ECLI:NL:RBAMS:2026:3713

ECLI:NL:RBAMS:2026:3713

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 14-04-2026
Datum publicatie 14-04-2026
Zaaknummer 13/033081-25
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

EAB Frankrijk; het onderzoek is heropend en voor onbepaalde tijd geschorst in afwachting van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/033081-25

Datum uitspraak: 14 april 2026

TUSSEN-UITSPRAAK

op de vordering van 12 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 28 januari 2025 door de Procureur der Republiek van de Rechtbank van Lille, Frankrijk, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats] (Irak),

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 31 maart 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.C.M. van Dijk, advocaat in Amsterdam, en een telefonische tolk in de Koerdische Sorani taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een tegensprekelijk vonnis d.d. 05.11.2024, uitgevaardigd door de Correctionele Rechtbank van Lille (Frankrijk) - JIRS-Kamer, Zaaknummer parket: 22005000004.

Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.

De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zeven jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vijf jaar, drie maanden en 23 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.

4. Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:

- deelneming aan een criminele organisatie; - hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf.

Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW

Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht af te zien van deze weigeringsgrond en heeft daartoe het volgende aangevoerd:

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat:

- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;

- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond, in een geval als het onderhavige, is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequaat positie bevind;t

- voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.

De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals:

De rechtbank stelt vast dat, gelet op de omstandigheden die de officier van justitie heeft genoemd, de veronderstelling dat de feiten geheel of gedeeltelijk in Nederland zijn gepleegd onvoldoende aanleiding vormt om deze weigeringsgrond toe te passen. De rechtbank ziet dan ook af van toepassing van deze weigeringsgrond.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW. Op grond van artikel 6a OLW kan de overlevering van een Nederlander worden geweigerd, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.

De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Frankrijk opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.

De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.

De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

- deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

- medeplegen van mensensmokkel, meermalen gepleegd.

Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt.

De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.

Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische, familiale, taalkundige, culturele en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn gezinsleven en belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat volgens de OLW de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.

Om de straf te kunnen overnemen is, gelet op het arrest C.J. toestemming vereist van de Franse autoriteiten. Hiervoor is toezending van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis nodig. Ondanks het verzoek van het openbaar ministerie en de daaropvolgende rappels zijn deze stukken nog niet ontvangen.

De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om de zaak te heropenen om de toezending van het voornoemde certificaat en een kopie van het vonnis af te wachten.

De rechtbank is tevens van oordeel dat de omstandigheid dat het certificaat en een kopie van het vonnis weliswaar zijn opgevraagd, maar nog niet zijn verstrekt een uitzonderlijke situatie oplevert.

De rechtbank heropent daarom het onderzoek voor onbepaalde tijd en verlengt de beslistermijn met 60 dagen zoals bepaald in artikel 22, vierde lid, OLW onder gelijktijdige verlenging van de – geschorste – gevangenhouding voor de duur van 60 dagen om het certificaat en een kopie van het vonnis af te wachten.

7. Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd in afwachting van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis.

VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen (eindigend op 2 juli 2026), onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

BEPAALT dat de zaak uiterlijk 14 dagen vóór 2 juli 2026 (einde van de verlengde beslistermijn) weer op zitting wordt gepland.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw en van een tolk in de Koerdische Sorani taal.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. M. Scheeper, voorzitter,

mrs. M. Westerman en L. Sanders, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 april 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Scheeper

Griffier

  • mr. C.W. van der Hoek

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?