RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/300409-21
Datum uitspraak: 15 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 2 februari 2026, 3 februari 2026 en 15 april 2026. Op laatstgenoemde zitting is het onderzoek gesloten en is aansluitend uitspraak gedaan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.W. van Zanten en van wat verdachte en haar raadsvrouw mr. S.N. de Jager, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van hetgeen door de benadeelde partij [benadeelde partij] naar voren is gebracht.
2. Inleiding
Op 17 september 2021 is medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) aangehouden vanwege een verdenking op grond van de Opiumwet. Bij het uitlezen van zijn telefoon in het kader van die verdenking zijn ook afbeeldingen aangetroffen met daarop advertenties waarin Covid-19 vaccinatieregistraties te koop werden aangeboden. De resultaten van het onderzoek naar de telefoon van [medeverdachte 1] hebben naar [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]), [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) en uiteindelijk ook naar [verdachte] (hierna: [verdachte]) geleid.
[medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] waren allen doktersassistente bij Expat Medical Centre op de Bloemgracht in Amsterdam. Het openbaar ministerie verdenkt hen ervan dat zij – tezamen en in vereniging – valse negatieve testresultaten dan wel valse vaccinatiebewijzen hebben opgemaakt en deze hebben geregistreerd in het BRBA-systeem. Zij zouden daartoe persoonsgegevens hebben gekregen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4]) en [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5]).
[medeverdachte 5] is de partner van [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] was destijds de partner van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] is de broer van [verdachte] . Met de vaccinatiebewijzen en negatieve testbewijzen kon een coronatoegangsbewijs worden verkregen. Middels de QR-code op dit bewijs werd toegang mogelijk tot horeacagelegenheden, evenementen, bioscopen en theaters. Een dergelijke QR-code was in een bepaalde periode gedurende de coronapandemie verplicht om naar het buitenland te mogen reizen.
Uitleg van de gebruikte systemen
In het BRBA-systeem werden de Nederlandse vaccinaties geregistreerd. Dit systeem was gekoppeld aan de RIVM-database. Voor de invoering was onder meer een BSN nummer
vereist. Eenmaal geregistreerd kon de geregistreerde via DigiD het vaccinatiebewijs raadplegen en kon via de coronacheck app een QR-code worden gegenereerd. Nadat de vaccinatie was geregistreerd in het BRBA-systeem werd een registratiekaart meegegeven. Op die kaart kwam een sticker van het type vaccinatie (het batchnummer), de datum van vaccinatie en een stempel te staan. Om volledig gevaccineerd te zijn moest men in beginsel twee vaccinaties hebben gehad, zodat er uiteindelijk twee verschillende data en twee verschillende stickers van batchnummers op een registratiekaart kwamen te staan. Het HKVI-systeem was bedoeld voor de omzetting van buitenlandse vaccinaties in een Nederlandse QR-code. Dit systeem fungeerde ook als een alternatieve methode om een onjuiste registratie via het BRBA-systeem te kunnen corrigeren en zo alsnog een QR-code te kunnen genereren. Daarnaast waren er testbewijzen. De negatieve test kon vanaf een gegeven moment met een ophaalcode in de coronacheck app worden ingevoerd.
3. Tenlastelegging
In deze strafzaak zijn zes verdachten gedagvaard, te weten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 4] . Dit vonnis ziet op verdachte [verdachte] .
Aan [verdachte] is – kort gezegd – tenlastegelegd dat zij zich in de periode van 1 juli 2021 tot en met 3 november 2021 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van valsheid in geschrift door het (laten) registreren van valse vaccinatiebewijzen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
4. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken, omdat het dossier onvoldoende bewijs bevat. De gegevens uit de telefoon van [verdachte] moeten worden uitgesloten van het bewijs, omdat er geen toestemming is gegeven voor het onderzoeken van deze telefoon door de officier van justitie dan wel de rechter-commissaris. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier niet blijkt dat [verdachte] het opzet en oogmerk heeft gehad op het tenlastegelegde feit. Daarnaast is de bijdrage van [verdachte] van onvoldoende gewicht geweest om te kunnen spreken van medeplegen. Ook kan niet worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een voltooide valsheid in geschrifte.
