RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/771700 / HA ZA 25-1237
Vonnis in incident van 8 april 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
JUSDA SUPPLY CHAIN MANAGEMENT CORPORATION,
gevestigd te Californië (Verenigde Staten),
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: Jusda,
advocaat: mr. M. van Sintmaartensdijk,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BIRD RIDES EUROPE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: Bird Europe,
advocaat: mr. J.H. Duyvensz.
1. De kern van de zaak
In de hoofdzaak vordert Jusda van Bird Europe betaling van een geldbedrag omdat zij vindt dat zij transportdiensten aan Bird Europe heeft geleverd, waarvoor niet volledig is betaald. Bird Europe vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van het geschil kennis te nemen omdat zij vindt dat haar een beroep toekomt op een arbitragebeding zoals opgenomen in de overeenkomst die Jusda heeft gesloten met de (indirecte) moedervennootschap van Bird Europe en daaruit volgt dat geschillen die daaronder vallen moeten worden beslecht door arbitrage in de Verenigde Staten.
De rechtbank geeft Bird Europe hierin gelijk en komt tot het oordeel dat zij niet bevoegd is om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen. Dat wordt hierna nader uitgelegd.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 19 juni 2025, met producties,
de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, met producties,
de conclusie van antwoord in het incident, met productie,
het (rol)bericht van mr. Duyvensz van 21 oktober 2025, waarin is verzocht om een mondelinge behandeling in het incident te gelasten,
het bericht van de rechtbank van 28 oktober 2025, waarin is medegedeeld dat een mondelinge behandeling in het incident wordt toegestaan,
het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het incident van 25 maart 2026 en de daarin genoemde stukken.
3. De feiten voor zover van belang in het incident
Jusda richt zich onder andere op het verzorgen van transport van goederen vanuit China naar onder meer Amerika en Nederland.
Bird Europe houdt zich onder andere bezig met de import en export van elektrische apparatuur en het verhuren van e-bikes. Ten tijde van de gebeurtenissen die onderwerp van dit geschil zijn was Bird Rides International Holding, Inc. enig aandeelhouder van Bird Europe. Bird Rides Inc. (hierna: Bird USA) was op haar beurt enig aandeelhouder van Bird Rides International Holding, Inc. en stond destijds aan het hoofd van het Bird-concern.
Op 1 november 2021 hebben Jusda en Bird USA een Freight Services Agreement (hierna: de FSA) gesloten. Op grond hiervan rust op Jusda de verplichting om het transport van producten van Bird USA te verzorgen en op Bird USA de verplichting om hiervoor een vast tarief te betalen. Een deel van deze transportdiensten had Rotterdam als eindbestemming. In artikel 12 van de FSA staat een arbitragebeding en deze luidt, voor zover relevant, als volgt:
“(a) Except as otherwise provided in this Agreement, the following binding dispute resolution procedures shall be the exclusive means used by the parties to resolve all disputes, differences, controversies and claims arising out of or relating to the Agreement or any other aspect of the relationship between Bird and Service Provider or their respective Affiliates (collectively, “ Disputes ”). Either party may, by written notice to the other party, refer any Disputes for resolution in the manner set forth below.
(b) Any and all Disputes shall be referred to arbitration under the rules and procedures of JAMS, who shall act as the arbitration administrator (the “ Arbitration Administrator ”). (…)
(d) Unless otherwise mutually agreed to by the parties, the place of arbitration shall be Santa Clara, California, although the arbitrators may be selected from rosters outside of California. (…)”
Vanaf begin 2022 heeft Jusda voor transportdiensten naar Rotterdam facturen aan Bird Europe gestuurd en deze facturen zijn (grotendeels) door Bird Europe voldaan.
Bird USA is in de Verenigde Staten in een insolventieprocedure terecht gekomen, een zogenaamde Chapter 11 procedure. Jusda heeft in die procedure een vordering tegen Bird USA ingesteld vanwege onbetaalde facturen. Uiteindelijk is in die procedure tussen Jusda en Bird USA een schikking tot stand gekomen.
