RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-334599-25
Datum uitspraak: 9 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 30 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 november 2025 door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 26 maart 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Schiphol.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Nederlandse en Turkse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een afzonderlijk bevel tot aanhouding bij verstek uitgevaardigd op 5 november 2025 afgeleverd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
Genoegzaamheid
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB ongenoegzaam is. Het EAB vermeldt meerdere tijdstippen waarop niet van enige mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon blijkt. In verband met het specialiteitsbeginsel dient het EAB slechts die periode van het feitencomplex te omvatten waaruit de vermeende betrokkenheid van de opgeëiste persoon zou blijken. De behandeling van de zaak moet worden aangehouden om de uitvaardigende justitiële autoriteit hierover om opheldering te vragen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. De pleegperiode en pleegplaats zijn omschreven, net als het feit en de rol van de opgeëiste persoon daarbij, zodat het voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk is voor welk feit de overlevering wordt gevraagd. Bovendien betreft het een vervolgings-EAB in een nog lopend onderzoek, zodat de verdenking nog niet volledig uitgekristalliseerd hoeft te zijn. Van belang is in dit kader dat de opgeëiste persoon weet waarvoor de overlevering wordt gevraagd en dat is hier het geval.
Het oordeel van de rechtbank
Om tot de conclusie te komen dat het EAB genoegzaam is, moet het EAB gegevens bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn of haar overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Uit de feitomschrijving van het onderhavige EAB volgen de pleegplaats, pleegdatum en de rol van de opgeëiste persoon bij de feiten. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht, zal later in België moeten blijken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een genoegzaam EAB. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel ook voldoende gewaarborgd.
Wat betreft het verweer van de raadsman inhoudende dat de opgeëiste persoon op basis van de feitomschrijving niet aan alle in het EAB genoemde tijdstippen kan worden gelinkt, is de rechtbank van oordeel dat dit een bewijsverweer betreft. Een dergelijk verweer staat ter beoordeling aan de Belgische strafrechter en kan niet tot weigering van de overlevering leiden. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen.
4. Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitvaardigende justitiële autoriteit enkel feit A en feit B heeft aangekruist als lijstfeit. Feit C – dat door de uitvaardigende justitiële autoriteit als deelname aan een vereniging van misdadigers wordt gekwalificeerd – is geen lijstfeit en is ook niet strafbaar in Nederland. De behandeling van de zaak moet worden aangehouden om de uitvaardigende justitiële autoriteit hierover om opheldering te vragen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de lijstfeiten in redelijkheid zijn aangekruist en de dubbele strafbaarheid daarom niet hoeft te worden onderzocht.
Het oordeel van de rechtbank
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst – anders dan door de raadsman is gesteld – alle strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
- georganiseerde of gewapende diefstal; - racketeering en afpersing.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of de strafbare feiten waarvoor overlevering wordt verzocht onder de hiervoor genoemde lijsten vallen. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden.
In wat de raadsman heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om hiervan af te wijken. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen.
5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon is een Nederlander, maar heeft geen beroep gedaan op artikel 6 OLW. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de overlevering afhankelijk moet worden gemaakt van de in artikel 6, eerste lid, OLW bedoelde garantie.
6. Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen.
De rechtbank stelt vast dat bij brief van 23 februari 2026, afkomstig van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken – Centrale autoriteit, de volgende detentiegarantie is gegeven voor de opgeëiste persoon:
“1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Antwerpen indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.
3. Sanitaire en hygiëne omstandigheden
Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich – onder verwijzing naar nieuwsberichten, diverse rapporten en een uitspraak van deze rechtbank – op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie is ingehaald door de realiteit van de Belgische detentieomstandigheden, zodat voor de opgeëiste persoon een vernederende behandeling dreigt als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). De behandeling van de zaak moet daarom worden aangehouden om de Belgische autoriteiten te vragen of, gelet op de huidige stand van zaken, nog aan de verstrekte detentiegarantie kan worden voldaan. Verder verzoekt de raadsman om een nadere garantie dat de opgeëiste persoon, gelet op de bij haar spelende problematiek van schizofrenie, hartritmestoornissen, smetvrees en aanzienlijke vergeetachtigheid, op een éénpersoonscel zal worden geplaatst.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. De nieuwsberichten waarnaar door de raadsman is verwezen onderstrepen het aangenomen algemeen gevaar op schending van grondrechten in de Belgische gevangenissen. Het algemeen gevaar wordt voor de opgeëiste persoon echter weggenomen middels de verstrekte detentiegarantie. Bovendien zijn ten aanzien van de detentie-instelling in Antwerpen geen berichten waaruit zou volgen dat niet aan de verstrekte detentiegarantie zou kunnen worden voldaan. Verder zijn de psychische problemen waar de opgeëiste persoon mee zou kampen niet onderbouwd met (medische) stukken.
Het oordeel van de rechtbank
In zijn arrest van 5 april 2016 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie voorop gesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel of sprake is van een reëel gevaar moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Als de rechtbank heeft vastgesteld dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, moet de rechtbank beoordelen of de opgeëiste persoon in het geval van overlevering daadwerkelijk zo een gevaar zal lopen.
