RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/300382-21
Datum uitspraak: 15 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 2 februari 2026, 3 februari 2026 en 15 april 2026. Op laatstgenoemde zitting is het onderzoek gesloten en is aansluitend uitspraak gedaan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.W. van Zanten, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. M.G. Cantarella, advocaat te ’s-Gravenhage, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van hetgeen door de benadeelde partij [benadeelde partij] naar voren is gebracht.
2. Inleiding
Op 17 september 2021 is medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) aangehouden vanwege een verdenking op grond van de Opiumwet. Bij het uitlezen van zijn telefoon in het kader van die verdenking zijn ook afbeeldingen aangetroffen met daarop advertenties waarin Covid-19 vaccinatieregistraties te koop werden aangeboden. De resultaten van het onderzoek naar de telefoon van [medeverdachte 1] hebben naar [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]), [verdachte] (hierna: [verdachte]) en uiteindelijk ook naar [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) geleid.
[medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] waren allen doktersassistente bij Expat Medical Centre op de Bloemgracht in Amsterdam. Het openbaar ministerie verdenkt hen ervan dat zij – tezamen en in vereniging – valse negatieve testresultaten dan wel valse vaccinatiebewijzen omtrent Covid-19 hebben opgemaakt en deze hebben geregistreerd in het daarvoor bestemde systeem, te weten het BRBA systeem. Zij zouden daartoe persoonsgegevens hebben gekregen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4]) en [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5]). [medeverdachte 5] is de partner van [verdachte] . [medeverdachte 1] was destijds de partner van [medeverdachte 2] , en [medeverdachte 4] is de broer van [medeverdachte 3] . Met de vaccinatiebewijzen en negatieve testbewijzen kon een coronatoegangsbewijs worden verkregen. Middels de QR-code op dit bewijs werd toegang mogelijk tot horeacagelegenheden, evenementen, bioscopen en theaters. Een dergelijke QR-code was in een bepaalde periode gedurende de coronapandemie verplicht om naar het buitenland te mogen reizen.
Uitleg van de gebruikte systemen
In het BRBA-systeem werden de Nederlandse vaccinaties geregistreerd. Dit systeem was gekoppeld aan de RIVM-database. Voor de invoering was onder meer een BSN nummer vereist. Eenmaal geregistreerd kon de geregistreerde via DigiD het vaccinatiebewijs raadplegen en kon via de coronacheck app een QR-code worden gegenereerd. Nadat de vaccinatie was geregistreerd in het BRBA-systeem werd een registratiekaart meegegeven. Op die kaart kwam een sticker van het type vaccinatie (het batchnummer), de datum van vaccinatie en een stempel te staan. Om volledig gevaccineerd te zijn moest men in beginsel twee vaccinaties hebben gehad, zodat er uiteindelijk twee verschillende data en twee verschillende stickers van batchnummers op een registratiekaart kwamen te staan.
Het HKVI-systeem was bedoeld voor de omzetting van buitenlandse vaccinaties in een Nederlandse QR-code. Dit systeem fungeerde ook als een alternatieve methode om een onjuiste registratie via het BRBA-systeem te kunnen corrigeren en zo alsnog een QR-code te kunnen genereren. Daarnaast waren er testbewijzen. De negatieve test kon vanaf een gegeven moment met een ophaalcode in de coronacheck app worden ingevoerd.
3. Tenlastelegging
In deze strafzaak zijn zes verdachten gedagvaard, te weten [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . Dit vonnis ziet op verdachte [verdachte] .
Aan [verdachte] is – kort gezegd – tenlastegelegd dat zij zich in de periode van 26 mei 2021 tot en met 3 november 2021 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
4. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van de verduistering in dienstbetrekking, omdat zij niet het opzet heeft gehad op de wederrechtelijke toe-eigening. Ten aanzien van de overige feiten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, behoudens wat betreft de tenlastegelegde periode.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde; verduistering in dienstbetrekking
De rechtbank acht de tenlastegelegde verduistering in dienstbetrekking niet bewezen, omdat uit het dossier niet is gebleken dat [verdachte] het opzet heeft gehad op de wederrechtelijke toe-eigening van de tenlastegelegde goederen. [verdachte] had vaccinatiebewijzen, vaccinatiepaspoorten en Astra Zenica stickers van de dokterspraktijk in haar auto en woning liggen. Zij heeft echter verklaard dat die goederen daar per ongeluk nog waren achter gebleven na een vaccinatieronde in de Westerkerk en dat zij van plan was ze nog terug te brengen naar de praktijk. Ook kan niet vastgesteld worden dat ze met de aangetroffen goederen uit de praktijk de tenlastegelegde strafbare feiten heeft gepleegd. Daarom is niet voldaan aan het opzetvereiste en zal [verdachte] van verduistering in dienstbetrekking worden vrijgesproken.
