RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Fno. 51306
Zaaknummer: 10587017 \ CV EXPL 23-9422
Vonnis van 10 april 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde] (gemeente Weststellingwerf),
tegen
VATTENFALL SALES NEDERLAND N.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Vattenfall ,
gemachtigde: mr. K.M. Kole, mr. T.G. Wouda
De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om een variabel energiecontract tussen Vattenfall en een consument. De centrale vraag is of het beding in de algemene voorwaarden dat het mogelijk maakt tijdens de overeenkomst de prijs aan te passen oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13/EG. De kantonrechter oordeelt dat het beding oneerlijk is en vernietigt het prijswijzigingsbeding.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding van 26 juni 2023, met bijlagen; - de conclusie van antwoord met bijlagen; - het tussenvonnis van 15 september 2023; - de conclusie van repliek, met bijlagen; - de conclusie van dupliek, met bijlagen: - de akte uitlating producties van [eiser] ; - de akte verzoek mondelinge behandeling van Vattenfall; - de antwoordakte van [eiser] , met bijlage; - het tussenvonnis van 22 maart 2024 waarin een datum voor mondelinge behandeling is bepaald.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 juli 2024. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben beide partijen aanvullende bijlagen overgelegd. Voor Vattenfall zijn [naam 1] en [naam 2] verschenen, samen met de gemachtigden. Voor [eiser] is zijn gemachtigde verschenen. Partijen hebben aan de hand van spreekaantekeningen hun standpunten verder toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Vervolgens is om vonnis gevraagd en is daarvoor een datum bepaald, die meermaals is aangehouden.
2. De feiten
[eiser] is consument. Op 17 oktober 2016 heeft hij een overeenkomst gesloten met Vattenfall voor de levering van elektriciteit en gas tegen een vast tarief. De overeenkomst liep tot en met 31 oktober 2017.
In de productvoorwaarden bij de overeenkomst is de volgende bepaling opgenomen:
“5. Hoe lang geldt het contract? Het contract geldt voor de periode die u met ons afspreekt en kunt u terugvinden in de door ons gestuurde bevestiging. (…) Daarna verlengen we het contract voor onbepaalde tijd. U betaalt dan geen vaste prijs meer, maar u betaalt dan de variabele prijs die op dat moment geldt voor Nuon Stroom. De prijzen van punt 8 van Nuon Stroom zijn variabel en kunnen dus hoger of lager worden. Veranderen deze prijzen op de energiemarkt in de periode dat u een contract heeft? Dan kunnen ook uw prijzen veranderen. (…)”
Ongeveer een maand voor het einde van de overeenkomst heeft Vattenfall [eiser] geïnformeerd dat de overeenkomst voor een vast tarief per 31 oktober 2017 zou aflopen en dat het contract per 1 november 2017 zou worden omgezet naar een variabel contract voor onbepaalde tijd en variabele tarieven, tenzij [eiser] ervoor zou kiezen de tarieven opnieuw voor een bepaalde tijd vast te zetten.
[eiser] heeft de tarieven niet opnieuw vastgezet. Per 1 november 2017 heeft Vattenfall het contract daarom omgezet in een variabel contract.
Vattenfall heeft de tarieven voor elektriciteit en gas eenzijdig gewijzigd per 1 april 2022 en opnieuw per 1 juli 2022.
Op de overeenkomst zijn de ‘Algemene voorwaarden voor de levering van elektriciteit en gas aan kleinverbruikers (AV 2017)’ van toepassing (hierna: de algemene voorwaarden). In de algemene voorwaarden zijn, voor zover van belang voor deze zaak, de volgende bepalingen opgenomen:
“Artikel 19. Mogen wij deze voorwaarden en onze leveringstarieven veranderen? (…)19.3 Wij kunnen met elkaar afspreken dat wij de leveringstarieven mogen veranderen tijdens de overeenkomst. Redenen hiervoor zijn overheidsbesluiten en de ontwikkelingen op de markt voor elektriciteit of gas, waaronder prijsontwikkeling op de groothandelsmarkten voor elektriciteit of gas, wijzigingen met betrekking tot marge en prijs- en inkooprisico’s, wijzigingen in de kostenstructuur voor het betreffende product en wijzigingen in onze algemene kostenstructuur. Ook andere, uitzonderlijke, omstandigheden kunnen een reden zijn om de leveringstarieven te veranderen, in dat geval zal deze reden duidelijk aan u uitgelegd worden. (…)19.4 Veranderen wij de leveringstarieven? Dan informeren we u schriftelijk of digitaal. Wij informeren u tijdig voordat wij deze tarieven veranderen en wij melden dan ook dat u onze overeenkomst zonder vaste einddatum mag beëindigen. Daarvoor gelden wel deze voorwaarden. Deze bepaling geldt niet voor een wijziging van de tarieven door een wijziging van de overheidsheffingen of de belastingen. (…)”
“Artikel 21. Hoe lang duurt onze overeenkomst? 21.2 U kunt onze overeenkomst opzeggen op dezelfde wijze waarop u de overeenkomst met ons afgesloten heeft: mondeling, schriftelijk of digitaal. U moet hierbij rekening houden met een opzegtermijn van dertig kalenderdagen. Wij kunnen ook met u afspreken dat de opzegtermijn korter is dan dertig kalenderdagen.