Psychiatrische problematiek
De rechtbank vat het standpunt van de raadsman zo op dat hij heeft betoogd dat gedetineerden in België bij wie psychiatrische problematiek speelt, het risico lopen te worden blootgesteld aan onmenselijke of vernederende omstandigheden, doordat de veiligheid van gedetineerden met een dergelijke kwetsbaarheid niet is gewaarborgd. De raadsman heeft dit standpunt niet met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens onderbouwd. De rechtbank is ook ambtshalve niet met dergelijke gegevens bekend. De rechtbank kan daarom niet de conclusie trekken dat gedetineerden met psychiatrische problematiek in België in het algemeen een reëel gevaar van een onmenselijke of een vernederende behandeling lopen.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de vraag of voor deze opgeëiste persoon na haar overlevering een reëel gevaar voor onmenselijke behandeling in detentie bestaat op dit punt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om geen gevolg te geven aan het EAB of hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Het eerder aangenomen algemene reële gevaar ten aanzien van de overbevolking
Ten aanzien van het eerder aangenomen algemeen gevaar dat ziet op de overbevolking overweegt de rechtbank als volgt.
De voormelde detentiegarantie is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. Daarom dient de rechtbank de geboden zekerheid van de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt.De krantenartikelen en diverse rapporten waar door de raadsman op is gewezen vormen naar het oordeel van de rechtbank een bevestiging van het algemene gevaar. De rechtbank overweegt verder dat deze zaak verschilt van de zaak die door de raadsman is aangehaald. In de door de raadsman aangehaalde zaak beschikte de rechtbank over gegevens van de federale overheidsdienst waaruit bleek dat in de betreffende detentie-instelling (Mechelen) sprake was van een zeer grote mate van overbevolking door een bezettingsgraad van 185,7%. De zorgen daarover werden bovendien onderschreven door destijds recente uitlatingen van de gevangenisdirecteur van de betreffende detentie-instelling. De rechtbank beschikt niet over dergelijke gegevens ten aanzien van de detentie-instelling in Antwerpen, waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd.. Er zijn kortom geen objectieve gegevens op grond waarvan aan de uitvoerbaarheid van de verstrekte garantie kan worden getwijfeld. Bovendien is door de Belgische autoriteiten in de zaken waarin navraag is gedaan of de detentiegarantie gelet op voornoemde omstandigheden nog wel kon worden nageleefd in Mechelen, nogmaals gegarandeerd dat verstrekte detentiegaranties ondanks de overbevolking worden nageleefd.
De rechtbank is, gelet op de verstrekte detentiegarantie, dan ook van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat dat zij aan een onmenselijke of vernederende behandeling wordt onderworpen, omdat het gevaar met deze garantie voor haar is weggenomen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen.
7. Evenredigheid
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft een beroep gedaan op de evenredigheid van het EAB. |Het is de vraag of de opgeëiste persoon in de toekomst überhaupt veroordeeld gaat worden. Gelet hierop en de Belgische detentieomstandigheden in combinatie met de psychische problemen van de opgeëiste persoon moet de uitvaardigende justitiële autoriteit worden gevraagd de beslissing tot het uitvaardigen van een EAB te herzien en te vervangen door een Europees onderzoeksbevel, zodat de opgeëiste persoon in Nederland kan worden gehoord.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de afweging om een EAB uit te vaardigen is voorbehouden aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Gelet op een eerder gelijkluidend verzoek van de raadsman is reeds navraag gedaan bij de uitvaardigende justitiële autoriteit. Nu geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd en de uitvaardigende justitiële autoriteit er niet voor heeft gekozen om het EAB in te trekken naar aanleiding van het eerdere verzoek van de raadsman, moet de overlevering worden toegestaan.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt in lijn met eerdere uitspraken dat voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken.
Uit het stelsel van overlevering en een kaderbesluitconforme uitleg volgt dat een evenredigheidsafweging in beginsel is ingebed in de afweging tot uitvaardiging van een EAB. De Belgische rechter heeft in deze zaak de afweging gemaakt om een EAB uit te vaardigen en heeft die keuze na vragen van de officier van justitie bovendien bevestigd. Hiermee is de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB gegeven. Wat de raadsman heeft aangevoerd maakt dat niet anders. De keuze voor het uitvaardigen van een EAB door de Belgische autoriteiten gaat niet verder dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit – het voorkomen van straffeloosheid – te verwezenlijken.
Dat neemt niet weg dat overlevering in een concreet individueel geval onder omstandigheden onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Gelet op de stelselevenredigheid kan een beroep op de onevenredigheid van een EAB echter slechts onder bijzondere omstandigheden slagen. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de (persoonlijke) belangen van de opgeëiste persoon, is naar het oordeel van de rechtbank van zulke bijzondere omstandigheden in het onderhavige geval niet gebleken. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.
8. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
9. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
10. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland en E. Mulder, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.