Het oordeel van de rechtbank
Vormverzuim – onderzoek aan iPhone van [verdachte]
De rechtbank stelt vast dat het onderzoek aan de telefoon van [verdachte] een meer dan beperkte inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer met zich heeft gebracht, waardoor voorafgaande toestemming van een rechterlijke instantie of onafhankelijk bestuursorgaan vereist was. De rechtbank kan op basis van het dossier echter niet vaststellen of sprake is geweest van voorafgaande toestemming door de officier van justitie voor het onderzoeken van de telefoon van [verdachte] . Bij gebreke van die informatie, gaat de rechtbank ervan uit dat hiervan geen sprake is geweest. Evenmin is gebleken dat er een voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris is geweest. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op.
De vraag is of en, zo ja, welke rechtsgevolgen aan dit vormverzuim moeten worden verbonden. Bij de beantwoording van die vraag dient rekening te worden gehouden met de in artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
Bewijsuitsluiting kan allereerst aan de orde zijn als het uitsluiten van bepaalde resultaten van het opsporingsonderzoek van het gebruik voor het bewijs noodzakelijk is om een schending van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te voorkomen. Deze situatie doet zich in deze zaak niet voor. Verder kan bewijsuitsluiting aan de orde zijn als sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, waarbij toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk is als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Ook van deze situatie is in deze zaak geen sprake. Daarbij is van belang – wat de ernst van het vormverzuim betreft – dat ten tijde van het onderzoek aan de telefoon van [verdachte] het Landeck arrest nog niet gewezen was en de betekenis van het overtreden vormvoorschrift nog niet (algemeen) bekend was. Het openbaar ministerie heeft ondertussen stappen ondernomen om de toepasselijke werkwijze in overeenstemming te brengen met de jurisprudentie.
Voor strafvermindering ziet de rechtbank evenmin aanleiding, omdat niet is aangevoerd welk concreet nadeel [verdachte] als gevolg van het vormverzuim heeft geleden. Zij heeft slechts in het algemeen gesteld dat haar privacy is geschonden.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim en daaraan geen rechtsgevolgen verbinden.
Valsheid in geschrifte
De rechtbank vindt bewezen dat [verdachte] in de periode van 28 juli 2021 tot en met 2 augustus 2021 samen met anderen valse Covid-19 vaccinatiebewijzen heeft opgemaakt. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast.
Op de telefoon van [verdachte] zijn de volgende chatberichten aangetroffen:
Datum
Afzender
Inhoud bericht
28- 07-2021
[verdachte]
Als het lukt stuur vandaag even de gegevens door van die 2, [medeverdachte 3] is er tot een uur of 15 vandaag mee bezig
28-07-2021
[medeverdachte 4]
Top
28-07-2021
[verdachte]
Dacht ik al ze gaat akkoord, stuur het als het kan vandaag even door, maar zeg niet dat het via mij of [naam 1] is.
28-01-2021
[medeverdachte 4]
Ok
02-08-2021
[verdachte]
Moet wel vandaag de gegevens hebben
02-08-2021
[medeverdachte 4]
Stuurt afbeelding van paspoort [naam 2] en [naam 3]
02-08-2021
[verdachte]
Ook bsn is nodig
02-08-2021
[medeverdachte 4]
Zijn de laatste 9 cijfers onderaan ik zal ze door sturen
02-08-2021
[verdachte]
Tis gedaan, maar niet zeggen via wie of wat
02-08-2021
[verdachte]
Hoe gaan we dat doen met tikkie, laat anders weten wanneer hun betaald hebben
02-08-2021
[medeverdachte 4]
Ok zal ik doen
02-08-2021
[verdachte]
Zeg maar dat ze eerst moeten betalen dat het dan pas in gang gezet wordt
02-08-2021
10:37:37 uur
[medeverdachte 4]
Ze betalen direct zusje. Dit zijn hele goede en rijke kennissen van mij dus stuur maar een tikkie
[medeverdachte 3] heeft verklaard dat [verdachte] haar een aantal keer heeft gevraagd mensen aan te melden en dat zij dat ook heeft gedaan. Zij kreeg daar 300 euro voor en die is op haar rekening gestort.
