ECLI:NL:RBAMS:2026:3691

ECLI:NL:RBAMS:2026:3691

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 14-04-2026
Zaaknummer 13/093549-22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

De rechtbank legt een taakstraf van 180 uren op voor medeplegen van valsheid in geschrift, door samen met anderen valse Covid-19 vaccinatie- en testbewijzen aan te maken en te verkopen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/093549-22

Datum uitspraak: 15 april 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 2 februari 2026,3 februari 2026 en 15 april 2026. Op laatstgenoemde zitting is het onderzoek gesloten en is aansluitend uitspraak gedaan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.W. van Zanten, en van wat de raadsman van verdachte, mr. M.J. Bouwman, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van hetgeen door de benadeelde partij [benadeelde partij] naar voren is gebracht.

2. Inleiding

Op 17 september 2021 is verdachte (hierna: [verdachte] ) aangehouden vanwege een verdenking op grond van de Opiumwet. Bij het uitlezen van zijn telefoon in het kader van die verdenking zijn ook afbeeldingen aangetroffen met daarop advertenties waarin Covid-19 vaccinatieregistraties te koop worden aangeboden. De resultaten van het onderzoek naar de telefoon van [verdachte] hebben naar [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) en uiteindelijk ook naar [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) geleid.

[medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] waren allen doktersassistente bij Expat Medical Centre op de Bloemgracht in Amsterdam. Het openbaar ministerie verdenkt hen ervan dat zij – tezamen en in vereniging – valse negatieve testbewijzen dan wel valse vaccinatiebewijzen hebben opgemaakt en deze hebben geregistreerd in het BRBA- systeem. Zij zouden daartoe persoonsgegevens hebben gekregen van [verdachte] , [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4]) en [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5]).

[medeverdachte 5] is de partner van [medeverdachte 2] . [verdachte] was destijds de partner van [medeverdachte 1] , en [medeverdachte 4] is de broer van [medeverdachte 3] . Met de vaccinatiebewijzen en negatieve testbewijzen kon een coronatoegangsbewijs worden verkregen. Middels de QR-code op dit bewijs werd toegang mogelijk tot horeacagelegenheden, evenementen, bioscopen en theaters. Een dergelijke QR-code was in een bepaalde periode gedurende de coronapandemie verplicht om naar het buitenland te mogen reizen.

Uitleg van de gebruikte systemen

In het BRBA-systeem werden de Nederlandse vaccinaties geregistreerd. Dit systeem was gekoppeld aan de RIVM-database. Voor de invoering was onder meer een BSN nummer

vereist. Eenmaal geregistreerd kon de geregistreerde via DigiD het vaccinatiebewijs raadplegen en kon via de coronacheck app een QR-code worden gegenereerd. Nadat de vaccinatie was geregistreerd in het BRBA-systeem werd een registratiekaart meegegeven. Op die kaart kwam een sticker van het type vaccinatie (het batchnummer), de datum van vaccinatie en een stempel te staan. Om volledig gevaccineerd te zijn moest men in beginsel twee vaccinaties hebben gehad, zodat er uiteindelijk twee verschillende data en twee verschillende stickers van batchnummers op een registratiekaart kwamen te staan. Het HKVI-systeem was bedoeld voor de omzetting van buitenlandse vaccinaties in een Nederlandse QR-code. Dit systeem fungeerde ook als een alternatieve methode om een onjuiste registratie via het BRBA-systeem te kunnen corrigeren en zo alsnog een QR-code te kunnen genereren. Daarnaast waren er testbewijzen. De negatieve test kon vanaf een gegeven moment met een ophaalcode in de coronacheck app worden ingevoerd.

3. Tenlastelegging

In deze strafzaak zijn zes verdachten gedagvaard, te weten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . Dit vonnis ziet op verdachte [verdachte] .

Aan [verdachte] is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 26 mei 2021 tot en met 2 november 2021 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van valsheid in geschrifte door het (laten) registreren van valse vaccinatiebewijzen.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

4. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken, omdat het dossier onvoldoende bewijs bevat. De gegevens uit de telefoon van [verdachte] moeten worden uitgesloten van het bewijs, omdat er geen toestemming is gegeven door de rechter-commissaris voor het onderzoek aan deze telefoon. De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de bijdrage van [verdachte] van onvoldoende gewicht is geweest om te kunnen spreken van medeplegen. Ook kan niet worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een voltooide valsheid in geschrifte.

Het oordeel van de rechtbank

Vormverzuim – onderzoek aan de iPhone 12 mini van [verdachte]

Indien onderzoek naar gegevens op een elektronische gegevensdrager een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met zich brengt, is voorafgaande toestemming van een rechterlijke instantie of onafhankelijk bestuursorgaan vereist. De rechtbank stelt vast dat het onderzoek aan de telefoon van [verdachte] een meer dan beperkte inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer heeft meegebracht, waardoor voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris vereist was. Deze toestemming was niet verleend. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op.