Heeft u een overeenkomst zonder vaste einddatum dan kunt u kosteloos opzeggen.”
Artikel 19 lid 3 en 4 van de algemene voorwaarden zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als ‘het prijswijzigingsbeding’. Artikel 21 lid 2 wordt aangeduid als ‘het opzeggingsbeding’.
3. Het geschil
[eiser] vordert, in een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is, vernietiging van de prijswijzigingen van 1 april 2022 en 1 juli 2022, althans veroordeling van Vattenfall om die prijswijzigingen te mitigeren, in die zin dat deze wijzigingen eerst gelden vanaf 30 dagen na aankondiging, met veroordeling van Vattenfall in de proceskosten.
[eiser] stelt daartoe kortgezegd dat het prijswijzigingsbeding niet eerlijk is en dat Vattenfall daarop daarom geen beroep kan doen. Daarnaast stelt [eiser] dat Vattenfall bij het aangaan van de overeenkomst niet heeft voldaan aan de precontractuele informatieverplichtingen als bedoeld in artikel 6:230m, eerste lid onder e en o BW. Ook moet de kantonrechter volgens [eiser] ambtshalve nagaan of artikel 5 van de productvoorwaarden (waarin is bepaald dat de vaste overeenkomst bij verlenging zou worden omgezet in een variabele overeenkomst) eerlijk is.
Vattenfall voert verweer, dat strekt tot afwijzing van de vorderingen .
Bij de beoordeling wordt uitgebreider ingegaan op de inhoudelijke standpunten van partijen.
4. De beoordeling
De vordering
[eiser] vordert vernietiging van de prijswijziging per 1 april 2022 en 1 juli 2022. De kantonrechter begrijpt deze vordering zo dat in feite vernietiging van het prijswijzigingsbeding wordt gevorderd, zodat de juridische basis voor de prijswijzigingen ontbreekt. Vattenfall heeft tegen die lezing van de vordering van [eiser] geen verweer gevoerd. Bovendien moet de kantonrechter de (on)eerlijkheid van het prijswijzigingsbeding ook ambtshalve toetsen. Vattenfall wordt door deze lezing van de vordering dus niet in haar procesbelang geschaad.
De vordering is niet verjaard
Als meest verstrekkend verweer heeft Vattenfall aangevoerd dat de vernietigingsvordering is verjaard. Vattenfall heeft voor het eerst in 2018 een beroep gedaan op het prijswijzigingsbeding. Zij stelt zich op het standpunt dat op dat moment de verjaringstermijn van drie jaar is gaan lopen en dat deze termijn inmiddels is verstreken. Dit verweer slaagt niet. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hierna: HvJ EU) volgt namelijk dat vorderingen van de consument gericht op vernietiging van een beding vanwege de oneerlijkheid daarvan niet kunnen verjaren (HvJ EU 10 juni 2021, BNP Paribas Personal Finance, C776/19–C782/19, EU:C:2021:470, punt 38). Vorderingen die strekken tot restitutie van bedragen die uit hoofde van een oneerlijk beding zijn betaald kunnen in beginsel wel verjaren, maar daarvoor zal de verjaringstermijn pas aanvangen vanaf het moment waarop [eiser] daadwerkelijk wist of kon weten dat de door Vattenfall bedongen tariefwijziging gegrond was op een mogelijk oneerlijk beding. Nu juist dit punt ter beoordeling voorligt en daarop nog niet eerder is beslist, is de verjaringstermijn nog niet aangevangen. Het beroep op verjaring faalt derhalve.
