijkt te zijn. Op deze telefoon worden diverse foto- en filmbestanden aangetroffen waarop vuurwapens te zien zijn. Nadat verdachte vervolgens op 5 november 2024 wordt aangehouden, wordt in zijn slaapkamer een andere telefoon (een iPhone 12) aangetroffen. Ook op deze telefoon worden foto- en filmbestanden aangetroffen waarop vuurwapens te zien zijn.
Verdachte wordt ervan verdacht wapens voorhanden te hebben gehad die op deze foto- en filmbestanden zichtbaar zijn.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt dat alle feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De wapens die zichtbaar zijn op de foto’s en video’s die zijn aangetroffen op de telefoons van verdachte, zijn nader onderzocht. De wapendeskundige [naam] (hierna: [naam] ) heeft (aanvullend) gerapporteerd dat het om echte wapens gaat en tijdens de zitting een toelichting gegeven. Gelet hierop kan ervan worden uitgegaan dat de wapens op de foto’s en video’s echt zijn. Daarnaast geldt voor feit 1 dat verdachte op een van de foto’s met het wapen is herkend door een verbalisant. Wat betreft feit 2 is van belang dat het wapen op de foto vast wordt gehouden door een persoon, waarvan de hand en de mouw van de kleding zichtbaar zijn. De mouw, die een specifieke kleur en motief heeft, komt overeen met de kleding die een door de politie als verdachte herkende persoon op andere beelden draagt. Ten slotte is verdachte voor feit 3 door de politie herkend op basis van zijn uiterlijk en stem.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. In de eerste plaats kan niet worden vastgesteld dat verdachte de enige is die de telefoons heeft gebruikt. Daarnaast is het niet duidelijk wanneer, waar en door wie de foto’s zijn gemaakt. Bovendien geldt voor feit 2 dat enkel het herkennen van kleding niet kan leiden tot de conclusie dat het verdachte is die het wapen vasthoudt. De raadsman heeft daarnaast verwezen naar enkele nieuwsartikelen waaruit blijkt dat nepwapens niet te onderscheiden zijn van echte wapens. De verklaring van verbalisant [naam] is in dit licht onvoldoende om vast te stellen dat het om echte wapens gaat.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde
Feit 1
De rechtbank overweegt dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat het verdachte is die op de foto een wapen vasthoudt, ondanks het feit dat verdachte door een verbalisant is herkend als de persoon op de foto. In het dossier bevindt zich een proces-verbaal waaruit volgt dat verdachte een tweelingbroer heeft met enkele, onderscheidende uiterlijke kenmerken. De rechtbank stelt echter vast dat deze onderscheidende kenmerken op de foto niet duidelijk te zien zijn.
Hoewel de rechtbank op basis van het dossier aanwijzingen heeft dat het verdachte is op de foto, is er naar het oordeel van de rechtbank gelet op bovenstaande onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om het feit bewezen te kunnen verklaren.
Feit 2
Ten aanzien van feit 2 verbaliseert de politie dat de persoon die het vuurwapen op de foto vast heeft, een kledingstuk draagt met een specifiek motief en kleur. De rechtbank merkt op dat op deze foto alleen een hand en een klein stukje van de onderarm met kleding is te zien. Meer is niet zichtbaar van de persoon die het wapen vasthoudt. In het dossier bevinden zich twee andere foto’s waarop een persoon (zonder wapen) zichtbaar is die bovenkleding draagt met een soortgelijk motief en kleur. Op een van die foto’s is het gezicht ook zichtbaar en wordt verdachte herkend door een verbalisant. De rechtbank overweegt echter dat het gegeven dat verdachte kleding heeft die ogenschijnlijk overeenkomt met de kleding die zichtbaar is op de foto met het wapen, onvoldoende is om vast te stellen dat het verdachte moet zijn geweest die het wapen vasthield. De rechtbank zal verdachte dan ook voor feit 2 vrijspreken.
Conclusie
De rechtbank acht niet bewezen wat onder feit 1 en 2 is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Oordeel van het onder feit 3 ten laste gelegde
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Op de iPhone 12, die is aangetroffen in de slaapkamer van verdachte, stonden onder andere– drie video’s die, zo volgt uit de metadata, zijn gemaakt op 19 maart 2024 en een video die is gemaakt op 25 september 2024.
Video’s 19 maart 2024
De video’s die zijn gemaakt op 19 maart 2024 zijn de volgende video’s:
video 2 met bestandsnaam: [bestandsnaam] (hierna: video 2);
video 3 met bestandsnaam [bestandsnaam] (hierna: video 3), en
video 4 met bestandsnaam: [bestandsnaam] (hierna: video 4).
Op de drie video’s is telkens een identieke setting van een kamer waarin een onbekend gebleven persoon zittend zichtbaar is. Op video 2 en 3 is één hand van de filmer zichtbaar, waarmee twee vuurwapens worden vastgehouden. De filmer toont de wapens en richt ze op de onbekend gebleven persoon. Op video 4 wordt geen wapen waargenomen, wel is hoorbaar dat de filmer en de onbekende gebleven persoon met elkaar praten. De video’s waar wapens op zijn waargenomen, zijn vervolgens voor nader onderzoek ter beschikking gesteld aan wapendeskundige [naam] . Op basis van video 2 en 3 herkent [naam] een gaspistool van het merk Ekol Volga en een pistool van het merk Glock model 17 gen 4 of 19 gen 4.
Bewijsoverwegingen video’s 19 maart 2024
Heeft verdachte de video’s opgenomen?