De vraag is of en, zo ja, welke rechtsgevolgen aan dit vormverzuim moeten worden verbonden. Bij de beantwoording van die vraag dient rekening te worden gehouden met de in artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

Bewijsuitsluiting kan allereerst aan de orde zijn als het uitsluiten van bepaalde resultaten van het opsporingsonderzoek van het gebruik voor het bewijs noodzakelijk is om een schending van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te voorkomen. Deze situatie doet zich in deze zaak niet voor. Verder kan bewijsuitsluiting aan de orde zijn als sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, waarbij toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk is als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Ook van deze situatie is in deze zaak geen sprake. Daarbij is van belang – wat de ernst van het vormverzuim betreft – dat ten tijde van het onderzoek aan de telefoon van [verdachte] het Landeck arrest nog niet gewezen was en de betekenis van het overtreden vormvoorschrift nog niet (algemeen) bekend was. Het openbaar ministerie heeft ondertussen stappen ondernomen om de toepasselijke werkwijze in overeenstemming te brengen met de jurisprudentie.

Voor strafvermindering ziet de rechtbank evenmin aanleiding, omdat niet is aangevoerd welk concreet nadeel [verdachte] als gevolg van het vormverzuim heeft geleden. De enkele stelling van [verdachte] dat de politie en het openbaar ministerie kennis hebben genomen van privé-informatie op zijn telefoon, te weten chatberichten, foto’s en afbeeldingen, is daarvoor onvoldoende.

De rechtbank zal gelet op het voorgaande volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim en daaraan geen rechtsgevolgen verbinden.

Valsheid in geschrifte

De rechtbank vindt bewezen dat [verdachte] in de periode van 26 mei 2021 tot en met 17 september 2021 (de dag van de aanhouding) samen met anderen valse Covid-19 vaccinatiebewijzen heeft opgemaakt. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast.

Uit chatberichten aangetroffen op de telefoon van [verdachte] volgt dat hij wetenschap had dat er op de huisartsenpraktijk waar [medeverdachte 1] werkzaam was, valsheid werd gepleegd met betrekking tot Covid-19 vaccinaties. Zo stuurt [medeverdachte 1] hem op 26 mei 2021 een bericht waarin zij vraagt of [verdachte] vanmiddag langs komt voor zijn “vaccinatie” en dan wordt alles geregistreerd. Hij mag niets zeggen want alleen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] weten dat ze mensen nepvaccineren. In een bericht van 12 juli 2021 meldt [medeverdachte 1] aan [verdachte] dat zij iets gevonden heeft om mensen toch officieel te registreren als gevaccineerd. Zij voegt daar aan toe: “Dus als je mensen weet.”

In de periode van 13 juli 2021 tot en met 13 september 2021 stuurt [verdachte] aan [medeverdachte 1] de persoonsgegevens door van in totaal 7 personen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] mensen aanleverde, dat hij betrokken is en ervan weet. [medeverdachte 2] heeft een inlog om in het systeem te komen. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij mensen in het BRBA-systeem heeft geregistreerd die niet gevaccineerd waren. [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 2] wel eens geld gegeven voor het invoeren. De mensen zonder vaccinatie betaalden [medeverdachte 1] 1000 euro. [verdachte] en [medeverdachte 1] waren samen en [medeverdachte 2] kreeg de helft.

Conclusie

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat [verdachte] samen met anderen, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , meermalen geschriften, te weten de vaccinatiebewijzen, opzettelijk valselijk heeft opgemaakt, door aan [medeverdachte 1] persoonsgegevens van afnemers door te geven. [medeverdachte 1] heeft deze persoonsgegevens vervolgens doorgegeven aan [medeverdachte 2] . Door het verstrekken van de persoonsgegevens kon [medeverdachte 2] de vaccinatiestatus van de afnemer invoeren. Zonder deze gegevens konden de valse vaccinatiebewijzen niet worden opgemaakt. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een nauwe en bewuste samenwerking. De rechtbank is verder van oordeel dat uit de verklaring van [medeverdachte 1] volgt dat zij betalingen heeft ontvangen voor de valse vaccinatiebewijzen. Dit leidt tot de conclusie dat de afnemers deze vaccinatiebewijzen daadwerkelijk hebben gekregen en dat er dus sprake is van voltooide valsheid in geschrift.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

in de periode van 26 mei 2021 tot en met 17 september 2021 te Amsterdam, meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een vaccinatiebewijs, valselijk heeft opgemaakt door telkens valselijk in het BRBA-systeem te laten vermelden dat een bepaald persoon was gevaccineerd tegen Covid-19 waardoor een vals vaccinatiebewijs en/of QR vaccinatie-code in de coronacheck-app konden worden aangemaakt met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat hij de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen met aftrek van het voorarrest en een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij een bewezenverklaring geen straf of maatregel op te leggen, gelet op de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] . Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van de feiten

[verdachte] heeft samen met anderen valse Covid-19 vaccinatie- en testbewijzen aangemaakt en verkocht.