Het prijswijzigingsbeding kan worden getoetst aan Richtlijn 93/13/EG
Niet in geschil is dat Vattenfall handelt in de uitoefening van haar bedrijf en dat [eiser] een consument is. Het prijswijzigingsbeding is een gestandaardiseerd beding, dat bedoeld is om in meerdere overeenkomsten met consumenten te gebruiken, waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. Het beding valt daarom onder de werkingssfeer van Richtlijn 93/13/EG (verder: ‘de Richtlijn’). Het dient daarom te worden getoetst op (on)eerlijkheid aan de hand van de Richtlijn. Als het beding oneerlijk is, is de kantonrechter gehouden het te vernietigen.
Het verweer van Vattenfall dat het prijswijzigingsbeding een kernbeding is, doet aan het voorgaande niet af. Weliswaar verzet artikel 4 van de Richtlijn zich tegen toetsing van de eerlijkheid van kernbedingen, maar alleen als het kernbeding voldoende duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd (zie ook HvJ EU 3 juni 2010, ECLI:NL:EU:C:309, r.o. 39). Het prijswijzigingsbeding voldoet niet aan deze voorwaarde. Hoewel het beding grammaticaal duidelijk is, is het zo ruim geformuleerd dat het de consument onvoldoende in staat stelt een redelijke inschatting te maken van de economische gevolgen. Dat betekent dat de Richtlijn zich niet tegen toetsing van de eerlijkheid van het prijswijzigingsbeding verzet, ook niet als het een kernbeding zou zijn.
Toetsing aan transparantie, evenwicht en goede trouw
Op grond van artikel 3 lid 1 Richtlijn is een beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld oneerlijk als het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen aanzienlijk verstoort, in het nadeel van de consument. Artikel 3 lid 1 Richtlijn is in het Nederlandse BW geïmplementeerd in artikel 6:233, aanhef en onder a. Uiteindelijk komt het aan op de vraag of de handelaar er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat de consument ook met het beding zou hebben ingestemd als daar wel over was onderhandeld. Voor de beantwoording van die vraag moet niet alleen worden gekeken naar het prijswijzigingsbeding zelf, maar moet worden nagegaan wat het cumulatieve effect is van alle bedingen van de betrokken overeenkomst.
Zoals hiervoor (4.4) is geoordeeld, voldoet het prijswijzigingsbeding niet aan het vereiste van transparantie. Dat leidt niet automatisch tot het oordeel dat het beding oneerlijk is, maar is wel een factor die bij die beoordeling meeweegt.
Naar het oordeel van de kantonrechter stelt [eiser] terecht dat het prijswijzigingsbeding een verstoring van het contractuele evenwicht teweeg brengt en dat die verstoring in zijn nadeel is. Het beding geeft Vattenfall namelijk een onbegrensde mogelijkheid de prijs aan te passen. Ook is er geen beperking voor de momenten waarop en hoe vaak zij dat kan doen. Hierdoor zou [eiser] in theorie geconfronteerd kunnen worden met buitensporige prijsverhogingen. Vattenfall heeft aangevoerd dat het prijswijzigingsbeding in het belang van beide partijen is, en dat in het verleden ook geregeld prijsverlagingen zijn doorgevoerd. Om in de praktijk werkbaar te zijn, kan volgens Vattenfall niet worden ontkomen aan een open formulering. Dat doet aan het voorgaande niet af, omdat het peilmoment voor de beoordeling het moment is waarop de overeenkomst tot stand is gekomen. Van belang is dus vooral de formulering van het beding. Hoe daar gedurende de overeenkomst in de praktijk uitvoering aan is gegeven, kan niet worden meegewogen.
Daar staat tegenover dat Vattenfall niet alleen gebonden is aan de contractuele bepalingen, maar dat zij op grond van de (destijds geldende) Elektriciteitswet 1998 en Gaswet verplicht is om energie aan te bieden tegen een redelijke prijs. Daardoor wordt de manier waarop Vattenfall gebruik kan maken van het prijswijzigingsbeding gereguleerd. Naleving van deze wettelijke verplichting wordt gehandhaafd door de Autoriteit Consument en Markt. Dat biedt [eiser] geen rechtstreekse bescherming tegen oneerlijke prijsverhogingen, omdat bij de handhaving niet standaard op het niveau van individuele contracten wordt gecontroleerd. De controle vindt achteraf plaats op basis van de door Vattenfall behaalde marges. Vattenfall heeft wel terecht aangevoerd dat uit de wettelijke verplichting om energie aan te bieden tegen redelijke tarieven een indirecte bescherming uitgaat.
