RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/230404-25
Datum uitspraak: 14 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 9 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 augustus 2025 door the Regional Court in Słupsk, II Criminal Department, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 31 maart 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.C. Duin, advocaat in Alkmaar, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judgment of the Regional Court in Słupsk of 28th October, 2015, met kenmerk II K 70/15.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon, aanvankelijk in voorwaardelijke vorm, opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van the District Court in Słupsk van 8 maart 2019 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen, omdat de opgeëiste persoon zich niet aan de voorwaarde van het reclasseringstoezicht heeft gehouden. De tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf is niet bevolen omdat de opgeëiste persoon is veroordeeld voor een nieuw strafbaar feit. De beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW hoeft te toetsen dan de veroordeling waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd, te weten het vonnis van the Regional Court in Słupsk van 28 oktober 2015. Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
4. Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5. Verzoek tot schorsing na de uitspraak
De raadsman heeft verzocht om de overleveringsdetentie ook na de uitspraak te schorsen tot aan de feitelijke overlevering. De opgeëiste persoon is de kostwinner en als hij gedetineerd wordt, komt zijn gezin direct in de problemen. Ook kan hij op deze manier nog tijd spenderen met zijn gezin.
De officier van justitie verzet zich tegen het verzoek van de raadsman, omdat schorsing na uitspraak slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde is en hier niet van dergelijke omstandigheden is gebleken.
De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman tot schorsing van de overleveringsdetentie tot aan de feitelijke overlevering af, omdat een dergelijke schorsing slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde is en die omstandigheden zijn door de opgeëiste persoon niet aangevoerd of onderbouwd. Het is inherent aan detentie dat de opgeëiste persoon en zijn of haar familie daar (financieel) nadeel door zal ervaren. Dit is, hoe vervelend ook, niet zodanig bijzonder dat die omstandigheid schorsing van de overleveringsdetentie na de uitspraak rechtvaardigt.
6. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
8. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Słupsk, II Criminal Department (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Scheeper, voorzitter,
mrs. M. Westerman en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.