4. Het geschil
in de hoofdzaak
Jusda vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis dat Bird Europe wordt veroordeeld tot betaling van:
I. $ 349.546,01, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van verzuim,
II. de buitengerechtelijke incassokosten van € 3.452,31, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2024,
III. de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
Jusda legt hieraan ten grondslag dat zij aanvankelijk een overeenkomst had gesloten met Bird USA en dat onderdeel daarvan was dat zij transportdiensten naar onder meer Rotterdam verzorgde, maar dat zij later voor deze bestemming een afzonderlijke overeenkomst heeft gesloten met Bird Europe. Omdat (een deel van) de facturen voor de verrichte transportdiensten niet zijn betaald, vordert Jusda betaling van het openstaande bedrag van $ 349.546,01. Voor zover geen overeenkomst met Bird Europe heeft bestaan, is Bird Europe gehouden om voornoemd bedrag te betalen op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Bird Europe is verrijkt doordat zij transportdiensten heeft ontvangen waarvoor niet is betaald en Jusda is verarmd omdat zij hiervoor kosten heeft gemaakt en winst is misgelopen, aldus steeds Jusda.
Bird Europe heeft in de hoofdzaak nog geen conclusie van antwoord ingediend.
in het incident
Bird Europe vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen van Jusda in de hoofdzaak kennis te nemen, met uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van Jusda in de kosten van dit incident.
Bird Europe beroept zich daarbij op het in artikel 12 van de FSA opgenomen arbitragebeding en legt daaraan ten grondslag dat de transportdiensten waarvoor Jusda betaling vordert zijn verricht op grond van de FSA. Bird Europe was slechts betrokken bij de uitvoering daarvan, omdat zij de leveringen in Rotterdam namens Bird USA in ontvangst nam. Daarnaast blijkt uit de tekst van het arbitragebeding dat ook groepsvennootschappen van Bird USA hieronder vallen, dus ook Bird Europe als indirecte dochtervennootschap van Bird USA. Omdat uit het arbitragebeding volgt dat geschillen die hieronder vallen moeten worden beslecht door arbitrage in de Verenigde Staten, is deze rechtbank onbevoegd, aldus steeds Bird Europe.
Jusda betwist dat de transportdiensten naar Rotterdam zijn verricht op grond van de FSA en voert aan dat zij hiervoor rechtstreeks met Bird Europe heeft gehandeld. Verder betwist Jusda dat Bird Europe een beroep toekomt op het arbitragebeding in de FSA. Volgens Jusda is Bird Europe daarin geen partij en kan uit de tekst van het arbitragebeding niet worden afgeleid dat Bird Europe zich hierop kan beroepen. Voor zover dit wel het geval is, sluit de tekst daarvan niet de mogelijkheid uit om te procederen bij de gewone rechter. Ten slotte hebben partijen niet de bedoeling gehad om een geschil met Nederlandse partijen in een Amerikaanse arbitrageprocedure te betrekken en zou dit vanwege proceseconomische redenen ook niet wenselijk zijn.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling in het incident
Toetsingskader
Op grond van artikel 1074 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet de Nederlandse rechter bij wie een geschil aanhangig is gemaakt waarover een overeenkomst tot arbitrage is gesloten waaruit voortvloeit dat arbitrage buiten Nederland moet plaatsvinden, zich onbevoegd verklaren, tenzij de overeenkomst ongeldig is onder het op die overeenkomst toepasselijke recht.
Het beroep van Bird Europe op het arbitragebeding in de FSA slaagt
De kern van het geschil komt neer op de vraag of Bird Europe een beroep kan doen op het arbitragebeding zoals opgenomen in de FSA. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is en overweegt daartoe het volgende.
Uit artikel 12 van de FSA (zie 3.3) volgt dat geschillen die daaronder vallen moeten worden beslecht door arbitrage in de Verenigde Staten (Californië). Het gaat in deze zaak om transportdiensten vanuit China naar Rotterdam. Niet in geschil is dat deze diensten aanvankelijk onder de FSA werden verleend, zodat in beginsel op een geschil die hierop betrekking heeft het arbitragebeding van toepassing is. Partijen twisten over de vraag of het arbitragebeding ook geldt als het zoals in dit geval gaat om een geschil met Bird Europe. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval. Uit het arbitragebeding volgt dat uitsluitend arbitrage zal worden gebruikt voor het oplossen van geschillen die voortvloeien of verband houden met de overeenkomst of enig ander aspect van de relatie tussen Jusda en Bird USA of ‘their respective Affiliates’ en Bird Europe valt hier als indirecte dochtervennootschap van Bird USA ook onder. Dat brengt mee dat volgens de FSA het arbitragebeding ook van toepassing is op Bird Europe en zij hier dus een beroep op kan doen.