Daarnaast heeft [eiser] een kosteloze opzegmogelijkheid als Vattenfall gebruik maakt van het prijswijzigingsbeding. Dit volgt uit artikel 19.4 van de Algemene Voorwaarden, waarin onder meer het volgende is bepaald: “Wij informeren u tijdig voordat wij deze tarieven veranderen en wij melden dan ook dat u onze overeenkomst zonder vaste einddatum mag beëindigen. Daarvoor gelden wel deze voorwaarden.” Met [eiser] is de kantonrechter van oordeel dat uit de zinsnede “daarvoor gelden wel deze voorwaarden”, volgt dat voor deze opzegging het algemene opzegbeding (artikel 21.2) geldt en dat daarom de opzegtermijn 30 kalenderdagen bedraagt. In het prijswijzigingsbeding is opgenomen dat Vattenfall de consument “tijdig” zal informeren over de wijziging van de prijs. Wat daarmee bedoeld wordt, is in het beding niet verder uitgewerkt. Het ligt in dat geval voor de hand om aan te nemen dat bij uitleg van de overeenkomst zal worden gekozen voor de uitleg die voor de consument het meest gunstig is, zodat voor de invulling van het begrip “tijdig” aansluiting zal worden gezocht bij de duur van de opzegtermijn. Ook als dat niet het geval is, kan [eiser] de overeenkomst opzeggen. In het meest ongunstige geval zou hij dan nog 30 kalenderdagen aan de nieuwe prijs vast zitten.
Vattenfall heeft betoogd dat de opzegmogelijkheid in dit geval ook daadwerkelijk reëel is. Zij voert aan dat overstappen heel laagdrempelig is gemaakt, omdat de oude en nieuwe leverancier samen zorgen voor een naadloze overgang. Daarnaast stelt Vattenfall dat er op het moment dat de overeenkomst werd gesloten voldoende concurrentie op de markt was.
[eiser] betwist dat sprake is van een reële opzegmogelijkheid. Hij stelt dat algemeen bekend is dat tijden van hoge prijzen leiden tot minder concurrentie. Als voorbeeld noemt hij de periode in 2022, toen de prijzen van energie als gevolg van de oorlog in Oekraïne erg hoog waren en het aanbod van energiecontracten beperkt was. Volgens [eiser] was het vanwege dit algemene principe bij het aangaan van de overeenkomst voorzienbaar dat er periodes zouden zijn waarin overstappen geen reële mogelijkheid is. De kantonrechter volgt deze zienswijze niet. Vattenfall heeft namelijk onbetwist aangevoerd dat er feitelijk altijd overstapmogelijkheden zijn geweest. Zelfs toen in 2022 de energieprijzen als gevolg van de oorlog in Oekraïne erg hoog waren, waren er volgens Vattenfall 57 energieleveranciers waarbij consumenten een energiecontract konden afsluiten. Bovendien gold op grond van de (inmiddels vervallen) Elektriciteitswet 1998 en Gaswet voor energieleveranciers een wettelijke verplichting om tegen redelijke prijzen energie te leveren aan iedere kleingebruiker die daarom verzoekt. Van een algemeen principe op grond waarvan bij het aangaan van de overeenkomst voorzienbaar was dat er in periode van hoge prijzen niet werkelijk gebruik kan worden gemaakt van de opzegmogelijkheid, is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook geen sprake.
[eiser] stelt daarnaast dat de opzegmogelijkheid niet reëel is omdat andere leveranciers bij een overstap mogelijk geen goedkopere alternatieven bieden, maar dat doet aan het voorgaande niet af. Dat prijzen van energie veranderen is een risico dat inherent is aan een variabel energiecontract. De Richtlijn ziet er niet op consumenten daartegen in algemene zin te beschermen. Evenmin is van belang dat andere leveranciers vaak ook een prijswijzigingsbeding hanteren. Een consument die niet te maken wil hebben met de onzekerheid van stijgende prijzen kan immers ook een vast contract afsluiten.