Vanaf juni 2021 ging de Nederlandse samenleving langzaam weer open na een tweede lockdownperiode. Er werden regels opgesteld om dit veilig te laten verlopen. Zo werd een coronatoegangsbewijs verplicht om naar cafés en restaurants te kunnen gaan, evenementen te kunnen bezoeken, kunst en cultuur te kunnen beleven en te kunnen reizen. Het doel van dit bewijs was om het aantal besmettingen in de hand te kunnen houden en kwetsbare groepen te beschermen. Het weer veilig kunnen opengaan van de samenleving staat of valt met een betrouwbare Covid-registratie van personen die daaraan wensten deel te nemen. Verdachte heeft een situatie in het leven geroepen waarin ongevaccineerde personen zich in horecagelegenheden, vliegtuigen of tijdens festivals onder de bevolking konden begeven. Door ongevaccineerde personen dezelfde mogelijkheden te geven als mensen die zich wel aan de regels hielden, heeft verdachte het systeem van de maatregelen gericht op het tegengaan van de verspreiding van het coronavirus, ernstig ondermijnd. Bovendien is er op deze manier voor individuele personen het risico op besmetting ontstaan, met alle gevolgen van dien. Verdachte heeft enkel oog gehad voor eigen financieel gewin. In dat kader merkt de rechtbank op dat uit het dossier aanwijzingen volgen dat hij en zijn toenmalige partner [medeverdachte 1] een aanzienlijk geldbedrag hebben verdiend met het plegen van deze strafbare feiten.

De rechtbank komt tot het oordeel dat voor dit feit in beginsel een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats zou zijn.

Redelijke termijn

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van strafzaken als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. De redelijke termijn vangt aan vanaf het moment dat ten aanzien van een verdachte een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit strafvervolging zou worden ingesteld. In dit geval oordeelt de rechtbank dat deze handeling is verricht op het moment dat er aan de raadsman van [verdachte] door het openbaar ministerie een parketnummer is verstrekt en de raadsman zich daarop heeft gesteld. Dat was in april 2022. Wanneer geen sprake is van bijzondere omstandigheden geldt als uitgangspunt dat de redelijke termijn tussen de aanvang daarvan en het wijzen van een vonnis in eerste aanleg, twee jaar duurt. De rechtbank ziet in onderhavige zaak geen aanleiding om te oordelen dat er bijzondere omstandigheden zijn die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. Uit het dossier blijkt dat het onderzoek tussen het voorjaar van 2022 en de verhoren in juni 2023 zonder reden heeft stilgelegen. Er is geen sprake van uitgebreid vooronderzoek dat het overschrijden van de redelijke termijn zou kunnen verklaren. Na het uitsturen van de regiebrief in januari 2024, heeft het ruim twee jaar geduurd voordat de zaak op zitting werd behandeld. Nu in april 2026, 4 jaar na aanvang van de redelijke termijn, vonnis wordt gewezen, is de redelijke termijn met twee jaar overschreden. De rechtbank compenseert [verdachte] voor deze overschrijding door aan hem geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zoals in een dergelijke zaak voor de hand zou hebben gelegen, maar in plaats daarvan een onvoorwaardelijke taakstraf.

De rechtbank ziet in het voorgaande eveneens reden om geen voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Niet is gebleken dat [verdachte] de afgelopen 4 jaar strafbare feiten heeft gepleegd. Een voorwaardelijke straf heeft daarom volgens de rechtbank geen doel meer.

Voor de hoogte van de taakstraf heeft de rechtbank ook gekeken naar de opgelegde werkstraffen die aan de medeverdachten worden opgelegd, waarbij steeds naar ieders aandeel en ieders specifieke rol is gekeken.

[verdachte] heeft een rol gespeeld door persoonsgegevens aan te leveren aan [medeverdachte 1] en hij heeft het daarbij mogelijk gemaakt om de vaccinatiebewijzen op te maken. Ook heeft hij er geld voor ontvangen.

Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf van 180 uren opleggen.

9. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 45,- per verkochte valse vaccinatie en/of testbewijs aan vergoeding van materiële schade.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en aanhouding om nadere onderbouwing mogelijk te maken een onevenredige belasting van het strafgeding vormt.

De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 9, 22c, 22d, 47, 63 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.

Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.J. Bos, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en A.H.E. van der Pol, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Buiskool, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H.J. Bos

Griffier

  • mr. K. Buiskool

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?