Het oordeel over het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde; (strafbare feiten die verband houden met het opmaken van valse vaccinatiebewijzen).
De rechtbank vindt bewezen dat [verdachte] in de periode van 26 mei 2021 tot en met 3 november 2021 samen met anderen valse Covid-19 vaccinatiebewijzen heeft opgemaakt (feit 1), en samen met een ander computervredebreuk heeft gepleegd (feit 3) en opzettelijk en wederrechtelijk gegevens toe heeft gevoegd aan een geautomatiseerd werk (feit 4). De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast.
[verdachte] heeft ter terechtzitting de feiten 1, 3 en 4 bekend en verklaard dat het klopt dat zij gegevens van mensen die niet waren gevaccineerd heeft ingevoerd in het BRBA-systeem zodat deze mensen als gevaccineerd werden geregistreerd. Uit het onderzoek aan de telefoon van [verdachte] volgt dat [medeverdachte 5] hiertoe persoonsgegevens doorstuurt aan [verdachte] . [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [verdachte] een inlog heeft om in het systeem te komen en dat zij [verdachte] wel eens geld gegeven heeft voor het invoeren van gegevens. In een chatbericht aan [medeverdachte 1] meldt [medeverdachte 2] dat alleen [verdachte] en zij weten dat “we mensen nep vaccineren”.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat [verdachte] samen met anderen meermalen geschriften, te weten Covid-19 vaccinatiebewijzen, opzettelijk valselijk heeft opgemaakt, door valselijk in het BRBA-systeem te vermelden dat een bepaald persoon was gevaccineerd tegen Covid-19. Dit vaccinatiebewijs is een geschrift om tot bewijs te dienen dat iemand is gevaccineerd (feit 1). De rechtbank is verder van oordeel dat [verdachte] is binnengedrongen in het BRBA-systeem met een valse sleutel (feit 3). [verdachte] heeft namelijk haar gebruikersnaam en wachtwoord gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij die had gekregen. Volgens vaste jurisprudentie valt dergelijk gebruik onder het binnendringen in een geautomatiseerd werk met een valse sleutel. Daarnaast heeft [verdachte] door zo te handelen in het BRBA-systeem opzettelijk en wederrechtelijk gegevens veranderd en/of toegevoegd (feit 4).
De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] feit 1 tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd. Zo hebben [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] [verdachte] persoonsgegevens verschaft waarmee [verdachte] de vaccinatiestatus van de afnemer kon invoeren. Zonder deze gegevens konden de valse vaccinatiebewijzen niet worden opgemaakt. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een nauwe en bewuste samenwerking.
Ten aanzien van de feiten 3 en 4 is er sprake van medeplegen van [verdachte] met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] wist hoe het registreren als gevaccineerd in zijn werk ging en maakte (tegen betaling) daarvan gebruik. Zij wist ook dat de inloggegevens van [verdachte] niet voor dit doel waren afgegeven.
Het oordeel over het onder 5 tenlastegelegde; valse testbewijzen opmaken
De rechtbank vindt bewezen dat [verdachte] in de periode van 7 juli 2021 tot en met 3 november 2021 valse Covid-19 testbewijzen heeft opgemaakt.
[verdachte] heeft ter terechtzitting bekend dat zij negatieve testresultaten heeft opgemaakt, zonder dat de betreffende personen getest waren. Uit berichten op de telefoon van [verdachte] blijkt dat [medeverdachte 5] op verschillende momenten in de periode van 7 juli 2021 tot en met 2 november 2021 persoonsgegevens naar [verdachte] stuurt ten behoeve van het opmaken van negatieve testresultaten. Uit de chats blijkt ook dat [verdachte] direct contact heeft met afnemers en van hen verzoeken ontvangt om tegen betaling coronabewijzen te verstrekken. [verdachte] stuurt als reactie op deze berichten testbewijzen naar [medeverdachte 5] en deze afnemers.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] samen met anderen meermalen geschriften, te weten negatieve Covid-19 testresultaten maakte, zonder dat de betreffende personen waren getest. Dit testbewijs is een geschrift om tot bewijs te dienen dat iemand negatief getest is op Covid. [verdachte] heeft zich daarom schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Ten aanzien van feit 1:
in de periode van 26 mei 2021 tot en met 3 november 2021 te Amsterdam, meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een vaccinatiebewijs valselijk heeft opgemaakt door telkens valselijk in het BRBA-systeem te vermelden dat een bepaald persoon was gevaccineerd tegen Covid-19 waardoor een vals vaccinatiebewijs en/of QR vaccinatie-code in de coronacheck-app konden worden aangemaakt met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
Ten aanzien van feit 3:
in de periode van 26 mei 2021 tot en met 3 november 2021 te Amsterdam, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk en wederrechtelijk in een geautomatiseerd werk, te weten een computersysteem (het zogenaamde BRBA-systeem), een systeem waarin de vaccinatiestatus/gegevens omtrent Covid-19 vaccinaties van personen worden geregistreerd is binnengedrongen door met behulp van een valse sleutel te weten door het inloggen met een ander doel dan waarvoor die toegang was toegestaan;
Ten aanzien van feit 4:
in de periode van 26 mei 2021 tot en met 3 november 2021 te Amsterdam, meermalen, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk en wederrechtelijk gegevens, die door middel van een geautomatiseerd werk, te weten een computersysteem (het zogenaamde BRBA-systeem), een systeem waarin de gegevens waren opgeslagen, werden verwerkt of werden overgedragen, te weten de vaccinatiestatus/gegevens omtrent Covid-19 vaccinaties van meerdere personen, heeft veranderd en andere gegevens daaraan heeft toegevoegd, immers hebben zij, verdachte en haar mededader de vaccinatiestatus/gegevens van bepaalde personen gewijzigd en/of gegevens toegevoegd als zijnde die personen gevaccineerd tegen Covid-19, terwijl dat niet het geval was;
Ten aanzien van feit 5:
in de periode van 2 juli 2021 tot en met 3 november 2021 te Amsterdam, meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een Covid-19 test resultaat, valselijk heeft opgemaakt door telkens valselijk te vermelden dat een bepaald persoon negatief was getest op Covid-19 met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat [verdachte] de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen met aftrek van het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden, met een proeftijd van 1 jaar.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] , namelijk de zorg over haar kind. Daarnaast dient er rekening te worden gehouden met de gevolgen die deze strafzaak voor [verdachte] hebben gehad, namelijk dat zij haar baan is verloren. Ook dient er rekening te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van de feiten
[verdachte] heeft samen met anderen valse Covid-19 vaccinatie- en testbewijzen aangemaakt en verkocht en om dit te kunnen doen zich schuldig gemaakt aan computervredebreuk en het wederrechtelijk veranderen van gegevens in een computersysteem.
De rechtbank neemt het [verdachte] kwalijk dat zij door zo te handelen, misbruik heeft gemaakt van haar functie als doktersassistent. Vanaf juni 2021 ging de Nederlandse samenleving langzaam weer open na een tweede lockdownperiode. Er werden regels opgesteld om dit veilig te laten verlopen. Zo werd een coronatoegangsbewijs verplicht om naar cafés en restaurants te kunnen gaan, evenementen te kunnen bezoeken, kunst en cultuur te kunnen beleven en te kunnen reizen. Het doel van dit bewijs was om het aantal besmettingen in de hand te kunnen houden en kwetsbare groepen te beschermen. Het weer veilig kunnen opengaan van de samenleving staat of valt met een betrouwbare Covid-registratie van personen die daaraan wensten deel te nemen. Verdachte heeft een situatie in het leven geroepen waarin ongevaccineerde en ongeteste personen zich in horecagelegenheden, vliegtuigen of tijdens festivals onder de bevolking konden begeven. Door ongevaccineerde en ongeteste personen dezelfde mogelijkheden te geven als mensen die zich wel aan de regels hielden, heeft verdachte het systeem van de maatregelen gericht op het tegengaan van de verspreiding van het coronavirus, ernstig ondermijnd. Bovendien is er op deze manier voor individuele personen het risico op besmetting ontstaan, met alle gevolgen van dien. Zij heeft aldus het vertrouwen van de samenleving en haar werkgever geschaad en enkel oog gehad voor haar eigen financiële gewin. In dat kader merkt de rechtbank op dat [verdachte] heeft verklaard dat zij tegen betaling de coronabewijzen verstrekte en dat uit het dossier aanwijzingen volgen dat zij en [medeverdachte 5] een aanzienlijk geldbedrag hebben verdiend met het plegen van deze strafbare feiten.
De rechtbank komt tot het oordeel dat voor dit feitencomplex in beginsel een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats zou zijn.