Het prijswijzigingsbeding is oneerlijk
Samenvattend is sprake van een ruime wijzigingsbevoegdheid voor Vattenfall, met enige begrenzing door haar wettelijke verplichting om energie tegen redelijke prijzen aan te bieden. De consument heeft niet alleen nadeel van het prijswijzigingsbeding, omdat het ook kan leiden tot prijsverlagingen. Het beding is echter niet transparant over waarom, wanneer, hoe vaak en hoe hoog prijswijzigingen worden doorgevoerd. Een consument die met voor hem onacceptabele wijzingen wordt geconfronteerd kán de overeenkomst opzeggen, want er zijn alternatieven. De consument zal echter wél enige tijd gebonden zijn aan het ongunstige tarief. Op basis van deze omstandigheden mocht Vattenfall er naar het oordeel van de kantonrechter redelijkerwijs niet van uitgaan dat [eiser] ook met het prijswijzigingsbeding zou hebben ingestemd als daarover zou zijn onderhandeld. Naar het oordeel van de kantonrechter is sprake van een aanzienlijke verstoring van het contractuele evenwicht in strijd met de goede trouw. Het prijswijzigingsbeding is oneerlijk en zal dus worden vernietigd.
.
Precontractuele informatieplichten niet relevant voor de vordering
[eiser] stelt dat Vattenfall bij het aangaan van de overeenkomst niet heeft voldaan aan de precontractuele informatieverplichtingen van artikel 6:230m lid 1 BW en 6:230v BW. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat voor de beoordeling van het voorliggende geschil niet relevant. De sanctie op een dergelijke schending is immers een percentuele vernietiging van de betalingsverplichting van de consument. Dat zegt niets over de rechtsgeldigheid van het prijswijzigingsbeding en de prijswijzigingen die gedurende de overeenkomst zijn doorgevoerd. Een eventuele schending biedt geen grondslag voor de vordering die in deze procedure voorligt.
Vattenfall mocht het vaste energie contract omzetten in een variabel contract
Tot slot heeft [eiser] uitdrukkelijk verzocht om te toetsen of artikel 5 van de productvoorwaarden eerlijk is. [eiser] stelt dat Vattenfall in 2017 mogelijk onterecht zijn vaste contract heeft omgezet in een variabel contract. Overwogen wordt als volgt.
Niet betwist is dat artikel 5 van de productvoorwaarden een beding is waarover niet afzonderlijk is onderhandeld en dat het is bestemd om in meerdere contracten te worden opgenomen, zodat het valt onder de werkingssfeer van de Richtlijn. Ook dit beding moet worden getoetst aan de vereisten van transparantie, evenwicht en goede trouw.
Deze toets leidt de kantonrechter tot de conclusie dat het beding niet oneerlijk is. Het beding is voldoende transparant, in die zin dat het duidelijk is wat de gevolgen ervan zijn. Bovendien is van een ernstige verstoring van het contractuele evenwicht in strijd met de goede trouw geen sprake. Het stond [eiser] immers vrij om aan het einde van zijn vaste contract opnieuw een vast energiecontract af te nemen. Artikel 5 regelt de gevolgen als de consument daar niet voor kiest. De manier waarop dat door het beding wordt ingevuld, is naar het oordeel van de kantonrechter het voor de consument minst belastende alternatief. Voorkomen wordt dat een onoplettende consument onverwacht zonder energie(contract) zit. Door te verlengen met een variabel contract, kan de consument die niet bij Vattenfall wil blijven, of toch een vast contract wilde afnemen, snel en kosteloos opzeggen. De alternatieven (verlengen met een vast contract of het contract laten eindigen) zou de consument meer belasten.
Vattenfall kon het vaste energiecontract van [eiser] in 2017 dus omzetten naar een variabel energiecontract. Dat oorspronkelijk een vast contract was gesloten, staat aan de doorgevoerde prijswijzigingen niet in de weg.
Vattenfall wordt in de proceskosten veroordeeld
Omdat Vattenfall grotendeels in het ongelijk is gesteld, wordt zij in de proceskosten veroordeeld. Deze worden tot op heden begroot op € 129,14 aan explootkosten, € 86,00 aan griffierecht, € 408,00 (2 x € 204,00) aan salaris gemachtigde en € 68,00 aan nakosten, oftewel in totaal € 691,14, te vermeerderen met de wettelijke kosten van betekening op de in het dictum vermelde wijze.
5. De beslissing
De kantonrechter:
vernietigt het prijswijzigingsbeding in artikel 19 lid 3 en 4 van de algemene voorwaarden;
veroordeelt Vattenfall in de proceskosten, tot op heden begroot op € 691,14 in totaal, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke kosten van betekening indien niet binnen deze termijn aan de veroordeling is voldaan en het vonnis moet worden betekend;
wijst het meer of anders gevorderde af;
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.C. van Dam van Isselt, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.