Jusda heeft verschillende verweren gevoerd waarom Bird Europe volgens haar geen beroep toekomt op het arbitragebeding in de FSA, maar deze slagen niet. Dat wordt hierna besproken.
Tussen Jusda en Bird Europe is geen afzonderlijke overeenkomst gesloten
Jusda heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat zij in samenspraak met Bird USA vanaf februari 2022 voor de transportdiensten naar Rotterdam rechtstreeks een overeenkomst met Bird Europe heeft gesloten. Dat blijkt volgens haar uit de omstandigheden dat de transportdiensten aan Bird Europe zijn geleverd, dat hiervoor rechtstreeks aan Bird Europe werd gefactureerd en dat de facturen ook steeds door Bird Europe (uit eigen naam) werden voldaan. Daarnaast heeft Jusda erop gewezen dat de hoeveelheden getransporteerde containers waarvoor betaling wordt gevorderd niet overeenstemmen met de hoeveelheden zoals bepaald in de FSA, zodat dit wat haar betreft bevestigt dat een directe overeenkomst met Bird Europe is gesloten. Bird Europe meent daarentegen dat de transportdiensten naar Rotterdam nog altijd werden verleend op basis van de FSA.
De rechtbank volgt Jusda niet in haar betoog dat een (nieuwe) afzonderlijke overeenkomst met Bird Europe is gesloten. Jusda heeft namelijk onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat de transportdiensten niet langer op basis van de FSA plaatsvonden, maar op basis van een afzonderlijke met Bird Europe gesloten overeenkomst. De omstandigheden waar Jusda op heeft gewezen zijn daarvoor immers onvoldoende, omdat Bird Europe dit gemotiveerd heeft betwist. Zo heeft Bird Europe voldoende weersproken dat de transportdiensten aan haar zijn geleverd. Zij heeft toegelicht dat zij de leveringen in Rotterdam namens Bird USA in ontvangst nam, waarbij zij erop heeft gewezen dat zij steeds als geadresseerde op de facturen staat vermeld en nergens uit blijkt dat Bird USA op enig moment zelf de leveringen in Rotterdam in ontvangst heeft genomen. Daartegenover heeft Jusda niets ingebracht, behalve dat een derde partij de vrachten in ontvangst heeft genomen. Dat een derde partij feitelijk bij de uitvoering betrokken was, sluit echter niet uit dat de leveringen bestemd konden zijn voor Bird Europe op grond van de FSA. Dat maakt dat de mogelijkheid blijft bestaan dat Bird Europe de leveringen namens Bird USA in ontvangst heeft genomen.
Daarnaast heeft Bird Europe een alternatieve verklaring gegeven voor het feit dat rechtstreeks aan haar werd gefactureerd en de facturen ook (grotendeels) door haar zijn voldaan, namelijk dat dat uitsluitend om boekhoudkundige redenen was. Dat is niet uit te sluiten. Hieruit kan dan ook niet zonder meer worden afgeleid dat Bird Europe zelfstandig een overeenkomst met Jusda is gaan sluiten. Verder heeft Bird Europe betwist dat de hoeveelheden getransporteerde containers sterk afwijken van het overeengekomen aantal in de FSA. Omdat dit gaat over de feitelijke uitvoering van de FSA en dit niets verandert aan het contractuele kader tussen partijen, kan hieruit ook niet worden afgeleid dat tussen partijen een rechtstreekse overeenkomst heeft bestaan.
Daar komt bij dat Jusda desgevraagd niet heeft kunnen uitleggen hoe de mondelinge overeenkomst met Bird Europe destijds tot stand zou zijn gekomen. Zo heeft zij niets concreets gesteld over de personen die daarbij betrokken zouden zijn geweest of de wijze waarop dit zou zijn gebeurd. Ook valt op dat een schriftelijke overeenkomst ontbreekt. De [functie] van Jusda, [naam], heeft daar desgevraagd geen verklaring voor kunnen geven. Hij heeft ter zitting slechts toegelicht dat hij in de veronderstelling was dat tussen partijen dezelfde ‘terms and conditions’ zouden blijven gelden zoals bepaald in de FSA, maar dat dit niet voorkomt uit zijn eigen wetenschap. Overigens zou dit dan juist het standpunt van Bird Europe ondersteunen dat het arbitragebeding van toepassing is, nu dit onderdeel uitmaakte van de FSA.
