RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/784739 / KG ZA 26-178 NB/EV
Vonnis in kort geding van 7 april 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij bij dagvaarding van 16 maart 2026,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. Y.E.J. Geradts,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ABN,
advocaten: mr. B.W. Wijnstekers en mr. H.B. van Engelenburg.
1. De procedure
Op de mondelinge behandeling van 24 maart 2026 is [eiser] verschenen met mr. Geradts. Namens ABN zijn verschenen [naam 1] ( [functie] ) en [naam 2] (jurist in dienst van ABN) met mr. Wijnstekers en mr. Van Engelenburg. [eiser] heeft de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht aan de hand van een pleitnota. ABN heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord en een pleitnota. Beide partijen hebben producties ingediend.Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De feiten
[eiser] heeft twee bankrekeningen bij ABN: een privérekening en een zakelijke rekening voor zijn eenmanszaak [bedrijf] , waarmee hij actief is in de in- en verkoop van goud en zilver.
ABN heeft [eiser] op 24 februari 2026 de toegang tot beide rekeningen ontzegd.
[eiser] heeft hiernaast nog een bankrekening bij een Duitse bank.
3. Het geschil
[eiser] vordert samengevat:
ABN te veroordelen tot nakoming van de bancaire overeenkomst zodat [eiser] weer gebruik kan maken van zijn betaalrekeningen, zowel privé als zakelijk, subsidiair ABN te veroordelen tot herstel van de bancaire relatie, waarbij voor zowel het primair als het subsidiair gevorderde geldt dat [eiser] uiterlijk binnen twee dagen na het wijzen van dit vonnis de betaalrekeningen weer kan gebruiken;
ABN te verbieden de overeenkomst met [eiser] op te zeggen, zowel privé als zakelijk, voor het komende jaar, te weten geen opzegging vóór 1 april 2027;
ABN te verbieden [eiser] op te nemen op de CAAML-lijst, in welke hoedanigheid dan ook;
ABN te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 50.000,00 per dag(deel) dat zij in gebreke blijft om aan het gevorderde onder a, b of c te voldoen;
ABN te veroordelen in de proceskosten van de onderhavige procedure met de wettelijke rente daarover.
[eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. Toen [eiser] constateerde dat hij geen toegang meer had tot zijn zakelijke rekening, heeft hij met ABN gebeld. Pas toen werd hem medegedeeld dat er op 24 december 2025 een opzeggingsbrief was verzonden, waarin werd aangekondigd dat de relatie na twee maanden (per 24 februari 2026) zou worden beëindigd. [eiser] heeft die brief – die per gewone post zou zijn verzonden – niet ontvangen. Aangezien de opzeggingsbrief [eiser] niet heeft bereikt, heeft er geen deugdelijke opzegging plaatsgevonden. Voor zijn privérekening is überhaupt geen opzeggingsbrief verzonden. [eiser] lijdt ernstige schade. Rekeningen voor onder meer de betaling van huur, belasting en hypotheek(rente) blijven onbetaald. Ook heeft hij het salaris van de medewerker van zijn goudhandel niet kunnen betalen. De situatie is onhoudbaar en [eiser] heeft recht op een bankrekening. Het lukt [eiser] ook niet om een rekening bij een andere bank te openen, omdat hij overal moet doorgeven dat ABN zijn rekeningen heeft opgezegd. Voor beide opzeggingen ontbrak een zwaarwegende reden. Het enkele feit dat er een strafrechtelijk onderzoek naar [eiser] loopt, is niet voldoende. [eiser] heeft de door ABN gevraagde informatie steeds verstrekt. Hij heeft zelfs nog aangekondigd het een en ander aan te vullen. Dat hij een box 3-verdeling (CSV-bestand) is vergeten toe te zenden, heeft ermee te maken dat hij sinds november 2025 in een depressie verkeert. ABN heeft hem daar ook niet meer aan herinnerd. ABN pleegt wanprestatie nu zij [eiser] de toegang tot de rekeningen ontzegt.
ABN voert verweer. Verder verzoekt zij voor het geval dat de voorzieningenrechter oordeelt dat ABN nieuwe rekeningovereenkomsten met [eiser] moet aangaan daaraan de volgende voorwaarden te verbinden: i) dat ABN het klantonderzoek naar [eiser] naar behoren kan afronden en hij alle gegevens verstrekt waartoe ABN op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) verplicht is deze op te vragen en te verifiëren en ii) ABN daarvoor een minimale termijn van zes weken te geven.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Nakoming/ herstel bankrelatie en verbod opzegging
Ter beoordeling staat of ABN verplicht is de bankrelatie met [eiser] voort te zetten. Banken hebben op grond van de Wwft een verantwoordelijkheid bij het signaleren van risico’s op witwassen en terrorismefinanciering. Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun cliënten. Als een bank haar cliëntenonderzoek niet kan voltooien, moet zij de relatie met die klant beëindigen (artikel 5 lid 3 Wwft). De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien. Het gaat hierbij niet om de situatie dat de bank de resultaten van het klantonderzoek onvoldoende geruststellend vindt, maar om de situatie waarin de bank wordt belet in haar klantonderzoek.
In deze zaak waren er meerdere omstandigheden waardoor ABN bij haar onderzoek nadere vragen is gaan stellen aan [eiser] . Zo heeft de politie een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd op grond van verdenking van witwassen, er zijn politie-invallen gedaan op 4 juli 2025 bij zowel het bedrijfspand als de privéwoning van [eiser] waarbij ruim € 180.000,00 aan contant geld en cryptovaluta is aangetroffen en de burgemeester van Utrecht heeft het bedrijfspand van [eiser] voor een periode van twaalf maanden gesloten. ABN heeft [eiser] met deze omstandigheden geconfronteerd en hem vervolgens verzocht om informatie te verschaffen over onder meer de verdenking en de herkomst van de in beslag genomen middelen. ABN heeft bij het uitblijven van een reactie haar verzoeken herhaald bij brieven van 19 september 2025 en 6 oktober 2025. Steeds heeft zij daarbij gewaarschuwd: als [eiser] de vragen niet beantwoordt kan de bank de relatie beëindigen. Per e-mail van 7 oktober 2025 bevestigde [eiser] enkel dat de verdenking witwassen betrof en stuurde hij ABN zijn aangifte inkomstenbelasting toe. Op de overige gestelde vragen antwoordde hij dat hij geen inhoudelijke mededelingen kon verstrekken omdat de strafzaak nog liep. [eiser] liet na om ABN in staat te stellen de herkomst en het doel van de transacties vast te stellen, zo ook met betrekking tot de € 143.500,95 aan stortingen afkomstig van cryptoplatform Coinbase. ABN ontving in dat verband uiteindelijk slechts een niet-controleerbare uitsplitsing van ontvangsten van omzet in kas en bank en een leeg CSV-bestand (waarin cryptoverschrijvingen inzichtelijk en herleidbaar zouden moeten zijn). [eiser] heeft gezegd een ingevuld CSV-bestand te zullen nasturen, maar heeft dit nagelaten. Nu [eiser] bij de bestaande verdenking niet de vereiste informatie heeft verstrekt (zoals in artikel 3 Wwft is bepaald), was ABN op grond van artikel 5 lid 3 Wwft verplicht om tot opzegging over te gaan.
Daar komt bij dat de bancaire relatie met ABN reeds is beëindigd en de bank niet kan worden verplicht tot het aangaan van een nieuwe bancaire relatie met [eiser] zonder voorafgaand klantonderzoek. De bank mag immers op grond van artikel 3 van de Wwft zonder afgerond klantonderzoek geen bancaire relatie aangaan met de cliënt.
Verder heeft ABN op grond van artikel 35 Algemene Bankvoorwaarden (ABV) de contractuele bevoegdheid om de relatie met een klant te beëindigen. De vordering, die strekt tot voortzetting van de bankrelatie, is alleen toewijsbaar als voorshands aannemelijk is dat de opzegging door ABN naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat van een onaanvaardbare opzegging geen sprake is. Daar komt bij dat [eiser] , in ieder geval met zijn Duitse bankrekening, nog toegang heeft tot het betalingsverkeer. De stelling van [eiser] dat zijn enige afnemer alleen betaalt op een Nederlandse bankrekening, is door hem niet onderbouwd. Ook op grond van haar contractuele bevoegdheid mocht ABN de bankrelatie met [eiser] derhalve opzeggen, nu dit gelet op het vorenstaande niet onaanvaardbaar was.
[eiser] heeft verder gesteld dat de opzeggingsbrieven van 24 december 2025 hem niet hebben bereikt. Naar eigen zeggen was hij in ieder geval sinds 25 februari 2026 (ten aanzien van zijn zakelijke rekening) en sinds 12 maart 2026 (ten aanzien van zijn privérekening) op de hoogte van de opzegging. Voor zover hij stelt dat hij geen gebruik heeft kunnen maken van de opzegtermijn van twee maanden om zijn tegoeden over te dragen, had hij toen of tijdens dit kort geding kunnen vragen om een verlenging van de opzeggingstermijn. Dat heeft hij nagelaten, zodat de grond voor een ordemaatregel ontbreekt.
Concluderend betekent het voorgaande dat de vordering tot voortzetting van de bancaire relatie (met nevenvorderingen) niet toewijsbaar is.
CAAML-lijst
ABN heeft uitgelegd dat de CAAML-lijst waarin zij [eiser] heeft opgenomen een exclusief interne lijst betreft, met als doel dat zij (inclusief haar dochterondernemingen) kan onthouden dat zij afscheid van een cliënt heeft moeten nemen omdat zij niet (meer) kon voldoen aan haar wettelijke (Wwft) verplichtingen. Als een voormalige cliënt binnen vijf jaar opnieuw klant wil worden bij ABN, zal ABN de uitkomsten van het klantenonderzoek meenemen bij de beoordeling van de aanvraag. Dit kan (maar hoeft niet te) resulteren in een weigering van de aanvraag. Aangezien ABN deze informatie niet deelt met derde partijen, bestaat geen reden om te vermoeden dat het plaatsen op de CAAML-lijst voor [eiser] gevolgen zal hebben voor (het aangaan van) een relatie met een andere financiële instelling. Gezien de zwaarwegende gronden die ABN in dit geval heeft voor opzegging van de bankrelatie en de relatief lichte maatregel van de registratie, weegt het belang van [eiser] om niet te worden geregistreerd niet zwaarder dan het belang van ABN. Daarmee is voldaan aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Het gevorderde verbod wordt afgewezen. Dat [eiser] zegt dat het voor hem onduidelijk is wat de CAAML-registratie precies inhoudt en dat hij de registratie niet wil, maakt dit niet anders.
Proceskosten
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ABN worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
weigert de gevraagde voorzieningen,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als hij niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.P.M. Vos, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.