RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/004387-26
Datum uitspraak: 14 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 30 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 3 december 2025 door the Regional Court in Konin, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 31 maart 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
Het EAB vermeldt een verzamelvonnis van the Regional Court in Konin, dated 17.03.2025 (II K 35/24), met de volgende onderliggende vonnissen:
judgement of the Regional Court in Konin of 28 June 2018 (II K 12/09), amended by the judgement of the Court of Appeals in Poznań of 16 October 2023 (II Aka 69/19);
judgement of the Regional Court in Konin of 28 October 2021 (II K 38/13), amended by the judgement of the Court of Appeals in Poznań of 15 October 2024 (II Aka 88/21).
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaar en acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis.
Dit verzamelvonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft verzocht om aanhouding van de zaak om na te vragen of er nog wel een strafrestant is en zo ja, wat het restant dan is. Uit het vertaalde – door de verdediging overlegde – verzamelvonnis blijkt dat de tijd die de opgeëiste persoon voor deze zaken in voorarrest heeft gezeten nog van de straf moeten worden afgetrokken. Volgens dit verzamelvonnis zou er nog een reststraf zijn van één jaar en één maand. Daarbij heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij in 2008 ook nog één jaar en twee maanden in voorarrest heeft gezeten voor deze zaken en die periode is nog niet in mindering gebracht. Dit zou betekenen dat de straf volledig is uitgezeten, waardoor de grondslag van het EAB komt te vervallen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er naar de opgelegde straf moet worden gekeken en dat deze minimaal vier maanden moet zijn. Aan dit vereiste is voldaan. Uit het door de raadsman overgelegde vertaalde verzamelvonnis blijkt dat er periodes in mindering moeten worden gebracht op de straf van vijf jaar en acht maanden, maar niet dat er helemaal geen strafrestant meer zou zijn.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. In het EAB is onder rubriek C.2 melding gemaakt van de opgelegde straf en het deel van de straf dat de opgeëiste persoon na overlevering nog moet uitzitten. De duur van de opgelegde vrijheidsstraf is doorslaggevend, zo volgt uit artikel 2, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Er is sprake van een opgelegde vrijheidsstraf van meer dan de vier maanden die vereist zijn voor een executieoverlevering en niet is gebleken dat de opgeëiste persoon de opgelegde straf al helemaal heeft uitgezeten. Hiermee is dus voldaan aan artikel 2, eerste lid, en artikel 7, eerste lid sub a onder 2˚, OLW. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat de opgeëiste persoon de hele gevangenisstraf al heeft uitgezeten en dat er dus in zijn geheel geen reststraf meer zou zijn. De opgeëiste persoon kan zijn standpunt over de duur van de nog uit te zitten gevangenisstraf desgewenst in Polen aan de orde stellen. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het aanhoudingsverzoek van de raadsman af.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Verzamelvonnis met nummer II K 35/24
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van het verzamelvonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 19 februari 2026 volgt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces en dat op zijn verzoek een door hem gemachtigde advocaat een verzoek heeft ingediend om een verzamelvonnis te wijzen. Die gemachtigde advocaat heeft de opgeëiste persoon tijdens het proces ook daadwerkelijk verdedigd. Dit betekent dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 12 onder b. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
Onderliggend arrest met nummer II Aka 69/19
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 19 februari 2026 volgt dat er een proces in hoger beroep is geweest, waar de zaak ten gronde is behandeld en waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat. De rechtbank zal daarom alleen het proces in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van het arrest met nummer II Aka 69/19 terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Uit het EAB en de aanvullende informatie van 19 februari 2026 volgt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces in hoger beroep en dat hij een door hem gemachtigde advocaat had die het hoger beroep op zijn verzoek heeft ingediend en die hem tijdens het proces daadwerkelijk heeft verdedigd. Dit betekent dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 12 onder b. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
Onderliggend arrest met nummer II Aka 88/21
Ook ten aanzien van deze procedure volgt uit het EAB en de aanvullende informatie van 19 februari 2026 dat er een proces in hoger beroep is geweest, waar de zaak ten gronde is behandeld en waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat. De rechtbank zal daarom alleen het proces in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van het arrest met nummer II Aka 88/21 terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Uit het EAB en de aanvullende informatie van 19 februari 2026 volgt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces in hoger beroep en dat hij een door hem gemachtigde advocaat had die het hoger beroep op zijn verzoek heeft ingediend en die hem tijdens het proces daadwerkelijk heeft verdedigd. Dit betekent dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 12 onder b. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
4. Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
- deelneming aan een criminele organisatie; - illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
6. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
8. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Konin, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Scheeper, voorzitter,
mrs. M. Westerman en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.