De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of verdachte degene is die de video’s heeft opgenomen op 19 maart 2024. Hoewel de filmer van de video’s op alle drie de video’s niet te zien is, is op video 4 te horen dat de filmer tegen de onbekend gebleven man zegt: ”Wat zeg je man?”, deze persoon antwoordt: “Je wilt toch een kleine sluiter? Toch [verdachte] ? [verdachte] ? Je bent toch zo’n kleine jongen?”. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat verdachte de filmer is geweest van video 4. Gelet op het feit dat video’s 2, 3 en 4 op dezelfde data zijn genomen, in combinatie met het gegeven dat er drie maal dezelfde persoon in een identieke setting op zichtbaar is, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte ook video 2 en 3 heeft opgenomen, waarop de twee wapens zichtbaar zijn.
Gaat het om echte wapens?
De rechtbank ziet gelet op het uitgebreide proces-verbaal van wapendeskundige [naam] , het aanvullende proces-verbaal en de toelichting die is gegeven ter zitting, geen reden om te twijfelen aan de echtheid van de wapens. De rechtbank neemt dan ook de conclusies van de deskundige over en zal bewezen verklaren dat verdachte op 19 maart 2024 een gaspistool van het merk Ekol Volga en een pistool van het merk Glock model 17 gen 4 of 19 gen 4, voorhanden heeft gehad. Deze wapens zijn wapens die vallen onder categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.
Video 25 september 2024 - Partieel vrijspraak
Zoals hiervoor vermeld is op de telefoon van verdachte nog een video aangetroffen die volgens de metadata is gemaakt op 25 september 2024. Ook deze video is nader onderzocht door [naam] waarbij zij op de video twee vuurwapens herkent, te weten een Blow TR34 en een Blow TR92. De rechtbank overweegt echter dat niet kan worden bewezen dat verdachte deze wapens voorhanden heeft gehad nu uit het proces-verbaal van bevindingen van het onderzoek aan de telefoon blijkt dat er enkel een vermoeden bestaat dat het verdachte het is op de video. De rechtbank acht dit echter onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Verdachte zal dan ook ten aanzien van de eerste twee gedachtestreepjes van de tenlastelegging (partieel) worden vrijgesproken.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3.2. opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Ten aanzien van feit 3:
op 19 maart 2024 te Amsterdam,
wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten:
-een gaspistool van het merk Ekol Volga en
-een pistool van het merk Glock type 17 (gen 4) of 19 (gen 4),
zijnde meerdere vuurwapens in de vorm van een
pistool voorhanden heeft gehad.
5. De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straf
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van het voorarrest. Ook heeft de officier van justitie de gevangenneming van verdachte gevorderd gelet op het recidivegevaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft naar voren gebracht dat er geen sprake is van recidivegevaar en de rechtbank verzocht – in het geval van een bewezenverklaring – niet de gevangenneming van verdachte te bevelen.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vuurwapens. Het onbevoegd en ongecontroleerd bezit van wapens levert een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid in de samenleving op.
Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 27 januari 2026 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens overtreding van de Wet wapens en munitie. De rechtbank houdt daarmee in zijn nadeel rekening.
Over verdachte zijn op 21 maart 2025 en op 13 maart 2026 reclasseringsadviezen uitgebracht. De reclassering adviseert in beide rapporten oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden. Dit omdat niet duidelijk is of de veiligheidsrisico’s nog actueel zijn en de motivatie van verdachte onvoldoende kan worden getoetst. Gelet daarop ziet de reclassering op dit moment geen mogelijkheden voor het inzetten van interventies binnen het kader van een reclasseringstoezicht om eventuele recidive te voorkomen. De rechtbank volgt dat advies.
Bij het bepalen van de aard en hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Dit alles in aanmerking nemend, is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is, waarvan de duur wordt bepaald op tien maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De op te leggen straf wijkt af van de eis van de officier van justitie omdat de rechtbank alleen feit 3 partieel bewezen zal verklaren.
Anders dan de officier van justitie zijn er naar het oordeel van de rechtbank, mede gezien het tijdsverloop, geen gronden aanwezig om de gevangenneming van verdachte te bevelen. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie tot bevel gevangenneming dan ook afwijzen.
8. Beslag
De officier van justitie heeft gevorderd de inbeslaggenomen telefoons van verdachte verbeurd te verklaren omdat de telefoons filmpjes bevatten van vuurwapens en verdachte ontkent dat de telefoons van hem zijn.
De raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de telefoons aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon nu het hebben van foto’s en/of video’s van (vuur)wapens op een telefoon geen strafbaar feit oplevert.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 26 en 55 Wet Wapens en Munitie.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen goederen:
- 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2022168165-G6222224, Wit, merk: Iphone 6);- 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2024065023-G6577475, Zwart, merk: Iphone),
aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon.
Wijst de vordering van de officier van justitie tot gevangenneming van verdachte af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Thomas, voorzitter,
mrs. I. Timmermans en G.J.M. Kruizinga, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Alexeas, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 april 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis
mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tenlastelegging
Aan verdachte, [verdachte] , is ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 27 juli 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een (gas)pistool van het merk Umarex type Colt Government 1911, kaliber
9mm PAK, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
voorhanden heeft gehad;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )
2
hij op of omstreeks 27 juli 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,
een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie,
te weten een machine pistoool, van het merk Arma Arms, type Ero, kaliber 9x19mm
zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren
voorhanden heeft gehad;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )
3
hij op een of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode, 19 maart 2024 tot en
met 25 september 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,
een of meer wapen(s) van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten:
-een (gas)pistool van het merk Blow type TR34 en/of
-een (gas)pistool van het merk Blow type TR92 en/of
-een (gas)pistool van het merk Ekol Volga en/of
-een pistool van het merk Glock type 17 (gen 4) of 19 (gen 4),
zijnde een of meerdere vuurwapen(s) in de vorm van een geweer, revolver en/of
pistool voorhanden heeft gehad
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )