ECLI:NL:RBAMS:2026:3733

ECLI:NL:RBAMS:2026:3733

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 15-04-2026
Zaaknummer 13/026645-20
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan primair moord dan wel doodslag op haar partner op 28 januari 2020 in Amsterdam door het uitoefenen van geweldshandelingen als gevolg waarvan haar partner is komen te overlijden. Subsidiair is dit handelen ten laste gelegd als poging tot moord dan wel doodslag, meer subsidiair: zware mishandeling terwijl het feit de dood ten gevolge heeft, meest subsidiair: poging tot zware mishandeling terwijl het feit de dood ten gevolge heeft en uiterst subsidiair: mishandeling terwijl het feit de dood ten gevolge heeft. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde. De rechtbank kan niet met voldoende zekerheid kan vaststellen dat de partner van verdachte op niet-natuurlijke wijze is komen te overlijden. Evenmin kan de rechtbank vaststellen dat verdachte het bij haar partner aangetroffen letsel heeft toegebracht. Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/026645-20

Datum uitspraak: 15 april 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1951,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] , [woonplaats] ,

hierna: verdachte.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 18 maart 2026, 23 maart 2026 en 15 april 2026, op welke datum het onderzoek is gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M. Hoogerheide, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. R.E. Drenth, advocaat te Breda, naar voren hebben gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat mr. R.A. Korver, advocaat te Amsterdam, namens de nabestaande [nabestaande] naar voren heeft gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich op 28 januari 2020 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

primair:

moord dan wel doodslag door [slachtoffer] opzettelijk, en al dan niet met voorbedachte raad, van het leven te beroven, door hem:

subsidiair ten laste gelegd als: poging tot moord dan wel doodslag;

meer subsidiair ten laste gelegd als: zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft;

meest subsidiair ten laste gelegd als: poging tot zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft; en

uiterst subsidiair ten laste gelegd als: mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de primair tenlastegelegde doodslag op [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). Uit het dossier volgt dat verdachte verantwoordelijk is voor het bij [slachtoffer] aangetroffen letsel, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Alternatieve scenario’s die de bij [slachtoffer] aangetroffen letsels kunnen verklaren zijn niet aannemelijk geworden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair het standpunt ingenomen dat de ten laste gelegde gedragingen niet kunnen worden bewezen, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte het bij [slachtoffer] aangetroffen letsel heeft toegebracht. Alternatieve scenario’s die het bij [slachtoffer] aangetroffen letsel kunnen verklaren, kunnen niet worden uitgesloten. Zo kan het bij [slachtoffer] aangetroffen letsel mogelijk ook door [slachtoffer] zelf accidenteel of opzettelijk zijn toegebracht.

Subsidiair is door de raadsman het standpunt ingenomen dat indien de rechtbank wel bewezen acht dat verdachte (één van) de in de tenlastelegging opgenomen geweldshandelingen heeft verricht, dit slechts tot een bewezenverklaring van de uiterst subsidiair ten laste gelegde mishandeling zou kunnen leiden, waarbij verdachte dient te worden vrijgesproken van het geobjectiveerde bestanddeel “de dood ten gevolge hebbende”.

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

De rechtbank overweegt dat het Openbaar Ministerie uitgaat van het scenario dat verdachte verantwoordelijk is voor de letsels van [slachtoffer] en daarmee voor zijn dood. Door de verdediging is dit scenario weersproken en zijn er verschillende alternatieve scenario’s aangedragen.

Het is aan de rechtbank om de feiten en omstandigheden vast te stellen op grond waarvan wel of niet kan worden bewezen dat verdachte het aan haar ten laste gelegde heeft begaan.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aantreffen [slachtoffer] op 28 januari 2020

Op 28 januari 2020 omstreeks 20:11 uur gaat de politie naar de woning gelegen aan de [adres] naar aanleiding van een melding waarin de melder vertelde dat een vrouw, verdachte, om hulp vraagt voor haar man. De melder had het vermoeden dat zijn buurman, [slachtoffer] , dood was, omdat verdachte zo aan het huilen was. Als de politie ter plaatste komt, treffen zij verdachte huilend en overstuur aan. In een slaapkamer in de woning ligt [slachtoffer] op zijn rug op bed. De politie begint met de voorbereiding van de reanimatie, maar stopt hiermee wanneer zij opmerkt dat het lichaam van [slachtoffer] lijkstijf is. [slachtoffer] blijkt overleden te zijn.

Door de schouwarts worden in het gelaat en de hals van [slachtoffer] verschillende, op dat moment niet goed te duiden, letsels waargenomen, op grond waarvan de schouwarts concludeert niet overtuigd te zijn van het natuurlijk overlijden van [slachtoffer] . Geadviseerd wordt om nader onderzoek te verrichten.

Forensische rapportages

Naar aanleiding van het advies van de schouwarts zijn forensische onderzoeken verricht naar de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] .

Rapport Nederlands Forensisch Instituut

In het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door forensisch patholoog dr. J. Fronczek van 15 mei 2020 en de naar aanleiding daarvan opgemaakte aanvullende rapportages van 18 juni 2020 en 22 juni 2020 opgesteld door drs. B.G.H. Latten (hierna: Latten), wordt gerapporteerd dat bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] geen eenduidige doodsoorzaak kan worden aangewezen.

Gerapporteerd wordt dat [slachtoffer] kampte met ziekelijke hartafwijkingen.

Daarnaast zijn in de hals uitwendige letsels aangetroffen. De letsels bestaan uit meerdere onregelmatige, deels lijnvormige oppervlakkige huidbeschadigingen met roodheid in een totaalgebied van ca. 16 x 5 centimeter. De huidbeschadigingen bevinden zich deels haaks op de lengteas van het lichaam en deels parallel aan elkaar. Plaatselijk was er rechts in de hals een paarse onderhuidse bloeduitstorting van ca. 2 x 0,7 centimeter. De bevindingen van het letseldateringsonderzoek op deze onderhuidse bloeduitstorting passen bij een meerdere uren oud letsel.

Verder werden er in de hals inwendig meerdere bloeduitstortingen aangetroffen, namelijk bij de aanzet van de schuine halsspier rechts van ca. 1 x 1,5 centimeter, achter de slokdarm van ca. 5 x 3 centimeter en voorwaarts van het strottenhoofd links van ca. 2 x 1,5 centimeter. Ook werd een afwijkende stand van het rechter bovenste hoorntje van het strottenhoofd geconstateerd.

De letsels in de hals zijn bij leven ontstaan en kunnen volledig worden verklaard door de inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend (zoals door vallen, stoten), mogelijk deels schavend/krassend geweld (zoals bewegen langs (hoekige/scherprandige) structuren). Het is niet volledig uitgesloten dat (een deel van) de letsels door (samen)drukkend geweld zoals verwurgen, met de handen of met een structuur, zijn veroorzaakt. Indien er samendrukkend geweld op de hals heeft plaatsgevonden kan dit een rol hebben gespeeld bij het overlijden.

De letsels aan het gelaat bestaan uit bloeduitstortingen rondom de oogleden van het linkeroog en aan de binnenzijde van de lippen. Ook worden er aan het gelaat oppervlakkige huidbeschadigingen waargenomen. De letsels aan het gelaat zijn bij leven ontstaan en kunnen worden verklaard door de inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend (zoals vallen stoten) en/of schavend/krassend geweld (zoals bewegen langs hoekige scherprandige) structuren. Het is tevens niet volledig uitgesloten dat deze letsels (deels) zijn veroorzaakt door het gelijktijdig afdrukken van de mond/neus (smoren). Indien er sprake is geweest van smoren, kan dit een rol hebben gespeeld bij het overlijden. De puntvormige en grotere bloeduitstorting in de oogleden van het rechteroog kunnen veroorzaakt zijn door het bij leven opgetreden direct stomp botsend geweld ter plekke.

De overige letsels die bij [slachtoffer] worden aangetroffen, onder meer kleine huidscheurtjes achterwaarts van beide oorschelpen en bloeduitstortingen, zijn eveneens bij leven ontstaan, maar hebben geen (substantiële) bijdrage geleverd aan het overlijden. Geschreven wordt dat [slachtoffer] onder andere antistollingsmedicatie gebruikte. Van het gebruik van deze medicatie is bekend dat bloeduitstortingen daardoor eerder en uitgebreider kunnen optreden.

Uit het toxicologisch onderzoek blijkt dat bij [slachtoffer] een metoprololconcentratie is gemeten van ongeveer 1,5 mg/l. Gebruikelijke therapeutische metoprololconcentraties in het bloed liggen doorgaans tussen ongeveer 0,038 en 0,55 mg/l. De gemeten concentratie past bij de aanwezigheid van een hoge metoprololconcentratie ten tijde van het overlijden waarbij onder andere een verlaagde hartslag, verlaagde bloeddruk en/of hartritmestoornissen kunnen zijn opgetreden. Metoprolol behoorde tot de medicatie van [slachtoffer] .

De eindconclusie van het NFI luidt als volgt: “Het overlijden van [slachtoffer] , 77 jaren oud, kan volledig worden verklaard door ziekelijke hartafwijkingen. De gemeten metoprololconcentratie kan, zeker in combinatie met de ziekelijke hartafwijkingen, een bijdrage hebben geleverd aan het overlijden door het optreden van onder andere een verlaagde hartslag, verlaagde bloeddruk en/of hartritmestoornissen. Een indirect bijdrage van stomp botsend en/of samendrukkend geweld op de hals en/of het gelijktijdig afdrukken van de mond en neus (smoren) kan niet volledig worden uitgesloten. Meer informatie, onder andere verklaringen over gebeurtenissen in de uren voorafgaand aan het overlijden, is noodzakelijk voor een (eventuele) verdere interpretatie”.

In antwoord op aanvullende vragen die door de raadsman aan het NFI zijn gesteld, heeft Latten gerapporteerd dat het goed mogelijk is dat de huidbeschadigingen aan het gelaat en de hals en het letsel aan de knie zijn veroorzaakt door het bewegen van de hals, het gelaat en/of de knie door [slachtoffer] tegen de onderkant van een nachtkastje dan wel de onderkant van een bedrand. Ook is het goed mogelijk dat de verwondingen in de hals en aan het gelaat zijn veroorzaakt door het door [slachtoffer] (herhalend) horizontaal of verticaal met de handen en vingers (met daaromheen ringen) trekken aan de schakelketting die zich om zijn hals bevond en die omhoog te bewegen was.

Verder is door de raadsman gevraagd of de verwondingen aan de achterkant van beide oorschelpen (kleine huidscheurtjes) kunnen zijn veroorzaakt door het door [slachtoffer] (herhalend) horizontaal of verticaal met de handen en vingers (met daaromheen ringen) trekken aan de schakelketting, die zich om zijn hals bevond en omhoog te bewegen was. Hierop heeft Latten geantwoord dat dit mogelijk is, maar dat de verwondingen aan de achterkant van beide oorschelpen beter passen bij het trekken aan de oren.

Verslag van medicolegale expertise, second opinion

Door het Openbaar Ministerie is een second opinion aangevraagd. In het naar aanleiding daarvan door prof. dr. G. van Parys (hierna: Van Parys) opgemaakte rapport van 12 september 2023 wordt gerapporteerd dat onvoldoende is aangetoond dat het overlijden van [slachtoffer] volledig kan worden verklaard door ziekelijke hartafwijkingen in combinatie met het gebruik van metoprolol. [slachtoffer] kan theoretisch gezien overleden zijn ten gevolge van ziekelijke hartafwijkingen, maar er zijn volgens Van Parys onvoldoende objectieve gegevens aan te duiden om dat met medicolegale zekerheid vast te stellen.

Van Parys rapporteert dat wanneer de hartafwijkingen van [slachtoffer] buiten beschouwing worden gelaten, het bij [slachtoffer] aangetroffen letsel zich voornamelijk situeert in het gebied van het hoofd/de hals. Ook bevindt zich op deze plek, in tegenstelling tot de huid aan de torso en de ledematen, een beduidende blauwverkleuring van de huid. Deze vaststellingen verhogen volgens Van Parys de kans dat het letsel aan de hals en het hoofd het gevolg is van een doodsoorzakelijke toedracht. De mogelijkheid van stomp botsend en/of samendrukkend geweld op de hals en/of het gelijktijdig afdrukken van de mond en neus (smoren) als primaire doodsoorzaak moet volgens Van Parys minstens in overweging genomen worden.

In reactie op het rapport van Van Parys schrijft Latten dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen de letsels en de doodsoorzaak. De letsels zijn inderdaad veel waarschijnlijker als ze zijn toegebracht door verschillende krachtsinwerkingen dan ontstaan door de ziekelijke hartafwijkingen, echter zijn die letsels volgens Latten niet de uiteindelijke doodsoorzaak. Er ontbreken enkele bevindingen die goed kunnen passen bij een (samen)drukkende krachtsinwerking op de hals. Dit sluit een dergelijke krachtsinwerking echter niet uit. Smoren kan pathologisch niet aangetoond of uitgesloten worden.

Verklaringen deskundigen ter zitting

Ter zitting hebben de deskundigen Latten en Van Parys hun bevindingen bevestigd en nader toegelicht. Kort samengevat zijn zij het erover eens dat de doodsoorzaak van [slachtoffer] natuurlijk kan zijn geweest, maar dat een niet-natuurlijk overlijden ook mogelijk is.

Verder heeft Latten verklaard dat de huidbeschadigingen in het gelaat en in de hals kunnen zijn veroorzaakt door een schavende krachtsinwerking, zoals bijvoorbeeld het krassen met nagels. Beide deskundigen vinden deze letsels beter passen bij het krassen met nagels dan bij het schaven aan of stoten tegen de onderkant van een bedstel. Van Parys acht het waarschijnlijker dat deze letsels zijn toegebracht door nagels dan door de ringen die [slachtoffer] droeg. Bij het schaven aan of stoten tegen meubels is volgens Van Parys de verwachting dat er ook letsels op de rug en onderste ledematen zouden zijn aangetroffen. Van Parys verklaarde verder dat de letsels aan de hals veroorzaakt kunnen zijn door een ketting die [slachtoffer] om heeft gehad of door automutilatie. Ten aanzien van de letsels achter het oor verklaarde Van Parys dat hij niet verwachtte dat [slachtoffer] dat letsel bij zichzelf heeft toegebracht, tenzij er sprake is geweest van forse automutilatie.

Over het aantreffen van bloed van [slachtoffer] onder de nagels van verdachte is door beide deskundigen de conclusie van de forensische recherche bevestigd dat dit bloed ook na het overlijden van [slachtoffer] onder de nagels van verdachte terecht kan zijn gekomen, bijvoorbeeld doordat verdachte [slachtoffer] dood aantrof en toen geprobeerd heeft hem wakker te schudden, waarbij zij met haar nagels over [slachtoffer] heen zou kunnen hebben geschaafd. De huidbeschadigingen aan het gelaat en de hals van [slachtoffer] kunnen volgens beide deskundigen ook (kort) na het overlijden zijn ontstaan.

Verklaring verdachte

Verdachte verklaart dat zij voorafgaand aan en ten tijde van het overlijden van [slachtoffer] als enige met hem in de woning was en ontkent enige vorm van geweld op [slachtoffer] te hebben uitgeoefend. Toen verdachte en [slachtoffer] rond 16:00 uur gingen slapen, had hij volgens haar geen letsels op zijn gezicht. Toen verdachte enkele uren later het levenloze lichaam van [slachtoffer] aantrof, heeft zij geprobeerd hem wakker te schudden, waarbij zij met haar handen aan het bebloede gezicht van [slachtoffer] heeft gezeten.

Overwegingen van de rechtbank

Hieronder wordt gemotiveerd tot welke conclusies de rechtbank op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden komt.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of zij kan vaststellen dat [slachtoffer] als gevolg van het handelen van verdachte is overleden. De rechtbank betrekt bij de beantwoording van deze vraag de aangetroffen letsels die kunnen hebben bijgedragen aan de dood (stomp botsend en/of samendrukkend geweld op de hals en/of smoren) en niet de aangetroffen letsels die hieraan geen bijdrage geleverd kunnen hebben (de krasverwondingen aan het gelaat en in de hals, de kleine huidscheurtjes achterwaarts van beide oorschelpen en de bloeduitstortingen).

Op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden overweegt de rechtbank dat beide pathologen – kort samengevat – concluderen dat het overlijden van [slachtoffer] natuurlijk kan worden verklaard, namelijk door het optreden van – kort gezegd – hartfalen. [slachtoffer] kan blijkens de bevindingen van de deskundigen echter ook op niet-natuurlijke wijze zijn komen te overlijden doordat sprake kan zijn geweest van een krachtsinwerking (stomp botsend en/of samendrukkend geweld op de hals en/of smoren) die heeft bijgedragen aan de dood doordat als gevolg van deze geweldshandelingen hartfalen is opgetreden. De forensische bevindingen zijn dus onder beide scenario’s mogelijk.

De rechtbank overweegt dat ook de rest van het dossier geen bewijs bevat dat één van deze scenario’s in voldoende mate nader ondersteunt. Dat leidt tot de conclusie dat de rechtbank niet met voldoende zekerheid kan vaststellen dat [slachtoffer] op niet-natuurlijke wijze is komen te overlijden. Gelet daarop kan niet worden bewezen dat de dood van [slachtoffer] het gevolg is van het handelen van verdachte.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het dossier bewijs bevat op grond waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte het bij [slachtoffer] aangetroffen letsel heeft toegebracht door het uitoefenen van één of meer van de in de tenlastelegging opgenomen geweldshandelingen. Voor de beantwoording van deze vraag is van belang dat de deskundigen niet hebben kunnen vaststellen of het bij [slachtoffer] aangetroffen letsel al dan niet door een derde is toegebracht. Het letsel kan door een derde, maar mogelijk ook accidenteel of opzettelijk door [slachtoffer] zelf zijn toegebracht. Het onder de nagels van verdachte aangetroffen bloed van [slachtoffer] is geen steun voor het scenario dat verdachte geweld op hem heeft uitgeoefend, omdat het bloed onder haar nagels ook past bij het scenario dat zij heeft geprobeerd [slachtoffer] wakker te schudden toen zij hem levenloos aantrof. Het forensisch onderzoek geeft dan ook geen duidelijkheid over de toedracht.

Hetzelfde geldt voor het tactisch onderzoek. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld anders dan dat zij als enige bij hem in de woning was toen het letsel is ontstaan. Dat alleen biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun voor het scenario dat verdachte het bij [slachtoffer] aangetroffen letsel heeft toegebracht.

Dit betekent dat de rechtbank niet kan vaststellen dat verdachte het bij [slachtoffer] aangetroffen letsel heeft toegebracht, nog daargelaten dat de rechtbank evenmin zou kunnen vaststellen of verdachte dat heeft gedaan op de manier zoals in de tenlastelegging staat opgenomen.

Het voorgaande leidt dan ook tot het oordeel dat de rechtbank verdachte wegens gebrek aan bewijs zal vrijspreken van het aan haar ten laste gelegde.

5. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De nabestaande [nabestaande] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Gelet op de omstandigheid dat verdachte van het aan haar ten laste gelegde zal worden vrijgesproken, kan de rechtbank [nabestaande] niet in haar vordering ontvangen, zodat zij niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

6. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Vrijspraak

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte, [verdachte], daarvan vrij.

De vordering van de benadeelde partij

Verklaart de benadeelde partij [nabestaande] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.

Wijst af de vordering tot gevangenneming.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C. Wildeman, voorzitter,

mr. I. Timmermans en mr. A.L. op ‘t Hoog, rechters,

in tegenwoordigheid van J. Muller en mr. S.M. Zoetelief, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C. Wildeman

Griffier

  • mr. S.M. Zoetelief

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?