ECLI:NL:RBAMS:2026:3693

ECLI:NL:RBAMS:2026:3693

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 14-04-2026
Zaaknummer 13/302060-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

De rechtbank legt een taakstraf van 200 uren op voor medeplegen van valsheid in geschrift, door samen met anderen van valse Covid-19 vaccinatie- en testbewijzen aan te maken en te verkopen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/302060-23

Datum uitspraak: 15 april 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 2 februari 2026, 3 februari 2026 en 15 april 2026. Op laatstgenoemde zitting is het onderzoek gesloten en is aansluitend uitspraak gedaan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.W. van Zanten, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H. Sytema, advocaat te ’s-Gravenhage, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van hetgeen door de benadeelde partij [benadeelde partij] naar voren is gebracht.

2. Inleiding

Op 17 september 2021 is medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) aangehouden vanwege een verdenking op grond van de Opiumwet. Bij het uitlezen van zijn telefoon in het kader van die verdenking zijn afbeeldingen aangetroffen met daarop advertenties waarin Covid-19 vaccinatieregistraties te koop werden aangeboden. De resultaten van het onderzoek naar de telefoon van [medeverdachte 1] hebben naar [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]), [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) en uiteindelijk ook naar [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4]) geleid.

[medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] waren allen doktersassistente bij Expat Medical Centre op de Bloemgracht in Amsterdam. Het openbaar ministerie verdenkt hen ervan dat zij – tezamen en in vereniging – valse negatieve testbewijzen dan wel valse vaccinatiebewijzen omtrent Covid-19 hebben opgemaakt en deze hebben geregistreerd in het daarvoor bestemde systeem, te weten het BRBA systeem. Zij zouden daartoe persoonsgegevens hebben gekregen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5]) en [verdachte] (hierna: [verdachte]). [verdachte] is de partner van [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] was destijds de partner van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] is de broer van [medeverdachte 4] . Met de vaccinatiebewijzen en negatieve testbewijzen kon een coronatoegangsbewijs worden verkregen. Middels de QR-code op dit bewijs werd toegang mogelijk tot horeacagelegenheden, evenementen, bioscopen en theaters. Een dergelijke QR-code was in een bepaalde periode gedurende de coronapandemie verplicht om naar het buitenland te mogen reizen.

Uitleg van de gebruikte systemen

In het BRBA-systeem werden de Nederlandse vaccinaties geregistreerd. Dit systeem was gekoppeld aan de RIVM-database. Voor de invoering was onder meer een BSN nummer vereist. Eenmaal geregistreerd kon de geregistreerde via DigiD het vaccinatiebewijs raadplegen en kon via de coronacheck app een QR-code worden gegenereerd. Nadat de vaccinatie was geregistreerd in het BRBA-systeem werd een registratiekaart meegegeven. Op die kaart kwam een sticker van het type vaccinatie (het batchnummer), de datum van vaccinatie en een stempel te staan. Om volledig gevaccineerd te zijn moest men in beginsel twee vaccinaties hebben gehad, zodat er uiteindelijk twee verschillende data en twee verschillende stickers van batchnummers op een registratiekaart kwamen te staan. Het HKVI-systeem was bedoeld voor de omzetting van buitenlandse vaccinaties in een Nederlandse QR code. Dit systeem fungeerde ook als een alternatieve methode om een onjuiste registratie via het BRBA-systeem te kunnen corrigeren en zo alsnog een QR-code te kunnen genereren. Daarnaast waren er testbewijzen. De negatieve test kon vanaf een gegeven moment met een ophaalcode in de coronacheck app worden ingevoerd.

3. Tenlastelegging

In deze strafzaak zijn zes verdachten gedagvaard, te weten [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] . [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Dit vonnis ziet op verdachte [verdachte] .

Aan [verdachte] is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 26 mei 2021 tot en met 3 november 2021 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van valsheid in geschrifte, door het laten registreren van valse vaccinatiebewijzen (feit 1) en het valselijk laten opmaken van Covid-19 testbewijzen (feit 2).

De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

4. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt bewezen dat [verdachte] in de periode van 7 juli 2021 tot en met 3 november 2021 samen met anderen valse Covid-19 vaccinatiebewijzen (feit 1) en valse negatieve Covid-19 testresultaten (feit 2) heeft opgemaakt. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast.

[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat het klopt dat hij persoonsgegevens aan [medeverdachte 3] heeft overgedragen ten behoeve van het valselijk laten registreren van negatieve Covid-19 testbewijzen en vaccinatiebewijzen. Hij heeft bewust een verkeerde voorstelling van zaken willen geven. Hij kreeg hier geld voor van de afnemers.

Uit berichten op de telefoon van [medeverdachte 3] blijkt dat [verdachte] op verschillende momenten in de periode van 7 juli 2021 tot en met 2 november 2021 persoonsgegevens naar [medeverdachte 3] stuurt ten behoeve van het opmaken van vaccinatiebewijzen en negatieve testbewijzen. [medeverdachte 3] stuurt testbewijzen naar [verdachte] .