Omdat Jusda verder geen omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat zij een rechtstreekse overeenkomst met Bird Europe heeft gesloten, moet worden aangenomen dat de transportdiensten naar Rotterdam steeds vielen onder de FSA. Dat brengt mee dat wat hiervoor is overwogen in 5.3 nog steeds geldt en dus dat Bird Europe zich kan beroepen op het arbitragebeding in de FSA.
Uitleg arbitragebeding
Jusda heeft verder nog aangevoerd dat het arbitragebeding de mogelijkheid open laat om te procederen bij de gewone rechter. Zij meent dat uit het arbitragebeding volgt dat partijen het geschil mogen voorleggen aan een raad van arbitrage, maar dat dit geen verplichting is. De rechtbank volgt haar niet in deze uitleg. Uit de eerste zin van artikel 12 sub a, in combinatie met sub b, van de FSA (zie 3.3) blijkt voldoende duidelijk dat arbitrage als enige mogelijkheid is voorgeschreven. De zinsnede “Either party may, by written notice tot the other party, refer any Disputes for resolution in the manner set forth below” betekent slechts dat beide partijen een zaak bij de arbiter kunnen voorleggen, maar niet dat partijen ook nog de keuze hebben om een procedure aanhangig te maken bij de gewone rechter. Dat in artikel 12 sub m van de FSA staat dat “any and all matters shall be decided by a judge or arbitrator without a jury”, kan niet leiden tot een ander oordeel. Dit moet namelijk worden gelezen in het licht van de eerdere bepalingen uit hetzelfde artikel en daaruit volgt dat partijen hebben bedoeld om geschillen uitsluitend door arbitrage op te lossen. Volgens Jusda is het niet de bedoeling van partijen geweest om voor een geschil met een Nederlandse vennootschap een Amerikaanse arbitrageprocedure overeen te komen, maar zij heeft verder geen omstandigheden naar voren gebracht waaruit een andere partijbedoeling zou moeten blijken. De rechtbank gaat hier daarom aan voorbij.
Proceseconomische redenen
Jusda heeft tenslotte aangevoerd dat het vanwege proceseconomische redenen niet wenselijk is om de procedure in de Verenigde Staten te voeren omdat alle aanknopingspunten in Nederland zijn. Dit kan niet leiden tot de conclusie dat Bird Europe geen beroep kan doen op het arbitragebeding in de FSA, omdat de redenen van proceseconomie op zichzelf onvoldoende reden vormen om een arbitragebeding ongeldig te achten. Los daarvan heeft de kern van het geschil juist ook aanknopingspunten met de Verenigde Staten. Het gaat immers uiteindelijk om de vraag of de onbetaalde facturen onderdeel zijn geweest van de getroffen schikking tussen Jusda en Bird USA en in het verlengde daarvan hoe in het kader van de Chapter 11 procedure die schikking moet worden uitgelegd. Dat feitelijke handelingen in Nederland hebben plaatsgevonden, brengt dus niet mee dat om die reden het geschil in Nederland moet worden beslecht.
Conclusie: de rechtbank is onbevoegd
Dit alles leidt tot de conclusie dat Bird Europe zich terecht kan beroepen op het arbitragebeding in de FSA. Omdat daaruit volgt dat arbitrage in de Verenigde Staten moet plaatsvinden, is de Nederlandse rechter niet bevoegd is om te oordelen over de door Jusda in de hoofdzaak ingestelde vorderingen. De vordering van Bird Europe in het incident wordt daarom toegewezen en de rechtbank zal zich onbevoegd verklaren om van de vorderingen van Jusda in de hoofdzaak kennis te nemen.
Proceskosten
Jusda wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in het incident en in de hoofdzaak veroordeeld. De proceskosten van Bird Europe worden begroot op:
- griffierecht
€
6.861,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punt × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
8.356,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst de vordering van Bird Europe tot onbevoegdverklaring toe,
in de hoofdzaak
verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen van Jusda kennis te nemen,
in het incident en in de hoofdzaak
veroordeelt Jusda in de proceskosten, aan de zijde van Bird Europe begroot op € 8.356,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Jusda niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Jusda € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
veroordeelt Jusda tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.3 en 6.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.