Uit het onderzoek naar de bankrekening van [medeverdachte 3] blijkt dat Euro Construct op 2 augustus 2021 om 11:17 uur, dus ruim een half uur nadat [medeverdachte 4] het laatste hierboven weergegeven bericht aan [verdachte] heeft verstuurd, onder de omschrijving “laarzen” 300 euro over heeft gemaakt naar [medeverdachte 3] . Euro Construct is een BV van [medeverdachte 4] .
Conclusie
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat kan worden bewezen dat [verdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte. De rechtbank is van oordeel dat uit de chatberichten blijkt dat [verdachte] dat opzettelijk heeft gedaan met het oogmerk om de registraties als echt en onvervalst te laten gebruiken. Uit het bericht Tis gedaan, maar niet zeggen via wie of wat en de omstandigheid dat er een betaling heeft plaatsgevonden, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de valse registratie ook is voltooid. De rechtbank is verder van oordeel dat het handelen van [verdachte] te kwalificeren is als medeplegen. [verdachte] is degene geweest die het contact had met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] en de persoonsgegevens doorgaf die zij van [medeverdachte 4] ontving. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] .
De rechtbank ziet in het dossier verder aanwijzingen dat [verdachte] zich vaker heeft beziggehouden met het opmaken van valse Covid-19 vaccinatiebewijzen. Uit de telefoon van [verdachte] blijkt namelijk dat zij met [medeverdachte 4] heeft gesproken over een Covid-19 vaccinatiekaart van [naam 4] . [medeverdachte 4] vraagt [verdachte] of zij kans ziet om deze persoon te registreren. Het gaat om een registratiekaart “die we samen ingevuld hadden”. [verdachte] meldt daarna dat het andere data zijn geworden aangezien het genoemde batchnummer niet voor 9 april uit was. [medeverdachte 4] heeft verder van twee personen Covid-19 vaccinatiekaarten gestuurd naar [verdachte] met de vraag of zij nog iets voor hen kon betekenen. Van bovenstaande gevallen kan de rechtbank echter niet vaststellen dat er daadwerkelijk valse registraties zijn gemaakt. De rechtbank zal daarom een kortere periode bewezen verklaren.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
in de periode van 28 juli 2021 tot en met 2 augustus 2021 te Amsterdam, meermalen,
tezamen en in vereniging met anderen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een vaccinatiebewijs, valselijk heeft opgemaakt door telkens valselijk in het BRBA-systeem te laten vermelden dat een bepaald persoon was gevaccineerd tegen Covid-19 waardoor een vals vaccinatiebewijs en/of QR vaccinatie-code in de coronacheck-app kon(den) worden aangemaakt met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6. De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen en een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij een bewezenverklaring geen straf of maatregel op te leggen, gelet op de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] . Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van de feiten
[verdachte] heeft samen met anderen valse Covid-19 vaccinatiebewijzen aangemaakt en verkocht. De rechtbank neemt het [verdachte] kwalijk dat zij door zo te handelen, misbruik heeft gemaakt van haar functie als doktersassistent. Vanaf juni 2021 ging de Nederlandse samenleving langzaam weer open na een tweede lockdownperiode. Er werden regels opgesteld om dit veilig te laten verlopen. Zo werd een coronatoegangsbewijs verplicht om naar cafés en restaurants te kunnen gaan, evenementen te kunnen bezoeken, kunst en cultuur te kunnen beleven en te kunnen reizen. Het doel van dit bewijs was om het aantal besmettingen in de hand te kunnen houden en kwetsbare groepen te beschermen. Het weer veilig kunnen opengaan van de samenleving staat of valt met een betrouwbare Covid-registratie van personen die daaraan wensten deel te nemen. Verdachte heeft een situatie in het leven geroepen waarin ongevaccineerde personen zich in horecagelegenheden, vliegtuigen of tijdens festivals onder de bevolking konden begeven. Door ongevaccineerde personen dezelfde mogelijkheden te geven als mensen die zich wel aan de regels hielden, heeft verdachte het systeem van de maatregelen gericht op het tegengaan van de verspreiding van het coronavirus, ernstig ondermijnd. Bovendien is er op deze manier voor individuele personen het risico op besmetting ontstaan, met alle gevolgen van dien. Zij heeft aldus het vertrouwen van de samenleving en haar werkgever geschaad en enkel oog gehad voor haar eigen financiële gewin. [verdachte] heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor haar daden.
