RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/016970-26
Datum uitspraak: 14 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 29 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 mei 2020 door the Court of Justice of Fălticeni, Roemenië, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1979 in [geboorteplaats] (Roemenië),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 17 maart 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.C. Reehuis, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de zaak voor bepaalde tijd aangehouden, omdat de telefonische tolk Roemeens niet goed te verstaan was.
Op de zitting van 31 maart 2026 heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.C. Reehuis, en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een penal sentence no. 305 of 05.07.2019 of the Court of Justice of Fălticeni, final by penal judgment no. 319/13.03.2020 of the Court of Appeal of Suceava met zaaknummer 3745/227/2017.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Op deze straf moet volgens het EAB de periode van 19 november 2012 tot 28 februari 2013 in mindering worden gebracht. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon heeft altijd verklaard niet op de hoogte te zijn geweest van het proces in hoger beroep, laat staan dat hij daarbij aanwezig was. Ook is de aanvullende informatie over de gemachtigde advocaat onduidelijk. Zo is bijvoorbeeld niet de naam van de advocaat genoemd. Dit zou subsidiair moeten worden nagevraagd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, omdat uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon bij twee zittingen aanwezig is geweest en een gemachtigd raadsman had bij het proces in hoger beroep.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Uit het EAB en de aanvullende informatie van 2 februari 2026 blijkt dat er een proces in hoger beroep heeft plaatsgevonden waarbij de zaak ten gronde is behandeld en waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat. De rechtbank zal daarom alleen het proces in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW.
Het EAB en de voornoemde aanvullende informatie vermelden dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing in hoger beroep heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet aan de orde. De enkele verklaring van de opgeëiste persoon dat hij niet aanwezig is geweest is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de informatie van de Roemeense autoriteiten. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om nadere informatie op te vragen en verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw.
4. Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
- medeplegen van witwassen
- medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.
5. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft betoogd dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. Daarom moet de overlevering worden geweigerd en de straf worden overgenomen. De opgeëiste persoon is sinds 2019 in Nederland, heeft een eigen bedrijf, en heeft hier voldoende banden omdat zijn familie en gezin hier wonen. Indien de rechtbank de stukken onvolledig acht, kunnen er nog heel snel stukken over het inkomen van de opgeëiste persoon worden overgelegd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, omdat met de overgelegde stukken niet is aangetoond dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
Eerste voorwaarde
Artikel 6, derde lid, OLW bepaalt dat bewijstukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer tijdig voorafgaand aan het verhoor door de rechtbank moeten worden overgelegd. Volgens vaste jurisprudentie van de rechtbank Amsterdam wordt een termijn van uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de zitting redelijk geacht, zodat de rechtbank en de officier van justitie de stukken kunnen bestuderen.
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
De opgeëiste persoon staat vanaf 10 maart 2022 in Nederland ingeschreven. Er zijn geen aanwijzingen dat hij zich voor die datum al in Nederland had gevestigd. De omstandigheden dat de opgeëiste persoon op 4 maart 2021 een BSN heeft gekregen en op 25 maart 2021 in Nederland door de politie is aangehouden, maken naar het oordeel van de rechtbank niet dat daarmee is aangetoond dat de opgeëiste persoon toen al in Nederland woonachtig was. Dit maakt dat de rechtbank slechts kan vaststellen dat de opgeëiste persoon sinds vier jaren in Nederland is gevestigd. Dat is te kort. Daarnaast zijn er geen enkele gegevens verstrekt over het inkomen van de opgeëiste persoon zodat de rechtbank de rechtmatigheid van het verblijf van de opgeëiste persoon in Nederland niet kan vaststellen. Het gelijkstellingsverweer wordt verworpen.
6. Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat uit de algemene detentieomstandigheden in Roemenië een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest) voortvloeit voor personen die in een Roemeense penitentiaire instelling worden gedetineerd, met name vanwege de overbevolking in de penitentiaire instellingen.
Bij brief van 6 februari 2026 heeft de Chief Commissioner of Penitentiary Police General Director of the National Administration of Penitentiaries de volgende garantie gegeven:
“(…) regarding the detention conditions from which the person named [opgeëiste persoon] (born on [geboortedag].1979, (…)
If the person deprived of liberty is surrendered to the Romanian authorities at Henri Coandă Bucharest Airport, he will initially be placed in Bucharest-Rahova Penitentiary for the purpose of carrying out the quarantine period, for a period of 21 days, in a room ensuring a minimum personal space of 3 sq m.
(…)
Considering the length of the sentence, it is most likely that he will initially execute the custodial sentence under the semi-open regime. Furthermore, taking into account his domicile, it is possible that, initially, he will execute the sentence in Botoșani Penitentiary.
(…)
The person named [opgeëiste persoon] shall benefit from a minimum individual space of 3 sq m throughout the execution of the sentence, except in the event of placement under the open regime, during which he shall benefit from 4 sq m, including the bed and related furniture, excluding the space allocated to the sanitary unit, the number of detainees being configured in relation to the surface area of the room. Each detainee shall be provided with an individual bed equipped with the specific bedding.”
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op de op 6 februari 2026 afgegeven garantie, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Het algemene gevaar, dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Roemeense penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door de garantie immers uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Daarom vormen de detentieomstandigheden geen beletsel voor de overlevering van de opgeëiste persoon.
7. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 47, 225 en 420bis Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
9. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Court of Justice of Fălticeni (Roemenië) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Scheeper, voorzitter,
mrs. M. Westerman en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.