Conclusie

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat [verdachte] samen met anderen meermalen geschriften, te weten negatieve Covid-19 testresultaten en vaccinatiebewijzen, opzettelijk valselijk heeft opgemaakt, door aan [medeverdachte 3] persoonsgegevens door te geven die hij van afnemers ontving waardoor zij valselijk in het BRBA-systeem kon vermelden dat deze afnemers waren gevaccineerd tegen Covid-19, dan wel negatief waren getest. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een nauwe en bewuste samenwerking.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 1:

in de periode van 7 juli 2021 tot en met 3 november 2021 te Amsterdam, meermalen,

tezamen en in vereniging met anderen, een vaccinatiebewijs, valselijk heeft opgemaakt door telkens valselijk in het BRBA-systeem te laten vermelden dat een bepaald persoon was gevaccineerd tegen Covid-19 waardoor een vals vaccinatiebewijs en/of QR

vaccinatie-code in de coronacheck-app kon(den) worden aangemaakt met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

Ten aanzien van feit 2:

in de periode van 7 juli 2021 tot en met 3 november 2021 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een Covid-19 PCR-test resultaat, valselijk heeft opgemaakt door telkens valselijk te vermelden dat een bepaald persoon negatief was getest op Covid-19 met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat [verdachte] de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen en een gevangenisstraf van 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de omstandigheid dat de redelijke termijn is overschreden.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van de feiten

[verdachte] heeft samen met anderen valse Covid-19 vaccinatie- en testbewijzen aangemaakt en verkocht.

Vanaf juni 2021 ging de Nederlandse samenleving langzaam weer open na een tweede lockdownperiode. Er werden regels opgesteld om dit veilig te laten verlopen. Zo werd een coronatoegangsbewijs verplicht om naar cafés en restaurants te kunnen gaan, evenementen te kunnen bezoeken, kunst en cultuur te kunnen beleven en te kunnen reizen. Het doel van dit bewijs was om het aantal besmettingen in de hand te kunnen houden en kwetsbare groepen te beschermen. Het weer veilig kunnen opengaan van de samenleving staat of valt met een betrouwbare Covid-registratie van personen die daaraan wensten deel te nemen. Verdachte heeft een situatie in het leven geroepen waarin ongevaccineerde en ongeteste personen zich in horecagelegenheden, vliegtuigen of tijdens festivals onder de bevolking konden begeven. Door ongevaccineerde en ongeteste personen dezelfde mogelijkheden te geven als mensen die zich wel aan de regels hielden, heeft verdachte het systeem van de maatregelen gericht op het tegengaan van de verspreiding van het coronavirus, ernstig ondermijnd. Bovendien is er op deze manier voor individuele personen het risico op besmetting ontstaan, met alle gevolgen van dien. Verdachte heeft enkel oog gehad voor eigen financieel gewin. In dat kader merkt de rechtbank op dat uit het dossier aanwijzingen volgen dat hij en zijn partner [medeverdachte 3] een aanzienlijk geldbedrag hebben verdiend met het plegen van deze strafbare feiten.

De rechtbank komt tot het oordeel dat voor dit feitencomplex in beginsel een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats zou zijn.

Redelijke termijn

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van strafzaken als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. De redelijke termijn vangt aan vanaf het moment dat ten aanzien van een verdachte een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit strafvervolging zou worden ingesteld. In dit geval oordeelt de rechtbank dat deze handeling is verricht op het moment dat aan de raadsman van [verdachte] de beslissing tot dagvaarden is toegestuurd bij brief van2 februari 2024. In deze brief is tevens verzocht eventuele onderzoekswensen bij de rechter-commissaris in te dienen. Wanneer geen sprake is van bijzondere omstandigheden geldt als uitgangspunt dat de redelijke termijn tussen de aanvang daarvan en het wijzen van een vonnis in eerste aanleg, twee jaar duurt. De rechtbank ziet in onderhavige zaak geen aanleiding om te oordelen dat de redelijke termijn langer zou moeten zijn. Nu in april 2026, de vonnis wordt gewezen, is de redelijke termijn met ruim 2 maanden overschreden. De rechtbank compenseert [verdachte] voor deze overschrijding door aan hem geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zoals in een dergelijke zaak voor de hand zou liggen, maar in plaats daarvan een onvoorwaardelijke taakstraf. Niet is gebleken dat [verdachte] sinds 2021, behoudens een verkeersovertreding, strafbare feiten heeft gepleegd. Een voorwaardelijke gevangenisstraf dient daarom volgens de rechtbank geen doel meer. Voor de hoogte van de taakstraf heeft de rechtbank ook gekeken naar de opgelegde werkstraffen die aan de medeverdachten worden opgelegd, waarbij steeds naar ieders aandeel en ieders specifieke rol is gekeken. Voor [verdachte] geldt dat zijn rol substantieel was maar kleiner dan die van [medeverdachte 3] .

Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf van 200 uren opleggen, met aftrek van het voorarrest.

9. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 45,- per verkochte valse vaccinatie en/of testbewijs aan vergoeding van materiële schade.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en aanhouding om nadere onderbouwing mogelijk te maken een onevenredige belasting van het strafgeding vormt.

De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 63 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 en feit 2:

telkens: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 (tweehonderd) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 (honderd) dagen.

Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.J. Bos, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en A.H.E. van der Pol, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Buiskool, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H.J. Bos

Griffier

  • mr. K. Buiskool

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?