De rechtbank komt tot het oordeel dat voor dit feitencomplex in beginsel een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats zou zijn.
Redelijke termijn
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van strafzaken als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. De redelijke termijn vangt aan vanaf het moment dat ten aanzien van een verdachte een handeling is verricht waaraan zij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen haar voor een bepaald strafbaar feit strafvervolging zou worden ingesteld. In dit geval oordeelt de rechtbank dat deze handeling is verricht op het moment dat [verdachte] in verzekering is gesteld. Dat was op 4 november 2021. Wanneer geen sprake is van bijzondere omstandigheden geldt als uitgangspunt dat de redelijke termijn tussen de aanvang daarvan en het wijzen van een vonnis in eerste aanleg, twee jaar duurt. De rechtbank ziet in onderhavige zaak geen aanleiding om te oordelen dat er bijzondere omstandigheden zijn die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. Uit het dossier blijkt dat het onderzoek tussen het voorjaar van 2022 en de verhoren in juni 2023 zonder reden heeft stilgelegen. Er is geen sprake van uitgebreid vooronderzoek dat het overschrijden van de redelijke termijn zou kunnen verklaren. Na het uitsturen van de regiebrief in januari 2024, heeft het ruim twee jaar geduurd voordat de zaak op zitting werd behandeld. Nu in april 2026, bijna 4,5 jaar na aanvang van de redelijke termijn, vonnis wordt gewezen, is de redelijke termijn met twee en een half jaar overschreden. De rechtbank compenseert [verdachte] voor deze overschrijding door aan haar geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zoals in een dergelijke zaak voor de hand zou hebben gelegen, maar in plaats daarvan een onvoorwaardelijke taakstraf.
De rechtbank ziet in het voorgaande eveneens reden om geen voorwaardelijke straf op te leggen. De voorlopige hechtenis van [verdachte] is op 12 november 2021 geschorst. Per 24 september 2024 is het geschorste bevel bewaring opgeheven. Niet is gebleken dat [verdachte] gedurende deze 4,5 jaar strafbare feiten heeft gepleegd. Een voorwaardelijke straf heeft daarom volgens de rechtbank geen doel meer.
Voor de hoogte van de taakstraf heeft de rechtbank ook gekeken naar de opgelegde werkstraffen die aan de medeverdachten worden opgelegd, waarbij steeds naar ieders aandeel en ieders specifieke rol is gekeken. [verdachte] heeft een kleinere rol gehad bij het opmaken van de vaccinatiebewijzen dan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Ook gaat het om minder aantallen. Daarom krijgt zij van de drie doktersassistentes de laagste straf.
Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf van 180 uren opleggen.
9. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 45,- per verkochte valse vaccinatie en/of testbewijs aan vergoeding van materiële schade.
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en aanhouding om nadere onderbouwing mogelijk te maken een onevenredige belasting van het strafgeding vormt.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op artikel 9, 22c, 22d, 47 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.
11. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.
Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.J. Bos, voorzitter,
mrs. M. Vaandrager en A.H.E. van der Pol, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Buiskool, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 april 2026.