Redelijke termijn
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van strafzaken als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. De redelijke termijn vangt aan vanaf het moment dat ten aanzien van een verdachte een handeling is verricht waaraan zij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen haar voor een bepaald strafbaar feit strafvervolging zou worden ingesteld. In dit geval oordeelt de rechtbank dat deze handeling is verricht op het moment dat [verdachte] in verzekering is gesteld. Dat was op 3 november 2021. Wanneer geen sprake is van bijzondere omstandigheden geldt als uitgangspunt dat de redelijke termijn tussen de aanvang daarvan en het wijzen van een vonnis in eerste aanleg, twee jaar duurt. De rechtbank ziet in onderhavige zaak geen aanleiding om te oordelen dat er bijzondere omstandigheden zijn die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. Uit het dossier blijkt dat het onderzoek tussen het voorjaar van 2022 en de verhoren in juni 2023 zonder reden heeft stilgelegen. Er is geen sprake van uitgebreid vooronderzoek dat het overschrijden van de redelijke termijn zou kunnen verklaren. Na het uitsturen van de regiebrief in januari 2024, heeft het ruim twee jaar geduurd voordat de zaak op zitting werd behandeld. Nu in april 2026, bijna 4,5 jaar na aanvang van de redelijke termijn, vonnis wordt gewezen, is de redelijke termijn met twee en een half jaar overschreden. De rechtbank compenseert [verdachte] voor deze overschrijding door aan haar geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan het voorarrest op te leggen, zoals in een dergelijke zaak voor de hand zou liggen, maar in plaats daarvan een onvoorwaardelijke taakstraf.
De rechtbank ziet in het voorgaande eveneens reden om geen voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De voorlopige hechtenis van [verdachte] is sinds 16 november 2021 geschorst. Gedurende deze 4,5 jaar is, behoudens een verkeersovertreding, niet gebleken dat [verdachte] strafbare feiten heeft gepleegd. Een voorwaardelijke straf dient daarom volgens de rechtbank geen doel meer. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met het zelfinzicht dat [verdachte] heeft getoond. Ze heeft spijt betuigd en is door een donkere periode gegaan. Daarnaast is ze haar baan als doktersassistente verloren en heeft deze strafzaak (met name het niet kunnen verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG)) haar in de weg gezeten bij het verkrijgen van een nieuwe baan. Het is onzeker of zij nog werkzaam zal kunnen zijn in de zorg.
Voor de hoogte van de taakstraf heeft de rechtbank ook gekeken naar de opgelegde werkstraffen die aan de medeverdachten worden opgelegd, waarbij steeds naar ieders aandeel en ieders specifieke rol is gekeken. Zonder [verdachte] hadden de valse vaccinatiebewijzen niet kunnen worden opgemaakt. Zij had immers als enige toegang tot het BRBA-systeem.
[verdachte] speelde een sleutelrol in de werkwijze om valse vaccinatiebewijzen en testbewijzen op te maken. Daarom krijgt zij de hoogste straf van de zes verdachten. Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte – naast een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest – een taakstraf van 240 uren opleggen.
9. Beslag
Onder verdachte is het volgende in beslag genomen:
1. 5055 EUR (omschrijving: PL1300-2021222037-G6116426);2. 800 EUR (omschrijving: PL1300-2021217003-G6116804);3. 2000 EUR (omschrijving: PL1300-2021217003-G6116809).
Verbeurdverklaring
Het geld genoemd op de beslaglijst onder 1 behoort aan [verdachte] toe. Nu dit geld geheel of grotendeels door middel van het bewezen geachte is verkregen, wordt dit geld verbeurdverklaard.
Retour verdachte
Het geld genoemd op de beslaglijst onder 2 en 3 moet worden teruggegeven aan [verdachte] , omdat niet is gebleken dat deze bedragen uit de baten van de door haar gepleegde strafbare feiten zijn verkregen.
10. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 45,- per verkochte valse vaccinatie en/of testbewijs aan vergoeding van materiële schade.
Ter terechtzitting is gebleken dat tussen [verdachte] en de benadeelde partij op 25 juli 2022 een vaststellingsovereenkomst is gesloten, waarin een clausule met betrekking tot finale kwijting is opgenomen. Onder punt 4 is het volgende opgenomen: De werkgever ziet af van verhaal van enige schade op de werknemer.
De rechtbank zal de vordering om die reden afwijzen.
11. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 47, 55, 57, 63, 138ab, 225, 350a van het Wetboek van Strafrecht.
12. Beslissing
Gelast de teruggave aan [verdachte] van:
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van
Feit 1
medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
en
Feit 3
medeplegen van computervredebreuk, meermalen gepleegd;
en
Feit 4
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk gegevens die door middel van een geautomatiseerd werk zijn opgeslagen veranderen danwel andere gegevens daaraan toevoegen, meermalen gepleegd;
Feit 5
medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 (veertien) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen.
Verklaart verbeurd:
1. EUR (omschrijving: PL1300-2021222037-G6116426).
2. 800 EUR (omschrijving: PL1300-2021217003-G6116804);3. 2000 EUR (omschrijving: PL1300-2021217003-G6116809).
Wijst af de vordering van [benadeelde partij] .
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.J. Bos, voorzitter,
mrs. M. Vaandrager en A.H.E. van der Pol, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Buiskool, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 april 2026.