RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/031990-26
Datum uitspraak: 31 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 3 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 7 mei 2025 door the District Court in Koszalin II Criminal Department, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] (Polen),
feitelijk verblijfsadres:
[verblijfadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 31 maart 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen, maar is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. B.J. Korver, die waarneemt voor zijn kantoorgenoot mr. M.L. van Gessel, beiden advocaat in Amsterdam.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the Local Court in Białogard of 25 September 2020 (II K 171/20).
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog elf maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4. Ontvankelijkheid van de officier van justitie
Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Op basis van het M-formulier van 30 maart 2026 stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op dit moment op grond van hetzelfde EAB in overleveringsdetentie in Duitsland zit en zich dus niet meer op Nederlands grondgebied bevindt. Daarmee is de grondslag aan de vordering van de officier van justitie komen te ontvallen.
5. Beslissing
VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
STELT VAST dat de geschorste overleveringsdetentie is geëindigd.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Scheeper, voorzitter,
mrs. M. Westerman en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 31 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.